Home | Contact | Links       
Antonie Pannekoek Archives

Pressedienst

Bron: a.a.a.p.


Was de C.N.T. wel het strijdorgaan voor de arbeiders?


Bron:   Radencommunisme : Marxistisch maandschrift voor zelfstandige klassebeweging, nr. 7, 1939 / Groep van Internationale Communisten. – Bron originelen: i.i.s.g. , Amsterdam, Collectie Henk Canne Meijer. – Getranscribeerd en uitgegeven voor Rätekommunismus , met medewerking van de Association Archives Antonie Pannekoek.


Zijn houding in vorige revoluties had meermalen bewezen, dat hij het niet geheel was. We denken hierbij aan de algemene staking in Barcelona in september 1931, toen de massa uit protest tegen het gevangennemen van revolutionairen spontaan in staking ging en de c.n.t. de staking aflastte, omdat hij, zoals hij in een manifest mededeelde, nog niet in staat was de regering te vervangen.

Ook zijn niet deelnemen aan de opstand in Catalonië in oktober 1934, waardoor hij de Asturische arbeiders in de steek liet, vormt hiervoor een bewijs.

Een feit is echter, dat de arbeiders hem wel als zodanig trachtten te gebruiken. Ze konden ook nog genoeg druk uitoefenen op de c.n.t.- en f.a.i.-leiding om hem een gevaar voor de kapitalistische eigendomsverhoudingen te doen worden. Want ofschoon de leiders van de c.n.t. het éénheidsfront met de sociaaldemocratische u.g.t. wensten, en uitdrukkelijk verklaarden de “anti-fascistische éénheid niet te willen verbreken omdat het de eerste taak was het fascisme te verslaan” (zie Syndicalist van 12 september 1936), zien we uit de praktijk, dat zij toch vaak in strijd met het Volksfront handelden.

De Catalaanse arbeiders hadden zeer goed ingezien, dat wilden zij de strijd tegen Franco aanbinden zij moesten beginnen de bedrijven in hun bezit te nemen en op oorlogsproductie in te stellen. Maar dat was aantasten van het kapitalistische eigendom, iets wat het Volksfront nu juist niet wilde.

De organisatie van de bedrijven bouwden de arbeiders op door middel van de c.n.t.-syndicaten. Zo kwam de c.n.t. de hoofdrol te spelen in dit proces. Hij begon dan ook met het instellen van een Algemene Economische Raad en een Militiecomité.

Maar dat door de c.n.t. ingestelde Militiecomité bestond uit drie vertegenwoordigers van de C.N.T ., twee van de f.a.i., drie van de u.g.t., één kleine pachter, drie links-republikeinen en twee van de p.s.u.c. We zien des de tweeledigheid van de c.n.t. Eénerzijds ontkomt hij er niet aan de wil van de revolutionaire arbeiders te ondersteunen, anderzijds organiseert hij de strijd op de grondslag van de partijformaties. Gedurende de gehele burgeroorlog heeft de c.n.t. dan ook samengewerkt met de burgerlijke partijen. Daarom was zijn contrarevolutionaire houding in de Mei-dagen in Barcelona de consequentie van zijn gedurende de gehele strijd gevoerde politiek.

Doordat de arbeiders streden voor de onteigening van het kapitaalbezit in Catalonië, moesten zij wel in botsing komen met de regering. We kennen allen de maatregelen van de regering, de achtervolging van de revolutionairen, de sluipmoorden en gevangennemingen, het onthouden van wapenen aan het revolutionaire Aragonfront, die de spanning steeds hoger opvoerde, tot op 3 mei 1937 in Barcelona door de bezetting der telefooncentrale door de regeringstroepen, de bom barstte.

In het tijdvak juli 1936-mei 1937 had de regering kans gezien om haar stoottroepen, bestaande uit nieuwbakken sociaaldemocraten en communisten, meest kleine burgers, te formeren.

Een volkomen verandering van het leger, door het liquideren van de revolutionaire honderdschappen met het instellen van de militaire dienstplicht en militaire tucht, onder leiding van de oude officieren, het opnieuw organiseren van de Guardia Civil, hadden haar machtsposities versterkt, waardoor het haar mogelijk was openlijk tegen de revolutionairen op te treden.

Doordat de c.n.t. deel uitmaakte van de regering, was ze dus volkomen ongevaarlijk geworden; de contrarevolutie had ruim baan.

Deze mei-strijd was beslissend gebleken voor het lot van de proletarische revolutie in Spanje. Duidelijk was gebleken, dat noch het Volksfront, noch de c.n.t. te gebruiken waren voor een proletarische revolutie. Hun strijd tegen het fascisme was een andere, dan die van de arbeiders. Voor de arbeiders was de strijd tegen Franco gelijk met de strijd tegen het kapitalisme: Voor de burgerlijke partijen en ook voor de c.n.t. was de strijd tegen het fascisme alleen maar een strijd voor behoud van de democratische vrijheden van het kapitaal. De c.n.t. kon niet anders, of ze moest wel meegaan in deze strijd voor het kapitaal, omdat ze zich met deze partijen verbonden had. Door de nederlaag van de arbeiders in Mei 1937 was de strijd in Spanje uitgemond in een imperialistische oorlog tussen twee tegengestelde kapitaalsbelangen.

Deze belangentegenstellingen lagen niet zo zeer in het Spaanse kapitalisme dan wel in het Buitenlandse. Daardoor speelde de belangenpolitiek van de buitenlandse regeringen ook zo’n belangrijke rol in de wapenleveranties. Daar Spanje voor de wapenleveranties bijna geheel op het buitenland was aangewezen, is het vanzelfsprekend, dat de regering in haar politiek rekening moest houden met de wensen van haar leveranciers. Het is begrijpelijk, dat kapitalistische regeringen geen wapens leveren, of toe staan te leveren, om daarmede de proletarische revolutie te laten zegevieren. Dat verklaart ook waarom de democratische regeringen niet zo gul waren met hun wapenleveranties. Maar nog meer factoren hadden daarop invloed.

Het is bekend, dat het voornamelijk Italië en Duitsland waren die Franco steunden, om op die manier hun positie aan de Middellandse Zee te versterken en om grondstoffen te verkrijgen. Dit betekende voor Frankrijk en Engeland natuurlijk een aantasting van hun machtspositie. Dat konden zij dan ook niet dulden. Maar spoedig bleek, onder andere door de duikbotenoorlog in de Middellandse Zee in augustus 1936, dat een open strijd tegen Franco te gevaarlijk zou zijn.

Enerzijds de arbeidersrevolutie, anderzijds de dreiging van een Wereldoorlog, aan het eind waarvan ook de arbeidersrevolutie wachtte.

Zo zit de democratische bourgeoisie, niet alleen in Spanje, maar overal, tussen twee vuren. Haar sympathie stond aan de kant van het Volksfront; de fascistische opmars en de dreigende arbeidersrevolutie, veroorzaakte echter haar aarzelend houding inzake de wapenleveranties. Daarom heeft zij in feite door haar non-interventiepolitiek Franco mogelijk gemaakt in Spanje te overwinnen.

Het akkoord van München, de aansluiting van Oostenrijk en Sudetenland hebben zeker de gang van zaken in Spanje verhaast. De fascistische macht wordt steeds dreigender. De democratische bourgeoisie moet wel toegeven en zij betaalt, als vanouds, met de levens der arbeiders. De arbeiders in Spanje werden en worden bij duizenden uitgemoord. De regering is meer bezorgd voor het in veiligheid brengen van de Spaanse kunstschatten dan voor de duizenden proletengezinnen.

De Spaanse arbeiders hebben hardnekkig gevochten. Ze hebben een strijd gestreden tegen het fascisme, die een lichtend voorbeeld zal blijven voor de arbeiders van de gehele wereld. Ook waar ze met illusies de strijd ingingen, illusies, die hen noodlottig zijn geworden, blijft het feit bestaan, dat ze gestreden hebben met een geweldige moed en volharding door alle tegenslagen en ellende heen.

Niemand heeft het recht het Spaanse proletariaat zijn zwakte te verwijten, waar de nederlaag in de eerste plaats het gevolg is van de nog veel grotere zwakte van het wereldproletariaat, dat nog veel dieper gevangen zit in dezelfde illusies, zonder de kracht te hebben gevonden de Spaanse arbeiders in hun strijd afdoende te hulp te komen: de massale, revolutionaire actie in het eigen land. Slechts enige duizendtallen hebben ter plaatse, als Internationale Brigade, getoond wat internationale solidariteit betekent.

Het is nodig zich beter rekenschap te geven van deze positieve kant van de Spaanse strijd, en dat stelt ons voor de taak niet alleen de in het Spaanse proletariaat levende illusies te kritiseren, maar ook te laten zien, hoe het hieraan de morele kracht kon ontlenen de uitputtende oorlog gedurende 2½ jaar vol te houden tegen een tot de tanden bewapende overmacht.

Onder alle arbeiders leeft steek het besef van de dreigende fascistische barbarij en van de noodzaak van een eensgezind verzet hiertegen. Het is deze drang naar eenheid die het Volksfront in het leven heeft geroepen, het Volksfront, dat we niet alleen moeten zien als een door de leiders aan de arbeiders opgedrongen instrument, maar tevens als een uiting van de wil van het proletariaat om te komen tot eensgezinde strijd.

Dat dit zo is, wordt onder andere bewezen door de demonstraties van “Marxistische” (dit is sociaaldemocratische en communistische) arbeiders in de straten van Madrid, in juli 1936, die vrijlating eisten van de zich in de gevangenis bevindende anarchosyndicalisten, om hen aan de strijd tegen Franco te doen deelnemen.

We mogen niet vergeten dat het Volksfront in Spanje tenslotte slechts bestond bij de gratie van de arbeiders. Niets was er, dat hen in de juli-dagen er van kon weerhouden de gehele burgerlijke staat kapot te rammeien, dan alleen de illusie dat de Volksfrontregering een instrument kon zijn in hun handen om de strijd tegen het fascisme te voeren. Dat deze illusie niet alleen bij de sociaaldemocraten en communisten bestond, maar ook bij de anarchosyndicalisten, wordt door de geschiedenis van de Spaanse revolutie duidelijk bewezen.

Hoe is het mogelijk, dat deze arbeiders zo’n vertrouwen konden stellen in een regering, waartegen ze zelf revolutionaire strijd hadden gevoerd, door de bestorming van verscheidene gevangenissen onmiddellijk na de verkiezingen; door het verwoesten van kloosters, de verdeling van landgoederen, door een hele golf van stakingen met bedrijfsbezetting, waarbij het vaak tot bloedige botsingen kwam met de door de regering gezonden Guardia Civil? Dat is niet te verklaren uit de zo vaak veranderde samenstelling van die regering.

Het is alleen te verklaren, doordat zij beseften dat de Volksfrontregering, hoezeer ook vijandig tegenover de revolutionaire eisen van het proletariaat, zich toch niet door de fascistische generaals uit het zadel kon laten lichten.

Tenslotte was haar bestaan gebonden aan het bestaan van vakverenigingen, parlement en partijen, kortom,aan de “democratie”, en zo konden de arbeiders, die het fascisme als de gevaarlijkste, meest directe vijand tegenover zich zagen, de hulp van het Volksfront aanvaarden, om zich niet tegenover een al te grote overmacht te bevinden.

Het verloop van de strijd heeft echter het onjuiste van deze opvatting wel duidelijk bewezen. Uitlatingen van Volksfrontleiders als Prieto, in de eerste dagen na de opstand, hebben duidelijk laten zien, dat zij in het geheel niet afkerig waren van een compromis met Franco, waarbij natuurlijk het revolutionaire deel van de arbeidersklasse met zijn bloed de prijs zou moeten betalen.

De onbuigzaamheid van het proletariaat enerzijds en de ontoegeeflijkheid van de fascisten anderzijds, die niet alleen met de anarchisten, maar ook met de reformisten wilden afrekenen, hebben dit echter onmogelijk gemaakt.

Zo is dan de gewapende strijd begonnen, waarin de revolutionaire organisaties van de arbeiders door hun sociaaldemocratische “bondgenoten” langzaam werden gewurgd, terwijl de strijd zelf werd verkocht aan de belangen van buitenlandse machten. Maar zelfs voor de bestrijding van het fascisme zelf heeft dat niet veel resultaat opgeleverd, juist omdat deze buitenlandse machten zelf meer en meer gedwongen zijn tot fascistische maatregelen in eigen land over te gaan.

Zo veranderden tenslotte ook de leuzen van de oorlog, en nu, na de verovering van Catalonië, kan men nergens in de verklaringen van Negrin meer lezen, dat de strijd gaat tegen het fascisme: slechts de “onafhankelijkheid van Spanje” wordt nog als doel van de strijd aangegeven.

De houding van Engeland met betrekking tot Minorca, de Franse vluchtelingenpolitiek, de openlijke erkenning van Burgos, die elk ogenblik is te verwachten, dragen er niet toe bij het vertrouwen in de “democratische” regeringen als bondgenoten tegen het fascisme, te versterken. Duidelijker dan ooit blijkt, dat de tegenstellingen tussen “democratische” en “fascistische” kapitalistische staten, voorzover ze bestaan, slechts betrekking hebben op imperialistische belangentegenstellingen, en niets te maken hebben met een verschil in mentaliteit van de regeringen. Het pas afgesloten handelsverdrag tussen Rusland en Italië is een waardig sluitstuk voor de “anti-fascistische politiek” van het “vaderland van de arbeiders”.

Wanneer de Spaanse arbeiders de dupe zijn geworden van dit vertrouwen in de “democratie”, dan zijn ze nog meer de dupe van de illusies van het internationale proletariaat, dat deze “democratie” heeft ondersteund.

Daarom is de eerste taak te komen tot het besef, dat de arbeiders slechts met eigen kracht de strijd tegen de heersers kunnen voeren, dat de bevrijding van de arbeiders slechts het werk van de arbeiders zelf kan zijn.


Compiled by Vico, 11 September 2021