Home | Contact | Links       
Antonie Pannekoek Archives

Pressedienst

Bron: a.a.a.p.


Het Japanse imperialisme (slot)


Bron:   Radencommunisme : Marxistisch maandschrift voor zelfstandige klassebeweging, nr. 10, 1939 / Groep van Internationale Communisten. – Bron originelen: i.i.s.g. , Amsterdam, Collectie Henk Canne Meijer. – Getranscribeerd en uitgegeven voor Rätekommunismus , met medewerking van de Association Archives Antonie Pannekoek.


Het Japanse imperialisme in Mantsjoerije en China

Mantsjoerije was zestig jaar geleden nog hoofdzakelijk bewoond door Mongoolse nomadenstammen, die van jacht en schapenteelt leefden. Omstreeks die tijd begon een Chinese immigratie van boeren, die de nomadenstammen voor zich uitdreven en een “hogere” productiewijze, hier de landbouwproductie meebrachten.

Ook begonnen in deze periode de eerste kapitaal-exporten van Rusland en Japan, die een uitgebreid spoorwegnet aanlegden. Deze spoorwegmaatschappijen verzorgden echter niet alleen het vervoer, zij bedreven ook houtontginning, mijnbouw en andere industrieën.

Begin der Japanse penetratie in Mantsjoerije

Zowel de Russische, als de Japanse invloed groeiden na 1900 steeds meer in Mantsjoerije en Korea, totdat de tegenstellingen tussen beide in 1904 in een oorlog uitmonden. In deze oorlog wordt de macht van het Russisch imperialisme in Mantsjoerije vrijwel voorgoed gebroken. Bij de vrede van Portsmouth in 1905 moest Rusland het van China gepachte gebied Kwantung en de zuidelijke helft van de Zuid-Mantsjoerijse spoorweg van Port Arthur (1) naar Tsjangtsjoen (2) aan Japan afstaan. Zo behield Rusland alleen nog enkele macht in Noord-Mantsjoerije, doordat het in het bezit bleef van het noordelijk gedeelte van de Zuid-Mantsjoerijse spoorweg en de Oost-Chinese spoorweg. In de loop van de tijds werd de Zuid-Mantsjoerijse Spoorweg Maatschappij verreweg de belangrijkste industriële onderneming in Mantsjoerije. De taak van deze spoorwegmaatschappij beperkt zich niet tot het exploiteren van spoorlijnen, maar ook mijnbouw en handel worden bedreven, industrieën gevestigd. Gas en elektriciteit worden door haar geleverd; de maatschappij bezit hotelconcerns; andere vervoerdiensten dan alleen spoorwegvervoer, verzekeringsmijnen en scholen, laboratoria landbouw-proefstations, bibliotheken, musea enz. De maatschappij kreeg van de Japanse regering de bevoegdheid met Chinese autoriteiten te onderhandelen, verdragen te sluiten en overeenkomsten. Kortom, deze maatschappij haalde een groot deel van Mantsjoerije met één slag binnen het kapitalistisch productieproces. De invloed van Japan in Mantsjoerije bleek voor de wereldoorlog reeds zo belangrijk te zijn, dat een internationaal bankconsortium , dat één miljoen pond sterling in Mantsjoerije wilde investeren, slechts voor 400.000 pond de kans kreeg. En na de wereldoorlog steeg Japans macht in dit land nog meer doordat in 1922 bij het verdrag van Washington, China door Engeland en Amerika geprest werd, voor Japan gunstige overeenkomsten te tekenen betreffende de aanleg van spoorwegen en mijnbouw. Daarnaast wist de Japanse bourgeoisie de Chinese “vrije toegang” dus economische vrijheid in het binnenland van Mantsjoerije af te dwingen.

Rusland en China in Mantsjoerije na 1922

Ondanks het feit dat China in 1922 bi j het verdrag van Washington ongunstige verdragen moest ondertekenen, trachtte dit land toch naar verloren positie in Mantsjoerije (dat sedert lange tijd een zogenaamd autonoom gebied was, maar eigenlijk bij China behoorde) te heroveren. Daardoor stegen achter niet alleen de spanningen tussen China en Japan (waar we het straks over zullen hebben) maar ook tussen China en Rusland. Wel werd nog in 1924 een verdrag tussen beide laatstgenoemde landen gesloten, waarbij de Oost-Chinese spoorwegmaatschappij tot een zogenaamde commerciële onderneming werd gemaakt. Maar toch wist Rusland de transacties van deze maatschappij zodanig uit te nutten, dat zijn politieke macht in Noord-Mantsjoerije steeg. De Chinese bourgeoisie trachtte dan ook deze invloed te breken. In 1927 rukten Chinese troepen naar de spoorweg op, bezetten de daarbij behorende gebouwen en bedrijven, terwijl de Russische beambten vervangen werden door Chinese. Direct antwoordde Rusland door het zenden van troepen. De Chinese werden teruggeslagen, en bij het nieuwe verdrag, dat in 1929 te Chabarovsk (3) werd gesloten, nam Rusland de beminnelijke houding aan alles te laten zoals het was. Later, in 1931, toen de Japanse troepen Mantsjoerije binnenrukten, besloot Rusland de Oost-Chinese spoorweg voor 170 miljoen aan Japan te verkopen.

Chinese concurrentie tegen Japan in Mandsjoerije

De groeiende Chinese macht in Mantsjoerije na 1922 blijkt het best uit de vele spoorwegen (4), die na die tijd met Chinees kapitaal zijn aangelegd. De belangrijkste waren die van Takoesjan naar Toenliau met aansluiting van Tsjengsjiatoen naar Taonan en Angantsji en de lijn Moekden (5) via Hailoeng naar Kirin. De betekenis van deze spoorwegen komt naar voren, als men weet, dat de eerstgenoemde spoorlijn het thans mogelijk zou maken, West-Mantsjoerije zo goed als geheel onafhankelijk te maken van de (Japanse) Zuid-Mantsjoerijse spoorweg.

Via de lijn Peking-Moekden werd dit nieuwe spoorwegcomplex in verbinding gebracht mat de haven van Hoeloetau en had daardoor zeker aan de Koreaans-Japanse stad Dairen een geweldige klap toegebracht, indien Japan niet in 1931 zou hebben ingegrepen.

Daarbij komt, dat om dit nieuwe spoorwegcomplex leven in te blazen, een tegen de Zuid-Mantsjoerijse Spoorwegmaatschappij, dus tegen Japan gerichte vrachttarieven-politiek werd gevoerd. In 1929 werden de Chinese tarieven met 47% verlaagd, zodat de Zuid-Mantsjoerijse maatschappij niet meer kon meekomen. Een tweede aanval op deze maatschappij werd begonnen toen de lijn van Moekden-Hailoeng tot Kirin in 1929 werd voltooid. Daardoor werd een aanval op Oost-Mantsjoerije ingezet. Vooral tegen de aanleg van deze laatste spoorwegen werd door de Japanse regering heftig geprotesteerd. Tenslotte legden andere Chinese spoorwegmaatschappijen nog Noord-Mantsjoerije bloot!

Naast de exploitatie van het land door middel van spoorwegen werd Chinees kapitaal geplaatst om grote rivieren bevaarbaar te maken. En tenslotte ondervond het Japanse kapitaal in Mantsjoerije hevige concurrentie door nieuw opgerichte Chinese mijnbouwindustrie- bosbouw- en landbouwondernemingen.

Deze groeiende Chinese economische invloed had tot gevolg, dat in 1931, toen Japan Mantsjoerije binnenviel, de handel van het huidige Mantsjoerije met China zowel absoluut als relatief sterker kon toenemen dan de handel tussen Mantsjoerije en Japan en dan de totale buitenlandse handel.

Was de Mantsjoerijse handel in 1907 slechts 12% van de Chinese handel, in 1920 was het 19%, in 1929 21 % en in 1930 24 %. En deze verschuiving van de handel vond plaats ten koste van de handel op Japan.

Op deze wijze ondervond het Japanse kapitaal, dat in Mantsjoerije was belegd (in 1931 was dit 1,7 miljard yen) zowel door de Chinese spoorwegen als door de Chinese handel een gevoelige concurrentie.

De “aanleiding”

Afgezien echter van bovengenoemde, voor het economisch leven van Japan ingrijpende veranderingen, waren er nog andere oorzaken die de Japanse inval in Mantsjoerije bespoedigden.

1. De burgeroorlog in China

In verband mei dit onderwerp is het van belang te weten, dat tussen de Mantsjoerijse generaal Tsjang-Tso-Lin (6) en de Nanking-regering, de Kwo-Min-Tang (7), grote tegenstellingen bestonden. De Nanking-regering met Tsjiang-Kai-Sjek (8) aan het hoofd, was de uitdrukking van de met alle macht opkomende Chinese bourgeoisie (vooral uit het zuiden en midden van China) die een krachtig China tot doel had, met in begrip van Mantsjoerije. De heersende klasse van Mantsjoerije voornamelijk bestaande uit grootgrondbezitters en mijneigenaren, verzetten zich echter tegen een economische afhankelijkheid van de Zuid-Chinese bourgeoisie. Met Tsjang-Tso-Lin aan het hoofd van de regering vochten zij voor de onafhankelijkheid van hun kapitaal.

Uit den aard der zaak was dit voor Japan van grote betekenis. De strijd der Chinese regering ging nu niet alleen tegen Japan maar ook tegen Tsjang-Tso-Lin. Omgekeerd kon de laatste zijn doel echter pas bereiken indien hij ruggensteun zocht bij Japan. Daardoor liepen de belangen van beide vaak parallel. Uit het volgende zal echter blijken dat er tussen beide ook grote tegenstellingen bestonden.

Terwijl de strijd om Mantsjoerije tussen de hoofdmachten China en Japan ging, kon het echter door de bijzondere omstandigheden lijken of er in Mantsjoerije een “burgeroorlog” uitgevochten werd. Doordat immers de Nanking-regering onder leiding van Tsjang-Kai-Sjek, beweerde dat Mantsjoerije bij China “behoorde” werd de generaal Tsjang-Tso-Lin zoiets als een opstandige generaal, die neergeslagen moest worden. Maar het neerslaan van den laatste en het vestigen van het Chinees gezag in Mantsjoerije zou voor Japan een groot gevaar betekenen.

Vandaar dat elke aanval van de Nanking-regering op Tsjang-Tso-Lin door de Japanse regering werd uitgelegd als een “burgeroorlog” die de Japanse belangen in Mantsjoerije schaadde. Onder deze “rechtvaardiging” kon Japan dan zijn troepen laten binnenrukken. Zo bijvoorbeeld in 1925.

In dit jaar werd een strijd gevoerd tussen Tsjang-Tso-Lin en de toenmalige generaal van Peking Feng-Hu-Hsiang (9). Een van de aanvoerders van Tsjang-Tso-Lin liep echter naar de Pekinger generaal over, die op zijn beurt weer in verbinding stond met Tsjang-Kai-Sjek, dus met de Nanking-regering. Door dit verraad kon Tsjang-Tso-Lin niet stand houden, en konden de Chinese legers West-Mantsjoerije binnenrukken en de spoorlijn Peking-Moekden bezetten.

Dit betekende een gevaar voor de Japanse bezittingen in deze gebieden. Vandaar dat om de “orde” te handhaven en het “communisme” te bestrijden Japan een neutrale zone afkondigde van zeven mijl links en rechts van de Zuid-Mandsjoerijse spoorweg. De Chinese legers konden niet verder oprukken. Tsjang-Tso-Lin, kreeg tijd nieuwe troepen te verzamelen, waarna het niet lang meer duurde of de Chinese troepen werden teruggeslagen.

In 1928 werd daarentegen weer een actie door de Kwo-Min-Tang vanuit Peking tegen Tsjang-Tso-Lin ondernomen. Opnieuw dreigde de “burgeroorlog”, zoals de Japanners het noemden, in Mantsjoerije uitgevochten te worden. Vandaar dat de Japanse generaal Tanaka (10) (de man van het zogenaamde beruchte rapport) toen bekend maakte, dat, indien in Mantsjoerije weer een burgeroorlog zou worden uitgevochten, Japan zich genoodzaakt zou zien zelf de “vrede en orde in Mantsjoerije te handhaven”. De Chinese troepen trokken daarop niet voorbij de “grote muur”.

Zoals we straks nog duidelijker zullen zien, was de binnenlandse politiek van Tsjang-Tso-Lin gericht op de versterking van de macht der Mantsjoerijse bezittende klasse. Dit echter was niet de bedoeling van de Japanse regering. Daarbij gevoegd het feit, dat de strijd van Tsjang-Tso-Lin tegen de Janking-regering niet altijd even gelukkig verliep, is het duidelijk, dat hij op zeker moment voor de Japanse heersende klasse een sta-in-de-weg werd. Men beweert, dat hij door Japanse militairen uit de weg is geruimd. Toch lukte het de Japanse regering niet in Mantsjoerije iemand als opvolger te krijgen, die direct naar hun pijpen zou dansen. De opvolger werd Tsjang-Hsue-Liang (11), de zoon van de vermoorde generaal, die echter veel meer dan zijn vader bereid was met de Nanking-regering samen te werken. In december 1929 verklaarde hij Mantsjoerije onder het gezag van Nanking. Zo was dus opnieuw de “autonomie”, dat waren dus meteen de belangen van het Japanse kapitaal, in gevaar gebracht. Door de inval van 1931 werd aan dit dreigend gevaar echter een einde maakt.

2. Belastingheffing, valuta-manipulaties en landbouw-manipulaties

Ook van al deze dingen had het Japanse kapitaal te lijden. Weliswaar waren de buitenlanders zelf van belastingen vrijgesteld, maar door de zeer zware belastingdruk op de bevolking werd, zo zeggen de Japanse berichten, de “koopkracht van de bevolking” gedrukt en zou Mantsjoerije op deze wijze meer en meer als afzetgebied verloren gaan.

Zo was het ook met het geld als circulatiemiddel, wat voor de handel van zeer groot nadeel is, maar door een voortdurende vergroting van de bankbiljettencirculatie ontstond een inflatie, wat voor de landbouwbevolking en het industrieproletariaat praktisch neerkwam op een “wettelijke afpersing” en voor de “autoriteiten” op een voortdurende verrijking. “Op monetair gebied heerste in Mantsjoerije in 1931 een volslagen chaos” […] “Kortom, het was niet anders dan een monsterachtige officiële roverij, waarvan de uitgebreidheid en de uitwerkingen moeilijk zijn te schatten" (zie: Lyttox-rapport).

Brachten dus deze oorzaken grote moeilijkheden voor de Japanse handel, minstens zo belangrijk was het volgende: de verkoop van landbouwproducten was door de Chinees-Mantsjoerijse regering zodanig gemonopoliseerd, dat zij het uitsluitende recht bezat, deze producten op te kopen, waarvoor geld (bankpapier) werd betaald, dat in de regel niet op de vrije markt inwisselbaar was. Zodoende had deze regering niet alleen een monopolie-positie wat de prijs betreft, maar tegelijkertijd waren de landbouw-exporteurs van de regering afhankelijk. Op deze wijze gelukte het Tsjang-Tso-Lin de hoge militaire uitgaven te dekken. Wel konden de Japanse exporteurs zich met Japanse regeringssteun handhaven, maar deze toestand kon op de duur niet voortduren en zeker niet als in de crisis het Japanse kapitaal voor nog grotere moeilijkheden komt te staan.

3. Verbod van land pachten

Op alle mogelijke wijzen trachtte de Mantsjoerijse regering het verpachten van land aan Japan tegen te gaan. Zelfs werd de doodstraf gesteld op het verpachten van land aan vreemdelingen. Maar ook hier moest de Mantsjoerijse regering op de duur wijken. Grote Japanse banken werden voor dit doel opgericht. Men ging als volgt te werk: er werd geld geleend, bijvoorbeeld aan boeren om hun land te verzorgen of om de hoge belastingen te betalen. In onderpand werd dan het land gegeven. Maar de boer kon over het algemeen de gelden en de renten niet terugbetalen. In zo’n geval werd het land dan verkocht en kwam op deze wijze in Japanse handen. Zo gelukte het de Japanse maatschappijen in 1931 ongeveer 200.000 hectare in handen te krijgen.

4. De Koreanen

Natuurlijk was er ook een “minderheden-kwestie”. In 1910 annexeerde Japan Korea, waardoor het Japanse rijk aan Mantsjoerije kwam te grenzen. Thans wonen in Mantsjoerije ongeveer één miljoen Koreanen, waarvan bijna de helft in het vroegere Chinese grensdistrict Chientao (12)12 woont. In dit district werden de Koreanen toegestaan land te pachten. Daarbuiten niet.

Toen in 1915 de Japanners het recht kregen in Zuid-Mantsjoerije en Binnen-Mongolië te wonen, handel te drijven en land te pachten, beweerden de Japanners later, dat dit recht ook van toepassing was op alle Japanse onderdanen, dus ook op de Koreanen. Dit geschil bleef slepende en werd niet tot oplossing gebracht.

De Koreanen in het district Chientao stonden onder Chinese wetten, Chinese politie handhaafde daar de orde. Op de duur echter trachtte Japan, om redenen die overduidelijk zijn, in Chientao de Japanse wetten te laten gelden en Japans politietoezicht op de Koreanen uit te oefenen, daarbij kwam dat Japan voortdurend Koreanen naar Mantsjoekwo (13) liet emigreren. Daardoor echter verloor door een indertijd ingestelde Chinese maatregel zo’n Koreaan de Japanse nationaliteit. Japan echter erkende deze maatregel niet. Wat was hiervan het gevolg? Het Japanse kapitaal, dat zelf niet in het bezit kon komen van grond in Mantsjoerije, verschafte de Koreanen het kapitaal om dit aan te kopen, zich landbouwmachines en kunstmest aan te schaffen. Daardoor steeg de Japanse invloed in Mantsjoekwo en werden de Koreanen de vooruitgeschoven posten van het Japanse kapitaal.

Uit de aard der zaak was dit de Mantsjoerijse autoriteiten spoedig bekend. Het gevolg was dat de Koreanen werden geboycot. Menigmaal werden ze ook door de Mantsjoerijse landbouwers, die door de regering opgehitst werden, mishandeld. In zulke gevallen riepen de Koreanen de hulp in van de Japanse politie of van de Japanse legers. Op deze wijze konden vaak mishandelingen of vechtpartijen tussen Mantsjoerijers en Koreanen door de Japanse geldschieters uitgelokt worden. En één van deze vechtpartijen, die plaats vond op 1 juli 1931, bracht, naast de moord op de Japanse spion Nakamura (14), Japan tot “nationale verontwaardiging”. De oorlog tussen China en Japan zette in en de Japanse legers vielen als eerste doel Mantsjoerije binnen. Later zou de rest van China volgen.

De economische betekenis van Mantsjoerije voor Japan

We zullen thans nagaan, welke betekenis Mantsjoerije heeft voor Japan voor zover het van belang is voor de grondstoffenverwerking van de Japanse industrie en voor de afzet van de Japanse waren.

Allereerst iets over de Japanse voedselvoorziening. Het belangrijkste Japanse voedsel is rijst en soja. Voor zover in Japan er een tekort is aan rijst, wordt de rest ingevoerd uit Korea en Formosa (15). Het belangrijkste product is de soja, zij wordt uit Mantsjoerije ingevoerd. Meer dan 50% van de Mantsjoerijse uitvoer bestaat uit sojaproducten. Hiervan neemt Japan 20% van de bonen en 70% van de koeken (16) af, die als meststof in de landbouw worden gebruikt.

De grondstoffen

Zoals we reeds zagen uit het voorgaande, wordt in Mantsjoerije ijzererts gevonden met een vrij laag ijzergehalte. Vandaar dat de Zuid-Mantsjoerijse Spoorwegmaatschappij. tot op dit ogenblik, voor wat de ijzerproductie betreft met verlies werkt.

Om de productie en de outillage (17) van het bedrijf te vergroten werd in 1934 de Amsjan-mijn (van de Zuid-Mantsjoerijse Spoorwegmaatschappij) door een groter concerns, het Sjowaconcern overgenomen. Geweldige kapitalen werden in het niet rendabele bedrijf gestopt, thans wordt de productie belangrijker.

De productie van steenkool is van meer betekenis. Dit komt de Japanse steenkoolproductie, die over weinig antraciet en cokes beschikt, ten goede. Een nadeel voor de Japanse mijneigenaren is echter, dat de Mantsjoerijse kool veel en veel goedkoper is dan de Japanse. De Japanse steenkoolindustrie wordt dan ook gecontingenteerd (18).

Evenmin als in Japan wordt in Mantsjoerije petroleum gevonden. Daarentegen zijn er uitgebreide olie-leisteenlagen; op het ogenblik produceert een grote fabriek minerale oliën uit de leisteenlaag die over de kolenbedding van Toesjoen heen ligt. Daar deze leisteen toch moet worden verwijderd, is de exploitatie niet al te kostbaar. Sommige berichten melden dat in de laatste jaren ongeveer 300.000 ton ruwe olie op deze wijze kon worden voortgebracht. Ofschoon deze productie wel stijgende is, zijn de productiekosten, vergeleken met de normale wijze van produceren, veel te hoog.

Verder tracht men in Mantsjoerije te komen tot uitgebreide katoenaanplant.

Afzetgebied

Van meer betekenis is Mantsjoerije als afzetgebied. De uitvoer van Japan naar Mantsjoerije bedroeg bijvoorbeeld in 1926 9,1% van de totale uitvoer, in 1934 reeds 18,6%. Bedroeg het Japanse aandeel 58,4% van de totale invoer van Mantsjoerije (1932) in 1935 was dit reeds 75,4%. Uit deze cijfers blijkt, dat Mantsjoerije als afzetgebied van veel betekenis wordt.

Invoer van Japan naar Mantsjoerije, met inbegrip van de Kwangtung-provincie:

 in %in miljoenen yen
193258,4197
193365,8340
193468,8408
193575,4456

De Chinese goederen werden daarentegen gedurende deze periode steeds meer van de Mantsjoerijse markt verdrongen. Dit blijkt uit het volgende:

Invoer van China en Japan in Mantsjoerije: (1935, eerste halfjaar)

 Katoenen garensZijden stukgoederenPapier
 JapansChineesJapansChinees JapansChinees
193229,9%70,–%50,1%48,1%58,7%32,2%
193338,2%61,8%53,1%45, 9%65,9%29,6%
193443,4%56,3%87%12,7%78,4%17,1%
193563, 4%36,6%96,9%2,7%88,4%6,9%

En deze tendens bestaat niet alleen voor bovengenoemde goederen, maar ook voor katoenen stukgoederen, thee enzovoort.

Samenvatting

Zoals we dus zagen, is de inval van Japan in Mantsjoerije niet zo maar plotseling in 1931 geschied. Er ging reeds een lange imperialistische ontwikkeling aan vooraf. Alleen kwamen in 1931 de tegenstellingen tot een hoogtepunt. Tegelijkertijd konden deze tegenstellingen juist in die tijd tot dit hoogtepunt komen, doordat in 1931 de crisis in Japan zijn dieptepunt had bereikt, de handel geweldig terugliep, de buitenlandse afzetmarkten zich voor Japanse waren begonnen te sluiten en China tegen deze tijd tot grote kapitaalexport in Mantsjoerije overging. Al deze oorzaken werkten samen en deze, gevoegd bij de binnenlandse toestanden in Mantsjoerije maakten het, dat Japan juist in die tijd binnenviel. Om uit de crisis te komen, moest Japan naar nieuwe afzetmarkten zoeken, zodat het weer opnieuw in het bezit kon komen van grondstoffen. Daarvoor was nodig dat de Chinese invloed in Mantsjoekwo grondig moest worden gebroken.

Voor de andere landen viel het diepste punt van de crisis na 1932. De “saneringsmaatregelen” van de verschillende grootmachten om uit deze crisis te komen, dateren dan ook vooral van na 1932. Nog meer afzetgebieden werden gesloten, waardoor het Japanse kapitaal opnieuw direct gedwongen werd naar andere markten om te zien. Zowel voor de grondstoffen als voor de afzet van de goederen is China een gebied, dat voor een kapitalistische ontwikkeling nog geweldige mogelijkheden in zich draagt.

In het voorgaande is gebleken, hoe Japan de drijvende macht is, die in Oost-Azië meer en meer de oude productiewijze verdringt en daarvoor in de plaats het kapitalisme brengt.

Om de ontwikkeling en de mogelijkheden van het Japanse kapitaal en daarmee de bevrijding van het Japanse proletariaat te leren kennen, zal het daarom ook in de toekomst van doorslaggevend belang zijn de ontwikkeling in Mantsjoerije en China te volgen. Het Japanse probleem is mettertijd uitgegroeid tot een Aziatisch “probleem”. Bekeken van het standpunt der arbeidende klassen wil dit zeggen, dat over een veel groter gebied dan Japan de tegenstelling uitgebuite en uitbuiter op kapitalistische grondslag wordt doorgevoerd. Als de Japanse imperialisten beweren, dat hun zending is de bevrijding van 800 miljoen mensen, dan kunnen zij wel eens gelijk krijgen. Alleen zal de bevrijding er dan wat anders uitzien.


Redactionele aantekeningen

1. Port Arthur, momenteel Lüshunkou  .

2. Tsjangtsjoen, is Changchun  .

3. Chabarovsk  .

4. Zie: Trans-Mantsjoerische spoorlijn  .

5. Moekden, is Shenyang  .

6. Tsjang-Tso-Lin: Zhang Zuolin  . (1875-1928).

7. Kwo-Min-Tang: Kwomintang  .

8. Tsjiang-Kai-Sjek: Chiang Kai-shek  (1887-1975).

9. Feng-Hu-Hsiang: Feng Yuxiang  (1882-1948).

10. Tanaka Giichi  (1864-1929).

11. Tsjang-Hsue-Liang: Chang Hsueh-liang  (1901-2001).

12. Chientao: Jiandao  .

13. Mantsjoekwo, de naam van Mantsjoerij vanaf 1932 onder Japans bewind.

14. Shintarō Nakamura  .

15. Formosa, het huidige Taiwan  .

16. Sojakoek is een meststof.

17. Outillage: gereedschap, uitrusting.

18. Contingenteren: het opleggen van een invoerquotum om de binnenlandse productie te beschermen.


Postabonnees opgelet!

Voor de meeste van onze postabonnees loopt het abonnement bij vooruitbetaling (10 nummers à 70 cent) met dit nummer af. Wie zijn abonnement wil verlengen, gelieve opnieuw voor 10 nummers te storten op rekening van J.Meijer. Het volgend nummer wordt alleen toegezonden aan hen, die hun abonnement hebben vernieuwd.


Compiled by Vico, 17 September 2021


























Overzicht