Home | Contact | Links       
Antonie Pannekoek Archives

Pressedienst

Bron: a.a.a.p.


Het proces tegen de P.O.U.M.


Bron:   Radencommunisme : Marxistisch maandschrift voor zelfstandige klassebeweging, nr. 5, 1938 / Groep van Internationale Communisten. – Bron originelen: i.i.s.g. , Amsterdam, Collectie Henk Canne Meijer. – Getranscribeerd en uitgegeven voor Rätekommunismus , met medewerking van de Association Archives Antonie Pannekoek.


De redactie stelt dit materiaal niet samen om zich solidair te verklaren met de p.o.u.m. (1). Zij brengt het omdat het proces een fase in de ontwikkeling der Spaanse Republiek gedurende de burgeroorlog belicht en de berichtgeving van de pers ontoereikend was.


De Partij voor Marxistische Arbeiderseenheid in het Spaans afgekort, p.o.u.m. geheten, ontstond uit de Trotskistische stroming binnen de kleine Spaanse Kommunistische Partij, die op de ontwikkeling der arbeidersklasse van Spanje tot aan de interventie door Russische regering in de burgeroorlog geen bijzondere invloed had. In 1931 valt deze partij in drie elkaar heftig bestrijdende groepen uiteen. Een daarvan stelt Trotski als kandidaat bij de verkiezing van de Cortes (2). Deze groep verlaat in genoemd jaar de c.p.-Spanje en sticht het Catalaans Arbeiders en Boerenblok onder leiding van Maurin (3), die de belangrijkste Catalaanse communistische krachten achter zich heeft.

In 1935 verbindt het Arbeiders en Boerenblok zich met de Trotskistische fractie, die vanaf 1931 door Nin (4) georganiseerd en geleid werd. Deze nieuwe partij de p.o.u.m., vormt slechts een betrekkelijk zwakke stroming in de Catalaanse arbeidersbeweging, die voor het grootste gedeelte door de anarchistische vakbeweging (c.n.t.) beïnvloed werd. Toch vertegenwoordigt zij de enige Marxistische revolutionaire partij in Catalonië. Zij werkt volgens de bolsjewistische organisatie-principes, leeft in de voorstellingen van de Leninistisch-Trotskistische partij- en klassenstrijdstrategie en staat dicht bij de Liga van de Communistische Internationalisten, van de Vierde Internationale van Trotski.

Als zij zich bij de Cortes-verkiezingen van februari 1936, door een verkiezingsverbond bij het Spaanse volksfront aansluit, om zich op die manier een zetel te verzekeren, verklaart het Secretariaat van de 4e Internationale, “dat de l.c.i. geen verantwoording voor deze politiek neemt, waaraan haar vroegere Spaanse aanhangers binnen de Partij voor Marxistische Eenheid zich medeschuldig gemaakt hebben. Tevens verzekert Trotski (Unser Wort, midden februari 1936):

“In Spanje zullen zich zonder twijfel eerlijke revolutionairen bevinden, die onbarmhartig het verraad van Maurin, Nin, Andrade en Co. ontmaskeren zullen en de eerste steen leggen voor de Spaanse sectie der IVe Internationale”.

Bij het uitbreken van de burgeroorlog in juni 1936 telt de p.o.u.m. ongeveer 15.000 leden. Zij controleert de Vakvereniging van Landbouwers met 20.000 leden. Bovendien is er een nauwe verbinding met de Iberische communistische jeugdbond.

In november roept de p.o.u.m. een conferentie van verschillende organisaties [bijeen], die tussen de beide Internationalen instaan bijeen, die zich in Brussel voor een protest tegen het eerste grote Moskouse proces verzamelen. Daarbij aansluitend vindt van dezelfde organisaties een conferentie te Barcelona plaats, waar het Bureau voor Socialistisch-Revolutionaire Eenheid te London in het leven geroepen wordt (i.l.p. Engeland, p.o.u.m. Spanje, s.a.p. Duitsland, r.s.a.p. Holland). (Materiaal: Dr. Henry in een artikel in Der Klassenkampf (Seydewitz) van 15 oktober 1931; Generalaufstand und Imperialismus, Materiaal van de s.a.p., september 1936).

De politieke lijn van de P.O.U.M.

“Herhaaldelijk hebben wij verklaard, dat de proletarische revolutie niet slagen kan zonder dat een sterke revolutionaire partij in de desbetreffende landen bestaat. Ook kan de revolutie niet slagen zonder een revolutionaire Internationale […] de IIe en IIIe Internationale hebben volkomen gefaald”
(Informaties van de p.o.u.m., nr. 1, augustus 1936.)
“Waarom bestrijdt men ons […]? Omdat wij tegenover het onnatuurlijke en onvruchtbare samengaan van de officiële communisten, socialisten en republikeinen de enigen waren, die de ware klassengeest, de geest van October 1917 vertegenwoordigen. Altijd weer zeiden wij, dat de vraag waar het in Spanje en in de wereld om gaat niet luidt: burgerlijke democratie of fascisme […] maar: revolutie of contrarevolutie, socialisme of fascisme. Wat wij eisten, was een revolutionaire, onafhankelijke politiek van de arbeidersklasse en de eenheid van actie binnen het raam van een revolutionair arbeidersverbond, met het doel, het fascisme te verslaan en de proletarische revolutie ter overwinning te voeren.”
(Informaties van de p.o.u.m., nr. 2, begin september 1936.)

De deelname van de P.O.U.M. aan de burgeroorlog

Op 18 juli stelden zich de p.o.u.m. de Iberische Communistische Jeugd en de door hen beïnvloede organisaties, in op de oorlogstoestand. De strijders van de p.o.u.m. vielen in de eerste strijd tegen het opstandige leger in alle grote steden van Spanje: Lerida, Gerone, Barcelona, Valencia, Badajoz, Madrid, enz.

Het getal der gedode p.o.u.m.-strijders gedurende de eerste weken steeg tot enige dozijnen. Nadat het fascisme in de grote steden overwonnen was, organiseerde de p.o.u.m. ongevraagd haar bataljons en zond tijdens de eerste weken 15.000 strijders uit de rijen van haar leden en aanhangers naar de verschillende fronten. Zij nam actief deel aan de verdediging van Badajoz; een gehele gemotoriseerde compagnie van de p.o.u.m. werd bij de verdediging van Siguenza vernietigd.

In Aragon stootten de militianos van de p.o.u.m. door tot Lecinena, enige kilometers van Saragossa en zelfs tot aan de poort van Huesca.

Voor de 19e Juli namen de actieve leden van de p.o.u.m. deel aan de opstand van oktober 1934 en aan de opstandsbeweging van Galan in december 1930.

De meerderheid van de leden van de p.o.u.m. heeft als gevolg van hun revolutionaire activiteit in de gevangenis gezeten.

Op 19 juli hield praktisch de regering van Madrid, evenals de Generale Raad, op te functioneren. De arbeidersklasse organiseerde voor haar eigen rekening de strijd tegen het fascisme en voor de inrichting van een nieuw leven op socialistische basis.

In Catalonië, waar de p.o.u.m. de meeste invloed bezat, organiseerde zij onmiddellijk haar bataljons en werkte in het centraal-comité van de militie alsook in de bedrijfsraad mee. Zij nam aan alle plaatselijke revolutionaire comités deel en werkte actief in de volksrechtbanken (Autour du Proces du p.o.u.m.; brochure van de Independent News, Paris, oktober 1938, p. 8).

De mei strijd was het resultaat van de spanningen binnen de Spaanse Republiek.

De arbeiders- en boeren-massa’s van Catalonië traden bij het uitbreken van de burgeroorlog in een proces van de sociale revolutie, terwijl de krachten achter de centrale regering voor de bestaande sociale verhoudingen streden.

Met de verandering van de burgeroorlog in een interventie-oorlog, verkregen de vertegenwoordigers van de Sowjetregering belangrijke invloed op de binnenlandse politiek der Spaanse Republiek, waarin zich dientengevolge de Communistische Partij, onder de gestadige toevloed van conservatieve kleinburgerlijke lagen, snel ontwikkelde. In Catalonië vertegenwoordigd door de nieuwe p.s.u.c. (5), werd zij tot de sterkste voorvechter van een centralisering van de gezamenlijke openbare macht, van het onder militaire discipline brengen van de militianos en van een terugdringen van de spontane socialiserings-maatregelen der massa’s.

De anarchisten sloten een godsvrede met de andere partijen, zonder het sociale initiatief van de massa’s in Catalonië te remmen.

Op deze bodem woedde de heftigste partijen-strijd, waarin de Communistische Partij de meest rechtse, de p.o.u.m. de uiterste linkervleugel vormde. Terwijl de p.o.u.m. vasthield aan de grondslagen uit de begintijd der bolsjewistische politiek, belichaamde de Communistische Partij hetgeen die politiek uiteindelijk werd. Beiden zorgden ervoor, dat het conflict in Catalonië, dat zich als botsing tussen de socialistische en de conservatieve krachten des lands ontwikkelde, zo scherp mogelijk werd toegespitst.

Het verloop dezer botsingen wordt gekenschetst door een aantal feiten, die na een zorgvuldig onderzoek van de elkaar vaak tegensprekende berichten aller richtingen, als bewezen kunnen gelden:

1. De uitbarsting van de strijd was een spontaan gevolg van het feit, dat de Valencia-regering de Catalaanse militianos van de politieke groeperingen wilde losmaken en hen ondergeschikt wilde maken aan het Centraal Militair Commando. In overeenstemming met dit streven van de regering, ontvingen de arbeiders-comité’s van Barcelona het bevel, hun wapens af te leveren aan de politie-ordedienst, die onder Communistisch commando stond. Dit werd geweigerd.

2. In deze gespannen situatie, gaf de Generalidad op 3 Mei het bevel tot ontruiming van de telefooncentrale van Barcelona, die als privaatbedrijf, na de opstand der generaals, door de c.n.t.-arbeiders in bezit genomen was. De aanval van de politietroepen op de telefooncentrale voerde tot een heftig gewapend verzet, dat zich spontaan over de hele stad uitbreidde en honderden doden kostte.

3. Deze afweerbeweging heeft brede lagen van de , in de “directe actie” opgevoede anarchistische massa’s meegetrokken; alle persberichten, met uitzondering van die van de communisten spraken dan ook slechts van een “anarchistische opstand”. De leiding van de c.n.t. was echter vanaf het begin bezig, het conflict door onderhandelingen met de socialistische vakverenigingen en met de Generalidad bij te leggen, en de massa’s door radio en pers tot het beëindigen van de strijd te bewegen. De anarchistische ministers van de Centrale regering kwamen naar Barcelona om te bemiddelen.

4. Naast de kleine anarchistische organisatie “Durutti”, stelde het Centraal Comite van de p.o.u.m. zich actief achter de strijdenden, om een beslissing in de zin van haar politieke program: “vorming van een arbeiders- en boerenregering” af te dwingen. Een anarchistische, en ook de p.o.u.m.-divisie verlieten, toen zij het nieuws van de strijd hoorden, tijdelijk het front, waar overigens geen gevechts-activiteit was.

5. De centrale regering verklaarde op 4 mei, dat zij zelf in Catalonië orde zou scheppen. 5.000 man stormgarden en twee gemotoriseerde compagnieën van Valencia kregen opdracht hiertoe. Het militaire opperbevel over Catalonië werd opgedragen aan generaal Pozas (6), die ook de beslissende acties tegen de opstandigen aan het Aragonfront door troepen, met rigoureuze strengheid leidde. (Pozas is een vroegere monarchist, die in oktober 1934 in Barcelona naast generaal Batet (7) de opstandige bewegingen der arbeiders onderdrukte. Na het neerslaan van de opstand van Barcelona in mei 1937 werd hij commandeur van het gehele Aragon-front. Op het ogenblik bevindt hij zich in arrest, aangeklaagd wegens het feit de verdediging van het Aragon-front gesaboteerd te hebben.

6. Dank zij de interventie van de anarchistische organisaties, eindigden de Catalaanse botsingen met een compromis. De anarchistische bezetting van de telefooncentrale verklaarde zich bereid, dit gebouw te ontruimen, onder voorwaarde, dat dit niet door de politie bezet zou worden. De p.o.u.m.-organisatie werkte voorlopig door; haar krant Batalla verscheen, hoewel met open plekken, vanwege de censuur. Het plaatselijk comité van de p.o.u.m. van Badalona (bij Barcelona) protesteerde in deze krant openlijk tegen de veronderstelling, dat het niet actief aan de strijd deelgenomen zou hebben. De wapenstilstand voerde intussen tot een snelle doorvoering van de ontwapenings-actie tegen de arbeiders in het achterland, tot militarisering en verbod van politieke actie van de militianos, tot een onderdrukking der p.o.u.m., tot een afbraak van de Catalaanse autonomie en tot een steeds verdergaande beheersing van de door de arbeiders in bezit genomen bedrijven, door de directe staatsmacht-maatregelen, die slechts mogelijk geworden waren doordat, als gevolg van de actie van de communistische partij, de regering Caballero had moeten aftreden.

De communistische lezing van de Mei-gebeurtenissen

Het Centraal-Comité der Verenigde Socialistische Partij van Catalonië, de tot de Komintern behorende p.s.u.c., verklaarde, dat de gehele “Trotskistische moord-hetze” en het geschreeuw van “contra-revolutie”, “bewuste leugens”, bewuste provocatie, bewuste hulpdienst aan het fascisme" waren. De p.o.u.m. zou haar wapens voor de “strijd tegen het anti -fascistische volk, voor de provocering van de boeren en de middenstanders” hebben benut. Het zou noodzakelijk zijn “met de provocateurs en de trotskistische agenten van Franco in het achterland, af te rekenen” (Rundschau, nr. 22, 1937).

Op de 9e Mei 1937 richtte de algemene secretaris van de Spaanse communistische partij, Diaz, in een rede te Valencia aan het adres van de niet-communistische leden der Centrale regering het verwijt, dat “men” de gebeurtenissen te Barcelona van hun betekenis wilde beroven: als men zand wilde strooien over de acties van de "Trotskisten en van de oncontroleerbaren”, zo zou dit niet anders zijn dan een omarming van de fascisten.” […] “Wie met zwakheid en dikwijls met lafheid handelt, verdient niet op de plaats te staan van waaruit men tegen de vijfde colonne moet losslaan.” (Rundschau, nr. 22).

Frank Pitcairn schreef op 13 mei 1937 in de Rundschau, nr. 20:

“Wij weten nu, dat de Duitse en Italiaanse agenten die naar Barcelona stroomden, naar zij voorgaven om het beruchte congres der Ive Internationale “voor te bereiden”, een grote taak hadden. Deze was volgende:
Zij zouden in samenwerking met de plaatselijke Trotskisten een toestand van wanorde en bloedvergieten voorbereiden, die het de Duitsers en Italianen mogelijk zou maken, te verklaren, dat ze niet in staat waren, gezien de in Barcelona heersende wanorde, “de controle over de kusten van Catalonië behoorlijk uit te oefenen”, en dat ze daarom niet konden nalaten, in Barcelona troepen te laten landen. Het instrument hadden de Duitsers en Italianen voor het gebruik gereed klaar ligger in de gedaante van de Trotskistische organisatie, die onder de naam p.o.u.m. bekend is.”

De acte van beschuldiging in het Barceloner p.o.u.m.-proces heeft als voornaamste inhoud:

“De p.o.u.m. bracht in haar propaganda de stelling van de opheffing van de republiek en haar democratische regering langs de weg van het geweld, en de vestiging van de dictatuur van het proletariaat, die uitgeoefend zou worden door een regering van arbeiders en boeren, welke logischerwijze in handen zou zijn van de leden der p.o.u.m.

De partij werd verweten, dat haar aanvallen op de instellingen van de Republiek “samenvallen met die ogenblikken, waarin de binnenlandse- en internationale toestand van Spanje het moeilijkst” was. Door de provocering van de strijd die van 3-7 mei 1937 in Catalonië plaatsvond, zou zij haar doel hebben bereikt.

Korte tijd na de opstand in Barcelona zou in Madrid een fascistische spionage-organisatie ontdekt zijn, waarbij een plan van Madrid werd gevonden, op de rugzijde waarvan met onzichtbare inkt een mededeling stond aan een opdrachtgever in het rebellenleger. Het bevel aan “onze mensen”, om in de rijen der extremisten, anarchisten en van de p.o.u.m., binnen te dringen zou “met goed gevolg” uitgevoerd zijn. De schrijver zou in Barcelona, ter uitvoering van dit bevel, met het actieve lid der p.o.u.m. “N” hebben gesproken, die voor alles de versterking van het optreden der p.o.u.m. zou toegezegd hebben. Het document zou dan tussen de vier en twintigste en acht en twintigste april 1937 vervaardigd zijn.

De beschuldiging beweert verder, dat de p.o.u.m. een partij is, “die door middel van haar executief comité in dienst stond van de verraderlijke generaals en van de totalitaire staten die ons vaderland binnengedrongen zijn”. Ter versterking van dit verwijt werd verder gewezen op de “algemene overeenstemming”, die tussen het optreden van zekere fascistische spionage-organisaties en van de p.o.u.m. vastgesteld konden worden. Nin zou op grond van deze gevonden documenten op 16 juni 1937 in Madrid gearresteerd zijn. De beschuldiging beweert niet onvoorwaardelijk, dat Nin identiek is met de “N” op de rugzijde van de kaart van Madrid, maar beweert, dat zijn aanwezigheid in Madrid verband hield met de in dat plan genoemde doeleinden. Buitendien zouden nog verdere spionage documenten gevonden zijn. Een en ander zou niet slechts door de bekentenissen van de aangeklaagden voorde rechter van onderzoek, maar ook “voor het Gerecht” zelf, bewezen zijn (let wel: de akte van beschuldiging werd voor het begin van het proces geschreven!).

Nin zou op 22 juni uit Alcala de Henares met behulp van meerdere individuen ontvlucht zijn. Hij werd in zijn afwezigheid ervan beschuldigd, dat “hij, ondanks politionele onderzoekingen, niet gevonden kon worden”. De overige beklaagden werden van dezelfde misdaden beschuldigd als Nin terwijl hen bovendien nog het smokkelen van geld en kostbaarheden naar het buitenland werd aangewreven. Ook werden zij beticht, een “menigte buitenlandse aventuriers”, onder het mom van “internationale soldaten” aangeworven te hebben, die op grond van aan zekerheid grenzende verdenking deels op grond van bewijzen, als agenten van de Gestapo en van de Ovra, voor alles echter van de Gestapo, uitgewezen zijn. De beklaagde Cabré werd ten laste gelegd dat hij in november 1936 naar Mexico gevaren zou zijn, om daar voor de p.o.u.m. propaganda te maken en geld voor haar in ontvangst te nemen.

(Samenvatting der wezenlijke punten van de akte van beschuldiging, met weglating van de details. De gehele tekst van de aanklacht vindt men in het Duits in de nummers van 3 en 11, november 1938 in de Rundschau.)

Het lot van de hoofd-beklaagde André Nin, is niet volkomen opgehelderd. Op de 18e juni 1937 publiceert de politie het document “N”, dat het bewijs voor het spionagewerk van de p.o.u.m. inhouden moet. Op de 25e juni deelde de United Press mede, dat reeds 300 vooraanstaande leden der p.o.u.m. zijn gearresteerd. Onder hen bevindt zich Nin, de algemene secretaris van deze partij. Zijn arrestatie vindt in Valencia plaats op bevel van de “stalinistische” Veiligheidspolitie zonder medeweten van de minister van binnenlandse zaken. Op 5 augustus 1937 verklaart de Spaanse minister van Justitie dat Nin niet voorkomt op de lijst van gevangenen, die in verband met de opstandsbeweging van mei, gearresteerd werden.

“Vastgesteld werd, dat Nin […] verdwenen is. Alle onderzoekingen bleven zonder gevolg. De Procureur der Republiek had het Spionage-gerechtshof de instructie gegeven, verdere onderzoekingen na te laten.”
(Havas, 5 augustus 1937.)

De Œuvre beweert op [?] Augustus, dat Nin, toen hij de Madrileense gevangenis verliet, uit een voorbijrijdende auto met machinegeweren beschoten en gedood zou zijn.

Twee internationale commissies, die zich nog in diezelfde maand naar Spanje begeven en waarvan de leden bestaan uit personen uit de Engelse en Franse links-politieke beweging, kunnen, met medewerking van enige Spaanse ministers slechts het volgende vaststellen:

“Men kan zijn spoor volgen door meerdere privé-gevangenissen van de Communistische Partij, voor alles die van Atocha en Pardo, in Madrid hij werd eindelijk in een villa gebracht, gelegen vlakbij het Russische vliegveld te Alcala de Henares, waar hij verdwijnt.”
(De syndicalistische La Révolution Proletarienne, Paris, 10 november 1938.)

Een socialistische beambte van de Madrileense tegenspionage in Madrid, Vasquez, die enig licht op de affaire Nin kan werpen, werd volgens het geciteerde blad afgezet en was gedwongen zich te verbergen. Deze bewering werd door de mededeling van de toenmalige minister van Justitie Irajo in het p.o.u.m.-proces bevestigd.

De Spaanse communistische partij beweert, dat Nin uit zijn gevangenis bevrijd geworden is en zich in Frankrijk verborgen zou houden. De beschuldiging werd tegen hem “in afwezigheid” in gang gezet. Hij komt wel voor in de Acte van Beschuldiging van de Staatsprocureur, maar niet in de uitspraak van het gerecht.

De leden van de illegale p.o.u.m. en alle hun internationaal verwante organisaties beweren dat Nin door de Spaanse Communisten vermoord is.

De berichtgeving over het proces in de Spaanse pers is, volgens mededelingen van de Independent News, tot aan 25 oktober 1938 door de Censuur volledig onderdrukt. Eerst de voortdurende protesten van arbeiderspartijen, juristen, politici en intellectuelen, hebben de Spaanse regering ertoe gebracht, publicatie van de berichten toe te staan. De Rundschau heeft zich, als Communistisch orgaan, ertoe bepaald de Akte van Beschuldiging en de uitspraak van het gerecht te publiceren.

De verklaringen van de getuigen werden in een uitvoerig verslag in het anarchistische Solidaridad Obrera van 26 oktober weergegeven.

Als eerste getuige à charge werd verhoord Antonio Gordon. Hij is kolonel, onder-secretaris voor het leger en lid van de Communistische Partij. Op een vraag van de procureur bevestigt hij, dat de 29e divisie geheel door de p.o.u.m. werd beheerst en dat, in deze divisie geregeld fascistische kranten verdeeld werden, die door hun inhoud als zodanig te herkennen waren. Tussen de p.o.u.m. en de Generale Staf heeft generlei verbinding bestaan. Hij bevestigt, dat de 29e divisie, naar aanleiding van de Mei-gebeurtenissen het front verliet en een eigen regiem vestigde. Bepaalde leden van de Generale Staf hebben voortdurend brieven ontvangen, waarin zij met de dood bedreigd werden.

Jose Luis Coello de Portugal was tijdens de monarchie professor aan de politieschool te Madrid. Tegenwoordig leidt hij de afdeling “geheimschrift” van het ministerie van verdediging. Hij verklaart, het betreffende plan, dat zich in het bezit van de Madrileense fascistische organisatie bevond, niet gezien te hebben. Als het Plan ontcijferd is door de geheimschrift-afdeling van het ministerie, dan moeten zij daarvoor dezelfde code gebruikt hebben, die gebruikt wordt door de autoriteiten van de Balearen.

Virgilio Llanos Artera is commisaris van het 12e Armee-corps, hij is benoemd door generaal Pozas, die het onder militaire discipline brengen van Catalonië en de onderdrukking van de p.o.u.m. bewerkstelligde. Llanos is lid van een communistische fractie in de Socialistische Partij. Hij voerde de maatregelen tegen de p.o.u.m. in de militaire zone reeds voor de Mei-ongeregeldheden uit en hij verklaart, dat de p.o.u.m. een grote invloed op de 28e divisie van de f.a.i. heeft uitgeoefend en deze heeft overgehaald, om zich tezamen met de 29e divisie in opstand te begeven en het front te verlaten. Hij beweert , dat een niet-aanvalsovereenkomst heeft bestaan tussen die 29e divisie en de fascisten, die zelfs zó ver ging, dat verbroedering en het overlopen van de ene in de andere loopraaf voorkwamen. Dit zou door de verklaringen van gevangen rebellen bewezen zijn. Een commissaris, die naar de 29e divisie gezonden was, bevestigde het feit, dat deze divisie de instructie ontvangen had, de vijand te laten passeren. De dag nadat hij dit rapporteerde, is deze commissaris gedood, zonder twijfel door elementen der 29e divisie, aangezien er in die tijd in de strijd met de vijand geen schot viel. In tegenstelling met de anarchistische troepen, zouden die van de p.o.u.m. ongedisciplineerd, verraderlijk en rebels geweest zijn.

Joaquim Roca Mir is een fascistische spion, in oktober 1937 gearresteerd in verband met een andere zaak. Hij verschijnt als getuige à charge en verklaart, dat hij na zijn arrestatie 48 uur niets te eten kreeg en daarna door de politie-beambten van Riera dermate mishandeld is, dat hij alles verklaarde wat hem voorgezegd werd. Voor de rechtbank en later in een brief, herriep hij al zijn verklaringen betreffende zijn verbindingen met de p.o.u.m., waarvan hij geen enkel lid kende. In zijn koffer waren documenten en de tekeningen van een bom gevonden, met het gestempelde opschrift “Centraal Comite van de p.o.u.m.”, de ontcijfering van de documenten bracht het plan voor de dag van een aanslag op Prieto. Roca verklaarde, de persoon die hem brief en koffer overhandigd had, niet te kennen.

Martin Rouret, ondersecretaris van de Generalidad en leider van de Burgerlijk-Republikeinse Partij van Catalonië verklaart, dat hij de bewering van de staatsprocureur, als zou hij na de Mei-gebeurtenissen in een telefoongesprek met Valencia, de p.o.u.m. als provocateur van de botsingen hebben betiteld, moet bestrijden. Hij voegt erbij, dat naar zijn mening de politie, door haar actie in de zaak van de telefooncentrale, de Mei-gebeurtenissen geprovoceerd heeft. Van enige sabotage in het telefoongebouw is hem niets bekend.

Ignacic Mantecon, lid van Azana’s links-republikeinse partij, was gouverneur-generaal van Aragon, na de opheffing van de door de anarchist Ascaso geleide Verdedigingsraad. Hij liet Ascaso arresteren onder beschuldiging van diefstal. In de Meidagen was hij niet aan het Aragon-front. Hoewel het niet uit eigen ervaring weet, beweert hij, te weten dat er tussen de 20e divisie en de fascisten een niet-aanvalsverdrag en verdere betrekkingen bestonden. Op haar terugtocht heeft deze divisie zich aan gewelddadigheden en misdaden tegen anti-fascistische personen talloze malen schuldig gemaakt.

Luis Araquistan, leider van de linkervleugel der Socialistische Partij, voormalig gezant te Parijs, verklaart dat hij enige beklaagden door hun anti-fascistische activiteit goed kent. Hij spreekt het vermoeden uit, dat de beschuldiging tegen de leiders van de p.o.u.m. meer op onderlinge strijd van de partijen, dan op werkelijke verbinding met de fascisten berust.

Largo Caballero, ex-minister-president, leider van de linkervleugel van de Socialistische Partij en der u.g.t.-vakbond, verklaart, dat de Mei-gebeurtenissen hun oorzaak vonden in de strijd die de verschillende partijen onderling voerden. Hij bevestigt, dat hij als minister-president onder sterke druk stond, om de p.o.u.m. bij regeringsdecreet te verbieden. Hij weigerde categorisch, in deze zin in te grijpen. Wat de telefoondienst betreft verklaarde hij, dat er van alle kanten over verbindingsmoeilijkheden geklaagd werd, maar hij gelooft niet aan sabotage. Hij kent enige der beklaagden als vroegere strijders, die hij niet kan beschouwen als fascisten, maar eerder als onverzoenlijken.

Angel Galarza, links-socialist en ex-minister van Binnenlandse Zaken verklaart eveneens, dat de Mei-gebeurtenissen het gevolg waren van de strijd tussen de verschillende Catalaanse partijen. Hem is van enige sabotage in het telefoongebouw van Barcelona niets bekend. Voor de Mei-gebeurtenissen zou hij geen invloed op de Catalaanse pers hebben gehad, wel echter bij de beambten van de “Openbare Orde” in Barcelona erop aangedrongen, de aanvallen van de p.o.u.m.-pers tegen regering en partijen, te bemoeilijken.

Cesar Falcom, journalist, vroeger medewerker aan de burgerlijke pers, thans lid van de Communistische Partij, laat zijn artikel tegen de p.o.u.m. voorlezen.

Joaquim Mata, politie-beambte in dienst van het Spaanse gezantschap te Parijs, verklaart dat elementen van de p.o.u.m. zich een stempel hadden verschaft om Franco-bankbiljetten af te stempelen, waarmee zij wapens enzovoort kochten. De p.o.u.m. zou zich bezig gehouden hebben met het smokkelen van Spaanse kunstschatten naar Frankrijk, maar de Anarchistische Federatie zou dit nog in veel groter mate hebben gedaan.

Manuel Irujo, ex-minister van Justitie, leider der Baskische nationale klerikale partij, verklaart dat hij alles gedaan heeft, om de beklaagden alle juridische garanties te verzekeren. Gedurende de tijd dat hij minister was, heeft hij er regelmatigheden van de zijde der politie vastgesteld, in verband met de p.o.u.m.-zaak, zoals de arrestaties van beklaagden te Barcelona, hun overbrengen naar Valencia en eindelijk naar Madrid, om op die manier de sporen van hun verblijf uit te wissen. Zo zou het ook met Nin gegaan zijn, die in een particuliere villa vastgehouden werd, in plaats van in een staatsgevangenis. Hij kondigt aan, dat hij deze onregelmatigheden ter gelegenertijd bij het Opperste Gerechtshof aanhangig zal maken. Hij bevestigt, dat de rechter van onderzoek, die de zaak-Nin wilde ophelderen, bijna gearresteerd was geworden en dat de politie methoden aanwendde, die van grote onregelmatigheden en misbruiken getuigden. De politie zou de arrestaties hebben uitgevoerd, zonder de minister van Binnenlandse Zaken er in te kennen. Zij vervoerde de gevangenen van de ene stad naar de andere, naar onbekende plaatsen, waar het voorkwam dat zij verdwenen, zonder dat het mogelijk was, hiernaar een onderzoek in te stellen.

Twee schriftdeskundigen verklaren, dat zij voor de echtheid der documenten, die als de gewichtigste bewijsstukken worden beschouwd, niet kunnen instaan.

Jose Guarner Vivancos, Chef van de Generale staf der Catalaanse regering en lid van de krijgsraad, verklaart, dat hij de 29e divisie heel goed kent en dat zij geen enkele militaire wanordelijkheid heeft veroorzaakt. Hij heeft er nimmer van gehoord dat tussen deze divisie en de rebellen een niet-aanvalsverdrag zou hebben bestaan – Integendeel zette hij voor het gerechtshof de uitstekende militaire verrichtingen van deze divisie uiteen. Hij (getuige), had zijn voortdurende verblijfplaats niet in Aragon, was echter door het uitoefenen van zijn ambt geregeld op vele plaatsen aan dit front geweest. Een strenge discipline heeft, bij gebrek aan voldoende militaire organisatie, in geen enkele divisie aan het Aragon-front geheerst. Hij heeft gehoord dat de 29e divisie gedurende de Mei-gebeurtenissen weer naar het front teruggekeerd is, meerdere andere divisies hadden, toe zij de berichten over de broedermoord te Barcelona ontvingen, eveneens het front verlaten.

Federica Montseny, leidster van de anarchistische federatie en ex-minister van Gezondheid, verklaart dat zij de beklaagden kent als voormalige anti-fascistische strijders. Zij was door de Centrale Regering naar Barcelona gezonden, om een regeling te treffen in verband met de Mei-ongeregeldheden. Noch de p.o.u.m. noch de C.N.T., en de f.a.i. treft de verantwoording voor de gebeurtenissen, die in het donker werden voorbereid met het deel, de regering Cabalerro te laten vallen en het proletariaat van de macht te beroven. Na haar aankomst in Barcelona heeft zij deel genomen aan een zitting van de Generalidad, om de arbeiders tot rust te brengen en om te verhinderen, dat de strijd een omvang zou krijgen, die de provocateurs wensten. Tot slot pleit zij voor de vrijspraak der beklaagden.

Abello, President van het Opperste Gerechtshof van Catalonië, leider van de Burgerlijke Republikeinen, kan niet zeggen of de p.o.u.m. de Mei-gebeurtenissen provoceerde. De fouten van alle partijen zouden de opstand begunstigd hebben. Hij gelooft, dat de p.o.u.m. slechts het kleinste deel der deelnemers aan de Mei-gevechten geleverd heeft, daar de krachten der anarchisten veel groter waren en de p.o.u.m. zonder de ondersteuning van c.n.t. en f.a.i. niets kon ondernemen.

De verdediging van de beklaagden was in handen van de advocaat Revilla, die het bewijsmateriaal van de beschuldiging in vier punten samenvatte:

1. Het bezit van vliegveld-foto’s, die zouden moeten bewijzen, dat de p.o.u.m. zich met spionage bezighield.

2. De bekentenissen van vreemde elementen, die heel voorkomend gevraagd werd, zich agenten van de Gestapo te noemen.

3. Het smokkelen van geld en wapens, waarmee zich de p.o.u.m. zou hebben beziggehouden.

4. Het gebruik van valse sleutels en valse identiteitskaarten.

Wat betreft punt 1: De verdachte foto's zijn, volgens de verklaring van de Generale Staf, volkomen waardeloos; zij behoorden tot een verzameling die diende voor het opleiden van leerlingen aan de vliegschool.

Punt 2: Ondanks de talrijke verzoeken van de rechter van onderzoek, heeft de politie deze niet één vreemde kunnen aanwijzen die iets met de p.o.u.m. had uit te staan en tevens Gestapo-agent was. Na vele malen daarom gereclameerd te hebben, heeft hij eindelijk een lijst van gearresteerden gekregen, waarop slechts een enkele buitenlander voorkwam, Simeon Kotscheff, die sinds lange tijd weer is vrijgelaten, zonder dat hem kon worden nagewezen, dat hij tot de Gestapo behoord of zelfs zonder dat iemand er ook maar aan gedacht heeft, een dergelijke beschuldiging te uiten.

Punt 3: Revilla ontkent categorisch, dat de p.o.u.m. wapenen en geld gesmokkeld heeft.

Punt 4: Het overleggen van valse “sleutels”, is slechts voor de politie zelf verdacht. Het “Plan” zou op aanstichting van een politiespion, die zich door de vlucht naar Parijs buiten bereik houdt, aan het dossier toegevoegd zijn. Het “plan” zou bij Golfin (spion in Madrid) gevonden en onbeschreven geweest zijn. Ofschoon Golfin voor de onderzoeksrechter, die het verhoor “tot het einde” voerde, de waarheid van alle andere beschuldigingen toegaf die hem voor het executiepeloton brachten, ontkende hij tot het laatste toe, het geschrevene op de achterzijde van het “plan” te kennen. Castillo, de politiespion, ontkent eveneens het geschreven te hebben. Als gevolg van de heftige protesten van de beklaagden (in het Madrileense spionage geval), liet de rechter het geschrevene door schriftdeskundigen onderzoeken, welke verklaarden dat nóch Golfin nóch een der andere beklaagden het geschreven hadden. De politiespion Castillo was bij de behandeling voor het gerecht niet aanwezig.

(Getuigenverklaringen en Verdedigingsrede, samengevat naar de Franse vertaling van het speciaal-nummer van de Independent News, begin november 1938.)

De uitspraak word op 20 oktober gepubliceerd: vier beklaagden kregen 15 en één 11 jaar “afzondering van de sociale gemeenschap” (dat is dwangarbeid in een concentratiekamp). Twee beklaagden werden vrijgesproken. Het gerechtshof gelastte de ontbinding van de p.o.u.m. en der Iberische Communistische Jeugd.

In de motivering van de uitspraak, wordt de aanklacht van spionage niet genoemd. Het heet daar: Het gerechtshof stelt vast, dat de leden van de p.o.u.m. zich hebben aangesloten aan de opstandige beweging, die door opstandige elementen in mei 1937 in Barcelona losbarstte, met het doel de socialistische opvattingen van de p.o.u.m. daarin te brengen. Deze leden worden op grond van artikel 238, paragraaf 4, Wetboek van Strafrecht, schuldig bevonden aan de misdaad van rebellie, daar zij beproefden, de natie aan de autoriteit van de regering te onttrekken.

Veroordeeld werden: Gorkin, Andrade, Androhar, Cuito en Arquer; vrijgesproken zijn: Escuder en Rebull.

Een protest

Joso Rovira, lid van het Centraal-Comité van de p.o.u.m., leider van de 29e divisie, heeft zich op 30 oktober ter beschikking van de politie gesteld. Deze stap is een protest tegen de infame beschuldigingen, die tegen hem in de loop van het p.o.u.m.-proces gedaan worden. De stalinistische pers beweerde, dat Rovira en Nin op Frans gebied gevlucht waren. Hier is de meest bondige tegenspraak!

(Independent News.)


Redactionele aantekeningen

1. p.o.u.m.: Partit Obrer d’Unificació Marxista , in Catalonië tijdens de Spaanse burgeroorlog , met een Trotskistische richting.

2. Cortes: het Spaanse parlement.

3. Joaquín Maurín  (1896-1973).

4. Andréu Nin Pérez  (1892-1937).

5. p.s.u.c.: Partit Socialista Unificat de Catalunya ; de Catalaanse tak van de IIIe Internationale.

6. Sebastián Pozas Perea  (1876-1946).

7. Domènec Batet  (1872-1939).


Compiled by Vico, 6 September 2021


























Overzicht