Home | Contact | Links       
Antonie Pannekoek Archives

Pressedienst

Bron: a.a.a.p.


Het einde van de burgeroorlog in Spanje


Bron:   Radencommunisme : Marxistisch maandschrift voor zelfstandige klassebeweging, nr. 9, 1939 / Groep van Internationale Communisten. – Bron originelen: i.i.s.g. , Amsterdam, Collectie Henk Canne Meijer. – Getranscribeerd en uitgegeven voor Rätekommunismus , met medewerking van de Association Archives Antonie Pannekoek.


I.

Franco heeft de burgeroorlog gewonnen. De republikeinen zijn gevlucht of hebben zich overgegeven. Na drie jaren heldhaftige strijd, zo schrijven de burgerlijk-democratische bladen, is de Spaanse republiek te gronde gegaan. En de arbeiderspers, die de zaak van de arbeiders met die van de republiek vereenzelvigt, zegt het op deze manier: na drie jaren strijd hebben de arbeiders de strijd tegen het fascisme verloren.

Maar dat is niet waar. De arbeiders hadden de strijd al twee jaar geleden verloren. Voor de arbeiders was het geen strijd om een of andere regeringsvorm of regering, maar een strijd tegen de uitbuiting, een strijd voor de bevrijding uit alle klassenheerschappij, een strijd om zelf meester te zijn over de maatschappij. En daarin hadden ze reeds in 1937 de nederlaag geleden. De burgerijk-republikeinse, op de socialisten en de communisten steunende, regering, die hen toen onderwierp, die is het die nu voor Franco capituleerde. Voor de arbeiders is wat nu gebeurd is, van veel minder betekenis dan wat toen in het eerste jaar gebeurde.

De grote verandering, die toen in Barcelona, de meest industriële en proletarische stad van Spanje plaatsvond, komt treffend uit in de beschrijving die Franz Borkenau (*), die gedurende dat eerste jaar tweemaal Spanje bezocht, van zijn indrukken geeft. Borkenau, die vroeger lid van de IIIe Internationale was geweest, maar naderhand uitgetreden, bereisde eerst in augustus 1936, kort na het uitbreken van de generaalsopstand het linkse Spanje en bezocht alle tonelen van strijd; daarna keerde hij nog eens in januari 1937 terug, maar moest toen uit Valencia voor de vervolgingen van de c.p. vluchten, die vernomen had dat hij in zijn manuscript van de eerste reis minder gunstig over haar had gesproken. Hij geeft in zijn boek (The Spanish Cocpit) zijn indrukken van dag tot dag, met daaraan geknoopte beschouwingen. Zij zijn een soort momentopnamen, die van veel belang zijn om te begrijpen wat er gebeurd is en hoe dit alles gekomen is.

Augustus 1936

Horen wij eerst zijn indrukken, toen hij in augustus 1936 uit Frankrijk Catalonië binnenkwam. Hij vertelt enige belevenissen onderweg in de trein – wij komen erop terug – en komt 11 augustus in Barcelona aan.

”Weer een vreedzame aankomst. Geen taxi’s, alleen oude paardenrijtuigen, die ons naar de stad brachten […] En toe toen wij de hoek van de Ramblas (de hoofdstraat van Barcelona) omsloegen, kwam een ontzaglijke verrassing: voor onze ogen, plotseling, ontvouwde zich de revolutie. Het was overweldigend. Het was, of wij in een ander werelddeel waren aangeland, verschillend van alles wat ik tevoren gezien had. De eerste indruk: bewapende arbeiders, het geweer op schouder, maar in hun gewone daagse kleren. Misschien dertig percent van de mannen op de Ramblas droegen geweren, terwijl er geen politie was, en geen geregelde militairen in uniform. Wapens, wapens, almaar wapens. Zeer weinigen van deze gewapende proletariërs droegen de nieuwe nette donkerblauwe militie-uniform. Zij zaten op de banken, of wandelden op de trottoirs, het geweer over de rechterschouder, en vaak hun meisjes aan de linkerarm. In groepjes vertrokken ze om te patrouilleren in de buitenwijken. Zij stonden op wacht voor de ingang van de hotels, de grote kantoren, de warenhuizen. Zij zaten in groetjes achter de nog aanwezige barricaden, die zeer deskundig uit stenen en zandzakken waren gemaakt, maar meest alweer opgeruimd, met het plaveisel snel hersteld. Zij suisden in razende vaart snel voorbij in talloze luxe auto’s, die ze onteigend hadden.”

Januari 1937

Zo had hij het in augustus 1936 gezien. Nu ging hij in januari 1937 opnieuw dezelfde weg. Zijn trein was vol met vrijwilligers, stevige frisse kerels, meest uit Amerika, Canada, Cuba, Mexico, allen om in de “Internationale Brigade” tegen het fascisme te strijden; straks zouden ze door het "communistisch centrum” gekeurd worden. In tegenstelling met de vorige keer zag hij veel gewapende troepen onderweg, nu in gelijkere uniformen, en daartussen veel politie, de zogenaamde Asaltos, en de Guardia Civil (de Spaanse marechaussees, berucht in vroegere sociale bewegingen, nu in Catalonië in dienst van de republiek). Zelfs een anarchist, met wie hij sprak, sprak niet meer van de “militie”, maar van “het leger”.

“Barcelona kwam als een onverwachte schok, evenals ook in augustus, maar nu in tegengestelde zin. Toen had het schouwspel mij overstelpt door zo plotseling het ware karakter van een dictatuur van de arbeiders te tonen. Dit maal trof het omgekeerd, doordat alle tekenen van deze dictatuur weggeveegd waren. Geen barricaden meer in de straten; geen auto’s meer, die beschilderd met revolutionaire hoofdletters en vol mannen met rode halsdoeken, door de straten suisden. Geen werklui meer in gewone kleren maar met geweer op schouder; heel weinig gewapenden zelfs, bijna alleen enkele Asaltos en Guardias in schitterende uniformen. Niets meer van de borrelende beweging van de massa’s om de partijlokalen en de hopen vrachtauto’s voor de ingangen; de rode vlaggen en opschriften, zo indrukwekkend in augustus, waren verbleekt. Viel was er ook nu geen echte bourgeoisie op straat; als er nog rijken waren; vertoonden ze zich niet in het openbaar. De “Ramblas", de hoofdstraat van het volksleven, droeg nu veel minder een arbeiderskarakter dan toen. Toen was het gevaarlijk een hoed te dragen; nu gaf niemand erom, en de meisjes aarzelden niet hun mooiste kleren te dragen. Enige nette restaurants en danszalen zijn weer geopend en werden bezocht. Om het samen te vatten: wat men het kleinburgerlijk element noemt, de kooplieden, de winkeliers, de vrije beroepen en dergelijken zijn niet enkel weer verschenen, maar bepalen sterk de algemene indruk. Het Hotel Continental, waar ik in augustus was geweest, als een van de weinige journalisten tussen een massa ingekwartierde militie, had zijn karakter van voor de revolutie teruggekregen. De militie was weg, de kamers waren vol met betalende en goed geklede gasten, en de zaken gingen hier blijkbaar best.
Niet alleen de revolutionaire geest was verflauwd, maar ook de oorlog was weggetrokken; toen paar dagen later, in Valencia, sprak een regerings-ambtenaar met enige bitterheid tot mij: “Maar de Catalanen zijn niet in oorlog. […]”

De schrijver vertelt dan verder, dat men van de oorlog veel merkt door beschietingen door oorlogsschepen, en vooral door luchtbombardementen. Daarvoor waren een overvloed van goede schuilkelders aangelegd, met een goede organisatie.

Voedselvoorziening

Maar het moeilijkste probleem voor Barcelona vormden niet de bommen, maar het voedsel. Dit voedselprobleem was nauw samengeweven met de politieke strijd der partijen; omstreeks Nieuwjaar had de socialistisch-communistische koalitie (de p.s.u.c.), die nu de regering beheerste, de meest rechtse socialistische politicus van Catalonië, Cemorera, tot minister van de voedselvoorziening benoemd. Tot die tijd waren er “brood-commissies” geweest, die met de anarchistische vakverenigingen (c.n.t.) samenwerkten, om vanuit de dorpen de stad van graan te voorzien – een enigszins chaotische toestand, die beter geregeld diende te worden.

“Maar Comorera, uitgaande van abstrakt-liberale beginselen, die geen regering in oorlogstijd gevolgd had, maar waarvan de rechtse sociaaldemocraten de laatste en vurigste bewonderaars waren, voerde niet een gecentraliseerde ordening in plaats van de chaos in. Hij herstelde eenvoudig, en geheel en al, de vrije handel. Zelfs was er geen systeem van rantsoenering in Barcelona. De arbeiders moesten maar zien, hoe zij net lonen, die sinds mei nauwelijks veranderd waren, hun brood bij de sterk gestegen prijzen kregen. Dat kwam daarop neer, dat de vrouwen van vier uur ’s-ochtends in de rij moesten staan voor de bakkerswinkels. Natuurlijk was de verbittering groot in de arbeiderswijken, te meer daar de schaarste aan brood sinds het optreden van deze minister snel erger was geworden.”

De gevolgen daarvan worden dan beschreven. Het is wel niet te vergelijken met het lijden van de burgerbevolking in het laatst van de wereldoorlog; maar er is toch een aanmerkelijk tekort.

“Dit tekort ondermijnt de moraal, de geestdrift, de trots en het nachtgevoel van juist die klasse, die in juli in het bezit van de volledige macht scheen te zijn, terwijl omgekeerd de winkeliers en de kleine burgerij nu voel beter af zijn. Dit leidt dan weer tot incidenten. Op een zondagnamiddag was ik getuige van een bijzonder ergerlijk geval. Aan de straat waar ik doorkwam waren twee bakkerijen, en lange rijen stonden te wachten voor de deuren, tezamen omstreeks 300 of 400 in aantal. Zij werden bewaakt door negen Asaltos, zeven te voet en twee te paard, allen in hun uniform van vóór de revolutie, de geweren, met scherp geladen, op schouder. Daar het een zondag was, waren in de rijen ongeveer evenveel mannen als vrouwen. Beide winkels waren gesloten, en de mensen stonden vergeefs te wachten op brood. Toen kwam een van de bakkers buiten en hing een plakkaat aan de deur, dat op die dag geen brood zou te krijgen zijn. Onder de wachtende menigte ontstond wat rumoer, enige kreten, wat onrust, maar geen enkele poging tot enig soort actie.
Maar de Asaltos zijn gewend aan zekere manieren van optreden van voor de revolutie, en aarzelen niet, die ook nu te gebruiken. De beide ruiters rijden met hun paarden het trottoir op, laten ze ronddraaien en steigeren tussen de verbitterde menigte, zodat mannen en vrouwen telkens door de achterhoeven van de paarden geraakt worden. Zo al niet wreedaardig, is dit toch een hoogst ergerlijke behandeling, te meer, daar er geen spoor van wanorde was. De menigte was klein, en in Londen zou waarschijnlijk in zulk een geval iedere politieman de mensen niet met paardenhoeven bewerkt, maar met een paar rustige woorden gemaand hebben naar huis te gaan. Maar de Asaltos vonden het geschikt om aan de mensen duidelijk te maken, dat ze naar huis moesten gaan, niet met woorden maar met paardenhoeven. De reden is duidelijk. De Spaanse politie van vroeger was geen democratie gewend; de Guardia was alleen maar gewend aan doodschieten en handboeien. De Asaltos, zeker, waren eerst onder de republiek gevormd, maar de meeste jaren hebben ze toch onder een anti-democratische regering gediend, en in mentaliteit verschillen ze weinig van de Guardias. En deze politie, opgeleid onder de autocratie, wordt nu op revolutionaire, onder de invloed van de c.n.t. opgegroeide arbeiders, losgelaten, die hongerig in rijen staan. Ik vertelde dit geval aan enige vrienden, en hoorde, dat, wat ik bij toeval gezien had, helemaal niet het ergste was. Daar waren, zo zeiden ze, twee ernstige brood-onlusten geweest, en de politie had de menigte, meest vrouwen, uiteengejaagd door er met de kolven van de geweren op in te slaan.”

II.

Verloren arbeidersmacht

Deze beschrijving kan inderdaad als een momentopname van de toestand gelden. Zij toont ons, hoe reeds in januari 1937, zeven maanden na het uitbreken van de strijd, de arbeiders er alweer onder waren. Zeker, uiterlijk was het nog niet beslist; aan het front naar Aragon toe lag nog de gewapende militie van de c.n.t. En eerst enige maanden later, in mei 1937, vindt in Barcelona de beslissende strijd plaats tussen de, door de regering in Valencia gezonden troepen, en de anarchistische vakverenigingen. Maar er blijkt toch uit, dat deze strijd slechts definitief bezegelde, wat allang een feit was, de macht van de burgerlijk-socialistisch-communistische regering over de arbeiders. De ommekeer vond niet plaats in en door de straatgevechten in mei 1937, de ommekeer had al plaatsgevonden voor januari 1937.

En nu is het wel waar, dat wat in juli 1933 gebeurde, niet een eenvoudige verovering van de macht door de arbeiders was. In Barcelona trad bij de opstand der generaals de Catalaanse separatistisch kleine bourgeoisie (steeds vol haat tegen de Spaanse overheersing, waartegen ze in 1934 nog fel had gevochten) even scherp op, waardoor niet alleen de Asaltos maar zelfs de Guardia aan haar zijde en die van de anarchistische arbeidersmassa’s de troepen hielpen overwinnen. Maar zeker is toch, dat in de eerste maanden daarna, tenminste in Catalonië, een toestand bestond, die heel veel op een dictatuur van het proletariaat leek. Het industriële proletariaat in Barcelona had zich bevrijd van de heerschappij van, en de uitbuiting door de bourgeoisie.

De vraag, waarom het een half jaar later deze vrijheid alweer verloren had, is niet enkel voor de geschiedenis van Spanje van belang. Het is de kernkwestie, die bij elke strijd van de arbeiders voor hun bevrijding optreedt. Het zal telkens opnieuw voorkomen, dat bij gunstige omstandigheden een regering door een revolutie omvergeworpen wordt en de arbeiders een ogenblik meester zijn. De vraag is: hoe kunnen ze meester blijven? Hoe kan deze eerste revolutie het uitgangspunt voor een blijvende vrijheid zijn? En daarin ligt het belang voor de arbeidersklasse, dat voor elk van deze gevallen onderzocht wordt, hoe het kwam, dat de arbeiders de zo pas gewonnen macht weer verloren. Natuurlijk kan men zeggen: de arbeiders waren te zwak, dat is nu gebleken. Maar de vraag is juist, waarin die zwakte lag en hoe die een volgende keer te verbeteren is.

Ook is het niet voldoende om tegen het fascisme uit te varen, dat zo gemeen was om uit Italië en Duitsland Franco te hulp te komen. Dat de vijand zich zo sterk mogelijk maakt, spreekt vanzelf en kan hem moeilijk verweten worden. Een verwijt kan enkel ons treffen, dat wij ons niet evenzeer zo sterk mogelijk maken. De arbeiders in Frankrijk en Engeland, menende de Spaanse wat te moeten helpen, stelden hun vertrouwen in hun zogenaamde democratische regeringen. Hierin ligt in de tegenwoordige tijd de voornaamste zwakte van de arbeidersklasse. Wij zeggen niet: oorzaak van zwakte. Het is meer een kenteken, een uiting van zwakte. Omdat de massa van de arbeiders nog geen andere weg ziet, nog niet weet hoe zee tot eigen kracht kan komen, daarom klemt zij zich vast aan de oude democratie en de oude organisaties; en dat bezegelt dan waar hun machteloosheid.

Kiemen van proletarische dictatuur

Daarentegen hadden de anarchistische arbeiders-massa’s in Barcelona geen vertrouwen in de burgerlijke democratie; daarom is de geschiedenis van Barcelona juist zo geschikt om de diepere oorzaken te laten zien. In de berichten van Borkenau wordt een paar keer van dictatuur van het proletariaat gesproken, om de toestand in Barcelona in augustus 1936 weer te geven. Maar het was toch alleen maar een eerste zwakke vleug van proletarische dictatuur, een enkel uiterlijk verschijnsel. De gewapende arbeiders vulden en beheersten de straten; van politie, regering en bourgeoisie was niets te zien, de directeuren van fabrieken en ondernemingen waren doodgeschoten of gevlucht, de fabrieken door de arbeiders in beslag genomen en onder leiding der vakverenigingen in bedrijf gehouden. Maar door het uit de weg ruimen of verjagen van de kapitalisten is het kapitalisme niet uit de weg geruimd of verjaagd. De oude, van bovenaf opgelegde orde was gevallen. Maar niet op zulk een wijze, dat de arbeidersklasse, door van onderop haar organisatiemacht op te bouwen en de productiemiddelen in beslag te nemen, de innerlijke macht van het kapitalisme uitgehold en vernietigd had. Door een twist binnen de heersende klasse over de beste manier om het kapitalisme en de uitbuiting in stand te houden, door de opstand van de generaals was het gekomen, dat de militairen ontwapend en de arbeiders plotseling in het bezit van wapens gekomen waren. Zo hadden ze voor het ogenblik de macht in handen.

Hoe nu die macht vasthouden en stevig maken? Daar is maar één antwoord op: Door in plaats van de tijdelijk gevallen, kapitalistische organisatie, die van bovenaf heerst, van onderop een nieuwe proletarische organisatie van de maatschappij op te bouwen. Maatschappij is georganiseerde productie, georganiseerde arbeid, georganiseerde mensheid. De maatschappij kan niet bestaan, dus de mensheid niet leven, zonder ordening van de arbeid en al wat daarmee samenhangt. Onder het kapitalisme wordt deze ordening door dwang van boven opgelegd en verzekerd. Valt door een of andere omstandigheid deze dwang en deze ordening weg, dan komt er eerst een chaos, dit is een toestand van afbraak van oud gezag en oude onderworpenheid en van oude verhoudingen, een tijd van nieuwe schikkingen en nieuwe aanpassing. Maar dan moet de nieuwe ordening opgroeien, doordat de arbeidersklasse zichzelf, de productie, alle maatschappelijke functies organiseert, waaronder ook vooral de strijd tegen de vijandige klasse. Haar macht groeit dan op, doordat zij het gehele leven weet te ordenen en beheersen. Doet zij dit niet, kan zij dit niet, dan groeit onvermijdelijk – omdat de maatschappij er niet zonder kan – een nieuwe organisatie van boven af; en die brengt de arbeiders weer onder het juk.

Zo ging het ook indertijd in Duitsland na de wereldoorlog; de burgerlijke orde was in elkaar gezakt, de productie verlamde meer en meer; maar de arbeiders, bevangen in hun oude partijgeest, kozen als zogenaamde “arbeidersraden” hun vak- en partijbeambten, en die stelden weer een parlement in van boven en werd aan steeds steviger onderdrukkingsapparaat.

III.

De verdeeldheid van de arbeidersklasse

En die kant ging het ook in Barcelona op. De verschijnselen waren al duidelijk te erkennen in wat deze zelfde bezoeker in augustus 1936 zag, en aldus beschreef. Er was in Barcelona en in elke plaats, zelfs over heel Spanje een dubbel bestuur, enerzijds de gewone regering, anderzijds de comités.

“In Barcelona regeert, naast de oude “Generalidad” het nieuwe, “Centraal Comité van de Milities”, samengesteld, op de grondslag van pariteit, uit alle anti-Franco-partijen en vakverenigingen, waarin feitelijk natuurlijk de anarchisten de meeste invloed hebben.”

Zo was het zelfs al bij de grenscontrole, bij het binnenkomen in Spanje. Toen hij en een medereiziger aan het station hun socialistische aanbevelingsbrieven lieten zien, verwees de paspoortcontrole hen, als “politiek” naar “het comité” in de stad.

“Dit bestond uit één vertegenwoordiger van elke pro-regeringspartij in de stad. Deze samenstelling van de comités op voet van volkomen gelijkheid tussen de partijen is volgens een decreet van de Generalidad, gelijkluidend met dat van de Madrileense regering. Het werd als een religieus voorschrift gehoorzaamd; dus kon de samenstelling van de comités geen enkele aanwijzing geven over de machtsverhouding van de partijen.”

Ook bij de arbeidersmassa's zelf treedt deze verdeling tevoorschijn. Zijn beschrijving van zijn eerste indruk in Barcelona, die wij straks citeerden, gaat aldus verder:

“Zij suisden in razende vaart voorbij in talloze luxeauto's, die ze onteigend hadden en met de beginletters van hun organisaties beschilderd, “c.n.t.-F.A.I.”, (de anarchisten), “u.g.t.” (de socialistische vakbonden), “p.s.u.c.”, (verenigde socialistisch-communistische partij) “p.o.u.m.” (de Trotskisten), of ook wel met alle tezamen, of met de leuze uit de Asturische opstand “u.h.p.”, (proletarische broeders, verenigt u) […] De anarchisten, kenbaar aan hun zwart-met-rode insignes en kentekenen, vormden blijkbaar de overweldigende meerderheid […] De Ramblas was niet minder kleurig dan vroeger, omdat er een eindeloze verscheidenheid van blauw, rood en zwart van de partij-insignes, de halsdoeken, en de geïmproviseerde uniformen van de militie is.”

Dus in korte woorden samengevat: de arbeidersklasse was niet één. Wel leefde er diep in de harten van de arbeiders het zegepralende, machtige eenheidsgevoel van als klasse meester te zijn. Maar uiterlijk had dat geen andere vorm nog kunnen vinden, dan de vorm der verdeeldheid: vele partijen en richtingen, die als partijen samenwerkten, omdat het moest.

En die elkaar scheef aankeken, nu en dan al elkaar aanvielen, hun posities versterkten, en zich voor bereidden op een strijd op leven en dood met elkaar. De arbeiders, zoals zij in de praktijk van de revolutietijd optraden, waren niet tot een eenheid verenigd, maar in een aantal, door theorie en strijdmethode vijandige groepen verdeeld. Dit was de erfenis van de voorafgaande tijd, waarin zij eerst met moeite in het opkomend kapitalisme hun strijdorganisaties en hun ideologie, hun denkbeelden vormden. Zij waren nog niet zover gekomen, dat ze een organisatievorm voor de eenheid van handelen van de gehele klasse konden bouwen, waarin na en door het uitvechten van de meningsverschillen het gemeenschappelijk handelen als één geheel plaatsvindt. Door zulk een, de gehele klasse omvattende organisatie, op het radenbeginsel opgebouwd, zouden zij de arbeid, de productie, de maatschappij in al haar geledingen zelf hebben beheerst. Nu kenden zij alleen de partijen en vakgroepen door leiders (aangestelde beambten of de actiefste strijders) beheerst. Eenheid was nu alleen mogelijk door verbinding van deze partijen en leiders tot een centraal lichaam, een regering – waarbij dan sommigen meer of minder sterk met burgerlijke groepen samengingen. Zulk een regering, gevormd door partijleiders, had voor de vele functies en het vele werk ambtenaren nodig, voor eer deel uit het oude heerschappij-apparaat genomen (zoals de politie), en was uiteraard een heerschappij van boven. Het centrale militie-comité, dat als een soort proletarische nevenregering werkte, maar innerlijk dezelfde partijverdeeldheid vertoonde, was in beginsel niet van de officiële regering verschillend, omvatte minder bestuursafdelingen, veeleer daardoor een overal vertakte macht, waar de officiële regering haar takken uitbreidde, en kon tenslotte door deze opzij geschoven worden. Zo lag in de onvolkomen vormen, die de heerschappij van de arbeiders dadelijk in de eerste dagen aannam, al de kiem voor haar ondergang. Zij kon zich niet tot een dictatuur van het proletariaat ontwikkelen, waarvoor ook het begrip geheel ontbrak; en zo groeide er een dictatuur uit van een burgerlijk-socialistische-communistische regering.

De vakbeweging als rem

Nu was wel de verdeeldheid wat minder groot, dan het naar al deze namen lijkt; want de overgrote meerderheid van de industriearbeiders behoorde bij de c.n.t. , de anarchistische vakverenigingen. (De socialistische u.g.t. omvatte de helft van het spoorwegpersoneel en het kantoorpersoneel en het meeste staats- en gemeentepersoneel, deze vakgroepen vormden de ruggengraat van de p.s.u.c., de socialistisch-communistische partij).

Hadden de anarchistische vakverenigingen dan niet, zonder en buiten de minder betekenende andere partijgroepen om, zelf alleen een sterke organisatie van arbeidersmacht kunnen vormen? Dat verbood de anarchistische theorie van de vrijheid. Wel waren het geen echte anarchisten, maar syndicalisten, voor wie de vakvereniging de ware organisatie was. Ieder fabriekspersoneel vormde een groep, een zeer onafhankelijke vakvereniging; de vrijheid bestond in zo weinig mogelijk centraal bestuur. Er werd op de kracht van eigen initiatief van de groepen, op de solidariteit, op die geestdrift gerekend. En die waren inderdaad prachtig, en wonderen van dapperheid en zelfopoffering traden op. Maar het gemis aan een krachtige georganiseerde eenheid konden ze niet vergoeden. De organisatorische vorm, waardoor grote verspreide arbeidersmassa’s een door henzelf geleide volledige eenheid van actie verwezenlijken, de radenorganisatie, hadden ze hier nog niet ontdekt.

Bij Borkenau kwam deze vraag ook op en hij stelde die aan een bestuurslid van de p.s.u.c.

“Hoe komt het, vroeg ik, dat hier geen echte sovjets gevormd zijn (zoals in 1934 in Asturië) uit door de werkers in de fabriek direct gekozen gedelegeerden? Het antwoord: “dat komt, omdat alles hier om de militaire vraagstukken draait”, klonk voor mij niet heel overtuigend […] Misschien wenste de p.s.u.c. alles daarom te laten draaien, maar de c.n.t. zeker niet. Dus moest ik zelf de reden zoeken […] Als er geen sovjets zijn, is dat blijkbaar omdat de c.n.t. ze niet wenst […] En ik overdacht, dat deze houding toch heel begrijpelijk is, omdat zij de fabrieken door haar machtige vakverenigingsorganisatie in de hand heeft, en dat de verkiezing van sovjets deze macht niet kan vergroten, en omgekeerd andere partijen de macht zou geven een proef te nemen over hun kracht in de fabrieken. Ook in Rusland in 1917 begonnen de communisten minder aan sovjets te hechten, toen zij als partij het land vast in hun hond hadden.”

Borkenau, zoals hier blijkt, heeft over zulke sovjets het in Duitsland indertijd gevolgde idee van een soort evenredige partij-vertegenwoordiging der arbeiders. Oppervlakkig gezien is zijn verklaring juist; maar de oorzaak ligt nog dieper. De syndicalisten beschouwen de vakvereniging als de enige ware arbeidersorganisatie, dus ook als de grondslag waarop de maatschappij der toekomst moet rusten. Elke fabriek, geleid door haar vakvereniging, vormt in vrije samenwerking met de anderen de toekomstige organisatie van de productie. Het is duidelijk, dat in die opvatting voor een radenorganisatie geen plaats is. De afkeer van de syndicalisten van een centrale leiding door machthebbende besturen dragen zij over op de radenorganisatie, die de fabriekseenheden van de arbeiders tot een grote, door henzelf geleide eenheid samenvatten. In Rusland konden de sovjets dadelijk in de revolutie opschieten, omdat er niets anders was. In het kapitalistische West-Europa zullen de raden eerst tot ontwikkeling komen, in dezelfde mate als de oude organisatievormen en partij-traditie, die door alle arbeiderspers en vakbladen er dagelijks ingehamerd worden, door de macht van de nieuwe revolutionaire krachten overwonnen worden.

De leiding van de productie

De arbeiders direct meester van de productie. Dit beschouwen wij als de basis van het communisme. Was dat dan in de fabrieken van Barcelona niet verwezenlijkt? Iedere bezoeker van buiten werd in Barcelona naar de door de vakverenigingen geleide fabrieken gebracht, en met trots werd hem getoond hoe uitstekend alles liep.

“Vanmorgen bezocht ik een der gecollectiviseerde bedrijven, werkplaats van de autobus-maatschappij. Slagen of mislukken van de revolutie zal grotendeels afhangen van de bekwaamheid van de vakverenigingen om de onteigende fabrieken te drijven […] Zonder twijfel is de fabriek, die ik zag, een groot succes voor de c.n.t. Slechts drie weken na het begin van de burgeroorlog lijkt alles zo glad te lopen of er niets gebeurd is […] Een nieuwe bus was gemaakt
– droeg het opschrift “gemaakt onder arbeiders-leiding”
– in vijf dagen, tegen een gemiddelde duur van zeven dagen onder de vroegere leiding. Dus een volkomen succes.”

Natuurlijk mag men niet generaliseren; de Catalanen zijn energieke zakenmensen, de arbeiders in machinefabrieken behoren overal tot de meest intelligente; over de textiel-industrie kwamen later klachten van ondeskundig beheer en bederf van de machines.

“De nieuwe leiding van de fabriek was door de arbeiders zelf geheel in de vorm gekozen, zodra liet werk hervat werd; maar feitelijk was het het oude fabrieks-comité van de c.n.t., dat een gevestigd gezag had onder de arbeiders allang voor de oorlog. Zulk een leiding kan zich gemakkelijk doen gehoorzamen.”

De moeilijkheden van de overige Catalaanse industrie in de verschaffing van grondstoffen viel hier weg, omdat het hoofdzakelijk een reparatiewerkplaats was. En het product behoefde niet verkocht te worden, het geld kwam uit het passagiersvervoer dagelijks binnen. Anderzijds was een voordeel in de financiële uitkomsten, dat de hoge salarissen van directeuren en hun vrienden (de fabrieksleiding kon ze nu uit de boekhouding nagaan), wegvielen, terwijl tegelijk de lonen van de arbeiders niet verhoogd waren. De anarchisten, zegt Borkenau ter toelichting, onderscheidden zich daardoor van de socialisten, dat zij vol onbaatzuchtig idealisme zelfs de schijn wilden vermijden, alsof de revolutie hun materiële voordelen zou moeten opleveren.

Er is dus ook op het gebied van de productie nog geen sprake van een algehele socialisatie maar alleen van van een eerste kleine proef. En waar in krant- en tijdschriftartikelen vrienden en woordvoerders van de Spaanse arbeiders telkens met trots en voldoening op deze feiten wijzen, bedoelen ze ook niet meer, dan ze als voorbeeld aan de wereld voor te houden. Aan de bezittende klasse, die meent, dat de maatschappelijke productie alleen door haar “deskundige” leiding verzekerd is; aan de arbeidersklasse, waar zo grote massa’s de krachten van hun eigen klasse wantrouwen.

Maar men moet de betekenis van zulk een voorbeeld niet overschatten. Ten eerste al niet, omdat een proletarische revolutie en een communistische productie niet daardoor komen, dat arbeiders en burgers zeggen: we hebben uit de proef gezien, dat het best zal gaan, dus zijn wij er nu voor om op de nieuwe manier te produceren. De revolutie komt uit noodzaak voort uit onhoudbaarheid en crisis, om de mensen moeten, overtuigd of niet overtuigd, aanpakken en opnieuw opbouwen. Maar bovendien om deze reden, dat het proletariaat niet behoeft te bewijzen, dat het onder kapitalistische verhoudingen net zo goed en nog beter fabrieken kan exploiteren, dan de kapitalisten, en daar gaat het bij de tegenwoordige “voorbeelden” altijd min of meer om. Zodra er, zoals in de beschouwing boven, sprake is van afzetmoeilijkheid (voor een product voor de markt) of moeilijkheid met grondstoffen (doordat de handel met de omgevende kapitalistische wereld die moet leveren) , spreekt men eigenlijk over de kans van een socialistisch bedrijf in een kapitalistische wereld, dat moet spaak lopen; maar toont tegelijk dat men er scheef voor staat. Zo meenden ook in 1920 de Italiaanse arbeiders na bezetting van de bedrijven rustig hun product te kunnen verkopen op de kapitalistische markt; die illusie hebben ze met een zware nederlaag moeten bekopen. Wat Barcelona als een klein voorbeeld toonde, zulke stuksgewijze productie onder eigen leiding in een overgangstijd van zware strijd, behoeft niets aan te tonen of te bewijzen; men moet er alleen maar zien door te komen, hoe dan ook. Dan, ten derde, deze arbeidsorganisatie onder leiding van de vakvereniging is nog helemaal niet een communistische productie, vooral wat betreft de samenvatting tot een samenvattend productie-geheel. En ten vierde: het hoofdprobleem was niet zozeer de productie, maar datgene waarin de productie als onderdeel haar rol speelde: de oorlog tegen de nog overmachtige heersende klasse.

V.

Militaire verdediging

Het gemis aan organisatie was het meest noodlottig bij de militaire strijd. Elke vakvereniging van de c.n.t., behorende bij een grote fabriek zond zijn afdeling militiemannen, waarvoor de kosten van bewapening en onderhoud ook door de fabriek gedragen werden. Evenzo zonden de andere partijen hun militie-afdelingen, onder eigen commando’s, niet met de anderen vermengd. Met de grootste dapperheid en geestdrift trokken ze uit; maar hun militaire voorbereiding was gebrekkig.

“Ik at die middag”, schrijft Borkenau, “met een groep militie, die vertelden over hun militaire oefening, en ik gruwde te horen, dat hun, voor ze naar het front gingen, alleen maar geleerd was hoe het geweer te hanteren; geen terreinoefeningen, geen maken van loopgraven of zo. Onder zulke omstandigheden jonge mensen uitzenden betekent ze naar de slachtbank sturen. Terwijl we praatten, kwamen vrachtauto’s met vrijwilligers voorbij, die naar het front gingen; zij zongen niet, riepen geen hoera, maar hun lippen waren in veelbetekenend zwijgen samengeknepen.”

Enige dagen later kon hij met een andere journalist (Engels socialist) naar het front gaan, op de grens van Aragon. In de dorpen onderweg waren veelal de kerken door de anarchistische militietroepen verbrand, en de fascisten, de bekende aanhangers van Franco, de rijke grondbezitters, doodgeschoten. De boeren waren er over het geheel mee ingenomen en bleven de grond bebouwen; maar niemand wist, wat er verder mee gebeuren zou, daar de anarchisten tegen een centrale regeringsbeschikking waren, die de grond aan de boeren zou toekennen. De boeren zelf zeiden: er zal wel een regering komen, die er over bepalen zal. In de dorpen aan het front lagen de afdelingen ver uiteen, er werden wat granaten over en weer geschoten, posten uitgezet, maar alles ging flauw, zonder veel energie van de een of andere kant. Geen regelmatige veldoefening, geen aanleg van loopgraven, de militiemannen, die niet juist op voorpost waren, liepen verveeld rond. Eenheid was er niet; enige dorpen verwijderd van dit c.n.t.-bataljon lag een p.o.u.m.-afdeling; ze hielden zich ver van elkaar om geen ruzie te krijgen. Was er toen van de Aragon-kant een stevige veldtocht van Franco-legers gekomen, dan waren de Catalanen, ondanks hun dapperheid, zeker verslagen. De Catalanen beklaagden zich, dat de centrale regering in Madrid hun geen vliegtuigen, tanks en afweergeschut zond; een p.o.u.m.-lid, die door Marxistische scholing klassentegenstellingen begreep, gaf als zijn overtuiging te kennen, dat dat opzet was, opdat de Catalaanse arbeidersrevolutie niet zou winnen.

Dat een militaire verdediging, ook tegenover een overmacht van betere materiële uitrusting, alleen door doelmatige organisatie, taaie volharding en goede voorbereiding mogelijk is, is enige tijd later in de Baskische oorlog gebleken, waar een ferme handwerker als hoofd van een bataljon, door goed gebruik van steeds nieuwe loopgraven, tegen alle luchtbombardementen wist stand te houden, terwijl aan weerszijden van hem andere commandanten, ook de beroepsofficieren, bezeten door de zekerheid, dat ze toch niets tegen de overmacht in materiaal konden beginnen, aldoor verder terugtrokken.

In Barcelona spraken partijleiders en anderen er steeds over, dat, als ze Saragossa, de hoofdplaats van Aragon, eenmaal zouden veroverd hebben, en dus Catalonië veilig is tegen aanvallen van die kant, dat dan de strijd om de macht zou losbarsten tussen de anarchistische arbeiders en de burgerlijk-socialistisch-communistische regering. Nadat hij het front bezocht had, betwijfelt Borkenau, of het zover zou komen.

“Nu ik het front bezocht heb, ben ik verbaasd over het gebrek aan werkelijkheidszin in de berekeningen van alle politieke groepen. Zij zijn alle gegrond op de naderende val van Saragossa, terwijl in werkelijkheid niets verder af lijkt dan dat […] Het is duidelijk, dat niets van dien aard zal gebeuren, niet wegens verraad in de opperste leiding, maar wegens algehele ondoelmatigheid en onbekwaamheid over de gehele linie.
Heldhaftige inspanning van een groep van de bekwaamste officieren en politici zou nodig zijn om de in het oog vallende gebreken van de militie te verbeteren, en zulke zijn er niet […] Tegenslag zal komen, geen succes, als niets gedaan wordt om de gebreken te verbeteren; daartoe moeten alle partijen samenwerken, […] moeten de anarchisten hun anti-autoritaire houding opgeven. Zullen ze dat doen? Misschien, onder de drang der omstandigheden. De anarchisten zijn al veel veranderd.”

Natuurlijk kon op die wijze een werkelijke verbetering niet komen. De socialisten en communisten wensten geen militie maar een van bovenaf gecommandeerd leger, dat natuurlijk voor een oorlog van regering tegen regering veel beter is. De anarchisten zijn inderdaad nog verder veranderd, en zijn met de andere partijen in de regering gegaan. En daardoor hebben ze, in plaats van hun militie te verbeteren, de klassenstrijd van de arbeidersmassa’s tegen de regering van tevoren verlamd, dus de nederlaag in mei 1937 voorbereid.

Het vraagstuk van de rol en de vorm van militaire strijd in de proletarische revolutie is moeilijk van te voren te zien – zoals trouwens de meeste zulke vraagstukken. Zoeken wij uit de Spaanse burgeroorlog iets daaromtrent te leren, dan is de uitkomst voornamelijk negatief: hoe het niet moet en dus ook niet zal. Niet de los-samenhangende troepjes militie, zonder goede samenhang en eenheid; want deze zijn machteloos tegen een goed geleid leger. Evenmin de van bovenaf gecommandeerde en gedisciplineerde troep, want deze kan slechts het instrument van een nieuwe heerschappij zijn.

Uit hun eigen innerlijke kracht van discipline zullen de arbeiders de eenheid van handelen moeten ontwikkelen, uit hun klaar inzicht in de omstandigheden de bekwaamheid van doelmatig handelen. Zulk een militaire macht zal weinig geschikt zijn voor de aanvallende taak van de speciale militaire verovering; de positieve krachten van een arbeiders-revolutie liggen vooral op ander terrein. Maar zij zal onuitputtelijke kracht en van verdediging tegen de militaire aanvallen en onderdrukkingspogingen van de oude heersende klassen kunnen ontwikkelen.

VI.

Het bouwen aan de toekomst

Het gemis aan klassenkracht bij de arbeiders is iets, waar de bourgeoisie meestal een heel scherp gevoel voor heeft. Borkenau sprak in Barcelona ook enkele rechtsgezinde personen, die als buitenlanders veilig waren, en die hem veel over gruwelen en over hun angsten in de revolutiedagen vertelden:

“Tot mijn uiterste verbazing bemerk ik, dat de man met wie ik spreek, overtuigd is dat Franco het zal winnen, en dat andere vreemdelingen van aanzien, hier evenzo over denken. Later in de middag zou ik leren dat de algemene opinie is onder die vreemdelingen, die niet beslist met de revolutie sympathiseren.
Blijkbaar worden hun voorspellingen bepaald door hun sympathieën – die deze man ook zonder aarzelen uitspreekt, hoewel hij in zijn eigen land nauwelijks een fascist is te noemen. Maar hij geeft ook ernstige argumenten voor zijn mening. Er is een diepe klove tussen de Generalidad en de anarchisten; dan het feit, dat de onrijpe milities die naar het front gezonden wordt, ongedisciplineerd is; zonder oefening, zonder bekwame officieren. En dan het feit van de buitenlandse hulp voor de rebellen. […]
Wat een kloof tussen deze weloverwogen oordeelvellingen en die van de jonge vrijwilligers, beide zijden evenzeer overtuigd van hun zeker succes.”

Naïef noemt hij deze vrijwilligers; maar hij is zelf ook zo meegesleept in hun zaak, dat hij hun illusie nog deelt. Alleen ziet hij wat verder. In de krant stond iets over de val van Cordova, maar tot de in zijn hotel ingekwartierde vrijwilligers zei dat niets.

“Cordova en Cadiz zijn plaatsen zover weg, dat ze voor de Catalanen ze goed als niets betekenen. ‘Het belangrijke ding voor ons is Saragossa’, hoorde ik hen zeggen, toen iemand over Cordova sprak. Wat een naïviteit alweer! Niemand schijnt er aan te denken dat het landen van een leger Moren in het Zuiden iets ernstigs kan zijn. De Engelse kranten stonden er vol van; die in Barcelona vermelden het niet eens.”

Het is volkomen natuurlijk, dat de Catalaanse arbeiders Saragossa belangrijker achten dan Cordova. Want aan Cordova konden ze niets doen, aan Saragossa wel. Dat wat men zelf door zijn actie kan veranderen, dat is voor de mensen in actie het belangrijkst; dat is het hoofddoel van de gedachten, omdat het het enige praktische deel van handelen is. Het geheel komt tot stand, doordat ieder zijn eigen bijzondere taak goed verricht.

Maar het is natuurlijk juist, dat de arbeiders in de strijd gingen, vol illusies, die bedrogen zouden worden. En wij kunnen ook rustig vaststellen, dat de bourgeoisie, met haar wijdere, meer geraffineerde kijk op de wereld en haar machts-instinct, juister zag dan die geestdriftige scharen arbeiders, wier jonge kracht hier verbruikt is zonder direct resultaat.

Een revolutionaire klasse moet een nieuwe wereld niet alleen bouwen, maar ook ontdekken; zij is de scheppende kracht van de toekomst van de mensheid; zij kan niet volgens een van tevoren vastgesteld plan handelen, maar moet alles zelf proberen, uitdenken, scheppen.

Vandaar de grote lange aarzelingen voor het handelen: zij weet niet of maar heel vaag; waar ze heen moet. Vandaar de illusies, zodra ze handelt: zij kan alleen de naaste taak zuiver en juist voelen, groot als een levenstaak; maar wat de verdere gevolgen zullen zijn; hangt van maatschappelijke massa-krachten af, die zijzelf niet in de hand heeft.

Daarentegen berust het oordeel van de bourgeoisie op het oude overgeleverde gewoontedenken; zij is te verstard van geest om zich de wereld anders en vol nieuwe scheppende krachten voor te stellen. In het verleden waren de arbeiders machteloos, ongedisciplineerd, onzeker tegenover de stevige zekerheid van de heersende klasse; deze ontdekt dan in elke volgende poging van de arbeiders gemakkelijk die zwakte, en meent dat het eeuwig zo blijven zal. Dat de strijdende arbeiders vol illusies zijn, betekent dat elke groep alleen maar weer een stukje verder doordringt in de grote onbekende toekomst.

En het blijvend resultaat van hun schijnbaar mislukte strijd ligt hierin, dat hun klassengenoten in andere landen uit hun ondergang de leringen trekken, hoe hun zwakheid op te heffen, hoe zich sterk te maken voor de tijd, dat voor de volgende stap de beurt aan hen komt.


Redactionele aantekening

*) Franz Borkenau  (1900-1957) was een Oostenrijkse schrijver en publicist.


Compiled by Vico, 14 September 2021


























Overzicht