Home | Contact | Links       
Antonie Pannekoek Archives

Pressedienst

Bron: a.a.a.p.


De algemene staking van 30 november in Frankrijk


Bron:   Radencommunisme : Marxistisch maandschrift voor zelfstandige klassebeweging, nr. 5, 1938 / Groep van Internationale Communisten. – Bron originelen: i.i.s.g. , Amsterdam, Collectie Henk Canne Meijer. – Getranscribeerd en uitgegeven voor Rätekommunismus , met medewerking van de Association Archives Antonie Pannekoek.


Sedert 1934 gaat een bijna ononderbroken stakingsgolf door Frankrijk. De massabeweging bereikte in 1936 haar hoogtepunt en in de loop van dat jaar wisten vijf miljoen arbeiders hun arbeidsvoorwaarden te verbeteren door stakingen met bedrijfsbezetting. De verkregen resultaten waren in hoofdzaak 20% loonsverhoging, de 40-urige werkweek, een week betaalde vakantie en de erkenning van bedrijfsafgevaardigden, wat feitelijk een erkenning van de vakverenigingen betekende. Op politiek terrein wisten de zogenaamde arbeiderspartijen en de vakverenigingen zich door het bezetten van ministerposten een bepaalde machtspositie te verzekeren, al was er dan ook geen sprake van, dat ze de werkelijke machtspositie van het kapitaal konden aantasten. Hun werkzaamheid kwam er op neer, de door de arbeiders in de bedrijven gemaakte veroveringen officieel in de wetgeving vast te leggen.

Na 1936 zien we echter, hoe de bezittende klasse van Frankrijk zich stap voor stap, van haar nederlaag weet te herstellen, de partijen van het Volksfront terugdrukt, de zogenaamde socialistische ministers uit de regering wegdrukten, een heftige aanval op de revolutionaire arbeiders doorzet, door ze uit de bedrijven te gooien en zo mogelijk door fascisten te vervangen. De algemene staking van 30 november 1938 is daarom niet een episode uit een steeds verder ontwikkelende strijd van de arbeiders, het is geen deel van een algemene aanval op de bezittende klasse, het is een episode uit de terugtocht van de arbeiders in de laatste jaren. Het is van belang vast te stellen, of een beweging van de arbeidersklasse in de periode van opgang of neergang van de klassenbeweging valt, omdat dit van grote betekenis is voor het ontstaan van nieuwe opvattingen en nieuwe methoden van strijd. Tot vernieuwing van opvattingen komt het pas, als het fiasco van het oude zich voor de massa’s vol heeft uitgewerkt. Voor Frankrijk betekent dit, dat de schijnsuccessen van parlementarisme en vakbeweging eerst in het verloop van de strijd na 1934 tot hun werkelijke betekenis konden worden teruggebracht.

Het nationalisme

Het uitgangspunt voor het terugdringen van de arbeiders door de bourgeoisie was “de Duitse dreiging”, het “fascisme”, de “nationale verdediging”. En dit was tegelijk ook het draaipunt voor de politiek van het “Volksfront”! en van de c.g.t. (1). De zogenaamde “arbeidersbeweging” hield met de bourgeoisie een concurrentiestrijd, wie wel de beste meest betrouwbare strijders waren voor een “vrij en onafhankelijk Frankrijk”, wie wel de beste “vaderlanders” waren. Maar daarbij waren zowel de bourgeoisie als de “arbeidersbeweging” het er roerend over eens, dat “orde, rust en arbeid” de noodzakelijke voorwaarden waren om Frankrijk “weerbaar” te houden of te maken. De politiek van de zogenaamde arbeidersbeweging was er daarom niet op gericht, de steeds opnieuw opflikkerende wilde stakingen tegen de patroonsaanvallen een grotere omvang of een diepere inhoud te geven, maar juist daarop, dergelijke bewegingen zo spoedig mogelijk te beperken en af te sluiten, om de “nationale productie” zo weinig mogelijk schade te berokkenen. Ze verlegde de strijd van de arbeiders telkens opnieuw uit de bedrijven naar het parlement of naar de vakverenigingsbureaus. Maar, losgemaakt van de beweging van de massa’s, ontglipte daarmee tegelijk iedere parlementaire macht aan de handen van de “arbeidersleiders”, totdat de bourgeoisie weer voldoende in het zadel zat, om haar nederlaag van 1936 ongedaan te maken. Nadat ze zich de mogelijkheid had verzekerd, om door middel van “noodverordeningen” te regeren, dat is praktisch buiten het parlement om, kondigde ze de opheffing van de 40-uren werkweek aan, benevens nieuwe zware belastingen, die op de brede massa’s zouden drukken. Rekent men hierbij nog de algemene ontevredenheid binnen de arbeidersklasse met de “niet inmengingspolitiek” inzake Spanje en de vriendschappelijke betrekkingen met Hitler-Duitsland, dan heeft men de algemene voedingsbodem, waaruit de wilde massabeweging geboren werd, die op maandag 21 november te Parijs en Noord-Frankrijk uitbrak en op woensdag 23 november op Rouaan oversloeg.

De wilde beweging in Parijs

Zoals gezegd, begon de strijd tegen de “noodverordeningen” als wilde beweging in Parijs. Weliswaar is de meerderheid van de arbeiders in de grootindustrie sinds 1936 in vakverenigingen georganiseerd, maar toch ging deze staking in het geheel niet van de vakverenigingen uit. Dit blijkt bijvoorbeeld al uit de wijze, waarop het strijdfront zich ontplooide. De staking breidde zich van het ene bedrijf naar het andere uit, zonder dat de vakverenigingen een besluit daartoe hadden gevat.

Op maandag 21 november werd door de directie van de Hutchinsonfabrieken (autobanden) te Parijs in de fabriek bekend gemaakt, dat de noodverordening inzake het verlengen van de arbeidstijd zou worden doorgevoerd. Direct daarop gingen de arbeiders in staking en bezetten de fabriek. Het is ons niet bekend of er delegaties van stakers naar andere bedrijven gezonden werden, om de solidariteit in te roepen, maar in ieder geval sloeg de staking enige uren later ’s-middags 12 uur, reeds op de Kuhlmanfabrieken (chemische producten) over, die ook bezet werden. Dinsdag en woensdag zette de beweging, zij het ook met niet grote kracht, verder door. Verschillende bedrijven werden bezet. Welke omvang de beweging toen had, is niet bekend. Het regerings-communiqué van donderdag 24 november bericht, dat tot woensdag tien bedrijven waren bezet, met tezamen 5000 arbeiders. Nu schatten we de waarheidsliefde van de regering op dit punt niet erg hoog en het zullen waarschijnlijk wel veel meer geweest zijn, maar toch is het wel zeker, dat de beweging voor een miljoenenstad als Parijs niet groot was. Gisting was er echter genoeg. Het hardhandige optreden van politie en marechaussee tegen de stakers wekte meer verbittering dan angst. Zo beginnen donderdag de spoorwegarbeiders in de Parijse stations te demonstreren, waarin de politie aanleiding vindt, de betogers uiteen te slaan en 60 spoormannen te arresteren. Dit draagt tot de algemene gisting bij en donderdagavond gaat dan ook het personeel van de Renaultfabrieken (30.000 man) in staking, terwijl tegelijk het bedrijf wordt bezet.

Tot een verdere uitbreiding is het in Parijs niet gekomen. Zoals we straks zullen zien kregen de vakverenigingen vrijdag de beweging in hun greep en werd een smadelijke nederlaag dus onvermijdelijk.

De ontruiming van de bedrijven

De bedrijfsbezetting heeft in Parijs nergens langer dan enige uren geduurd. Direct na de bezetting kwamen politie en marechaussee om de bedrijven te ontruimen, wat zich praktisch zonder tegenstand voltrok. Alleen bij de Renaultfabrieken besloten de arbeiders zich te verdedigen. Ze barricadeerden de fabrieksingangen, maar ze waren tegen de ontzaglijke militaire macht niet opgewassen. 1000 man politie en 2500 man marechaussee forceerde de poorten en gooiden traangasbommen in de fabriekszalen. De ongewapende massa kon daar weinig tegen uitrichten. En het in brand steken van de nieuwe auto’s, het laten leeglopen van de benzinetanks is dan ook veel meer te zien als een uiting van machteloze woede, dan als een werkelijke afweer. De gevechten duurden zeven uur, waarbij 525 arbeiders werden gearresteerd en een twintigtal werd verwond. “Nachts om 1 uur had de gewapende macht het bedrijf veroverd.”

In Noord-Frankrijk

Ook in de metaal- en kolengebieden van Noord-Frankrijk ontplooide zich een spontane beweging, die zich van dag tot dag snel uitbreidde. Op maandag 21 november gingen slechts twee fabrieken in staking: de Kuhlmanfabrieken (dezelfde firma als in Parijs) werden bezet en de metaalfabriek te Creil. De mijnwerkers sloten zich dinsdag daarbij aan en bezetten vijf putten, terwijl de galvaniseer-inrichting te Creil eveneens wordt bezet (fabriekje van 3180 man). Woensdag brengt een groot aantal nieuwe uitbreidingen met bedrijfsbezetting. Het regeringscommuniqué van donderdag bericht, dat tot woensdag in Noord-Frankrijk 25 bedrijven waren bezet, met in het geheel 12.000 man personeel. Donderdag brengt dan weer een belangrijke uitbreiding, doordat 1200 spoorwegarbeiders te Rijssel (2) in staking gaan. Ook voor vrijdag worden nog nieuwe uitbreidingen gemeld en bedraagt het aantal stakers volgens de Nieuwe Rotterdamse Courant 51.000 man. Daarmee is dan de grootste uitbreiding bereikt en valt de beweging in de loop van de volgende week in de grootste verwarring uiteen.

De ontruiming in Noord-Frankrijk

De beweging in Noord-Frankrijk had voor de bezittende klasse een veel gevaarlijker karakter dan in Parijs. Wel geschiedde ook hier de ontruiming van de bedrijven door de politie en militairen onder weinig tegenstand. Maar herhaaldelijk werden de bedrijven, na ontruimd te zijn, enige uren later opnieuw bezet, terwijl de stakers troepenvervoer trachtten te belemmeren door het opbreken van de spoorrails. Hoe ernstig de regering de toestand daar in zag, blijkt wel uit de maatregelen die ze nam. De spoorlijn Anzin-België werd door de regering stopgezet, om de levensmiddelentoevoer naar het stakingsgebied stop te zetten en om het vervoer van de steenkolen door de stakers te verhinderen. De stakende spoorwegarbeiders en mijnwerkers werden “gemobiliseerd”, zodat staken nu dienstweigering betekende. Maar ook dit paardenmiddel mocht niet baten, zodat in allerijl de krijgsraad naar het Noorden trok, om de stakers voor de krijgsraad te brengen. Ook hiermede kon men de staking echter niet breken.

In Rouaan

Omtrent de beweging in Rouaan worden weinig bijzonderheden gemeld. De stakingsbeweging sloeg op woensdag 23 november naar dit gebied over en omvatte de chemische en petroleumbedrijven. Volgens mededeling van het regeringscommuniqué van donderdag waren daar toen 19 bedrijven bezet en ook weer ontruimd.

Het afbreken van de wilde beweging

Op het eerste gezicht is het onverklaarbaar, waardoor de wilde beweging die zich van dag tot dag uitbreidde, na vrijdag vrijwel tot stilstand kwam. Aan de regeringsmaatregelen is dat zeker niet te wijten. Want juist het straffe optreden der regeringsmacht gaf de ontplooiing van de beweging een versneld tempo. Wat de regering niet kon, dat konden de vakverenigingen en de “socialistische” partijen echter heel goed. Door het zelfstandig handelen van de massa’s raakten de vakverenigingen in de grootste verwarring. Daarbij is te bedenken, dat de Franse vakbeweging pas na 1936 tot een werkelijke massa-organisatie is geworden. Zodoende zijn de besturen van de plaatselijke afdelingen nog niet uit betaalde beambten samengesteld, maar voor het grootste deel uit bedrijfsarbeiders. Dit verklaart, waardoor de plaatselijke bonden zich veelal direct achter deze wilde bewegingen plaatsen (stakingsuitkering komt in Frankrijk bijna niet voor). Maar met de landelijke bonden en nog meer met de vakcentrale, de c.g.t. is dat heel anders. Deze besturen bestaan uit “beroepspolitici”, merendeels uit bezoldigde bestuurders. En deze kunnen zich niet zonder meer bij dergelijke wilde bewegingen aansluiten.

Toen de staking dan ook maandag 21 november was uitgebroken, reeds op c.g.t. reeds op dinsdag het hoofdbestuur bijeen. Bij de debatten bleek de vrij algemene opvatting, dat zo snel mogelijk een algemene staking moest worden uitgeroepen tegen de “noodverordeningen”. Maar de houding van de bond van spoorwegpersoneel was nog niet zeker en daarom zou de c.g.t. vrijdags opnieuw beraadslagen. De spoorwegarbeiders besloten nu de staking mee te maken en zo werd op vrijdag 25 november besloten tot een algemene proteststaking van 24 uur, te houden op woensdag 30 november.

De aarzelende houding van de bonden, in het bijzonder van de c.g.t., om de wilde bewegingen te steunen, bracht de grootste verwarring en terughouding in de arbeidersklasse. Reeds op dinsdag 22 november had de metaalbewerkersbond van Valenciennes het besluit genomen om de algemene staking te organiseren. Maar doordat de c.g.t. deze tenslotte op 30 november had vastgezet, werd de beweging in Noord-Frankrijk ten zeerste in haar uitbreiding belemmerd en werden de 51.000 man, die al in staking waren praktisch door de vakbeweging geïsoleerd tegenover de enorme staatsmacht geplaatst. De mijnwerkersbond besloot op donderdag 24 november (nadat 3000 mijnwerkers reeds vijf mijnen bezet hadden); de volgende dag in staking te gaan, wat dan ook volledig wordt doorgevoerd. Maar toen de c.g.t. op vrijdag tot de algemene staking op 30 november besloot, hief de mijnwerkersbond de staking na één dag weer op, zodat de arbeiders ’s-maandags weer aan de gang moesten gaan. Natuurlijk gingen niet allen weer aan het werk. Maar het strijdfront was in ieder geval gebroken. Want bij dergelijke strijd tussen arbeidersmassa en vakbond geraakt elke arbeider afzonderlijk in een psychisch conflict. Enerzijds roept de klassensolidariteit hem tot het formeren van een gemeenschappelijk klassenfront, tot hulp aan z’n strijdende makkers. Maar anderzijds maant de vakbond hem tot vakverenigingsdiscipline, tot het opvolgen van de besluiten van de vakbondsbesturen. En bij de huidige psychische gesteldheid der massa’s is de vakverenigings-discipline doorgaans sterker dan de klassensolidariteit.

Demonstratieve staking

De algemene staking der c.g.t. zou niet anders mogen zijn dan een “demonstratieve staking van 24 uur”, Donderdag 1 november moesten alle stakingen opgeheven zijn, ook de reeds van tevoren uitgebroken wilde.

Verder werd door de c.g.t. besloten, dat geen bedrijfsbezettingen plaats mochten vinden, terwijl op de stakingsdag geen demonstraties of vergaderingen gehouden mochten worden. de c.g.t. zegt in haar “Open Brief” aan minister Daladier:

“Aan onze kameraden zeggen wij: Acht allen, die u zouden raden tot daden, welke in strijd zijn met de beslissing der c.g.t., onnozelen of provocateurs… Het werk zal donderdagmorgen overal weer opgenomen worden.”

En in de stakingsresolutie van de c.g.t. (vrijdag 26 november) lezen we:

“Geen enkele afzonderlijke beweging moet worden op touw gezet buiten de actie, waartoe door de verantwoordelijke organen van het algemeen vakverbond is besloten […] Hoe de omstandigheden en gebeurtenissen ook zijn, overal zal donderdag 1 december des ochtends het werk moeten worden hervat.”

De nederlaag

Bij de doorvoering van de demonstratieve staking is gebleken, dat de massa’s de strijd op deze grondslag niet waagden. De regering had de scherpste maatregelen tegen de stakers in uitzicht gesteld. Het was daarom absoluut zeker, dat na de staking een massaontslag zou volgen, ook al werd deze voor 100% doorgevoerd. We geloven echter niet, dat dit dreigen van de regering de beslissende nederlaag tot stand bracht. Want gedurende de periode van de “wilde” beweging werkte het regeringsgeweld juist als gist in de massa’s. De volkomen mislukking van de staking berust naar onze mening dan ook op het verbod van bedrijfsbezetting, van demonstratie en vergadering op de stakingsdag, door de c.g.t. De betekenis van deze strijdvormen ligt toch juist daarin, dat ze een massa-psychologische werking hebben; ze smeden de massa’s als strijdeenheid, als “lotsgemeenschap”, aaneen; de massa’s vinden hier de bron van daadkracht, samenhang en overleg. Alleen staande, ieder voor zich, besloten in eigen huis, is de arbeider niets.

Daardoor hadden de verboden der c.g.t. tot strekking de massa’s als losse zandkorrels te verstrooien, ze tot atomen uiteen te slaan, dat is hun strijdkracht volkomen te breken. Het behoeft ons dus niet te verwonderen, dat de arbeiders in deze omstandigheden in hun grote meerderheid rustig aan het werk bleven.

Domheid van de C.G.T.?

Het staat vast dat het mislukken van de demonstratieve staking ook voor de vakbeweging een zware nederlaag is, een nederlaag, die ze zeker niet heeft gewild. Maar de c.g.t. kon moeilijk anders, omdat ze moet strijden om haar bestaan, waarbij ze haar front zowel tegen de bezittende klasse als tegen de arbeidersklasse moet richten. De vakbeweging kan alleen bestaan als ze haar functie in de maatschappij kan vervullen. Deze functie is het treden als bemiddelaar tussen Kapitaal en Arbeid, om daarmee een regelmatige afwikkeling van het bedrijfsleven te verzekeren. In de eerste plaats is daartoe nodig, dat de massa’s zich aan haar leiding onderwerpen. Wanneer telkens opnieuw de bewegingen uitbreken, dan mist de bemiddeling van de vakbeweging haar doel. De beoogde bedrijfsvrede wordt dan toch telkens verstoord en de bourgeoisie zal de verzekering van de “orde en rust” zelf direct ter hand moeten nemen, zonder de omweg over de vakbeweging te gaan.

Daarom voerde de c.g.t. dan ook het bezettings-, demonstratie- en vergaderingsverbod voor op de dag van de algemene staking. En ze bereikte met deze staking tegelijk, dat de hele wilde beweging in een slag vernietigd zou worden, doordat ze bepaalde dat alle stakingen op 1 december opgeheven moesten worden. Vanuit deze kant gezien, is de algemene staking van 30 november niet anders dan een strijd van de vakbeweging om haar bestaan, gericht tegen de arbeidersklasse.

Maar deze strijd tegen de wilde bewegingen is voor de vakbeweging een tweesnijdend zwaard. De wilde bewegingen bedreigen haar bestaan en tegelijk zijn ze een voorwaarde, om nog enige betekenis te krijgen of te houden. Is de arbeidersklasse zo ver “gedisciplineerd”, dat geen bewegingen van betekenis buiten de vakbeweging om ontstaan, met andere woorden: is de arbeidersklasse “dood gedisciplineerd”, dan wordt het bestaan van de vakbeweging voor de bezittende klasse ook overbodig en kan ze haar opruimen, zonder dat een arbeider een vinger uitsteekt, om de vakbeweging te “redden”. Duitsland, Oostenrijk en Tsjecho-Slowakije hebben het bewezen. Is de arbeidersklasse door de vakbeweging dood gedisciplineerd, dan heeft de bourgeoisie de verdere bemiddeling ook niet meer nodig en moet de vakbeweging er mee rekenen, dat de bourgeoisie de bemiddeling tot stand brengt door een “arbeidsfront”, dat wil zeggen, langs fascistische weg.

Daarom is het met de toekomst van de vakbeweging een hopeloos geval. Hoe meer de sociale spanningen in de maatschappij toenemen (en dat proces schrijdt snel voort), des te onzekerder wordt haar bestaan. Voorlopig tracht ze nog de opkomende bewegingen van de arbeiders te breken, om haar bestaansrecht te bewijzen. Lukt dat niet in voldoende mate, dan doekt de bourgeoisie haar op. Lukt het haar wel, dan wordt de tijd voor het fascisme des te spoediger rijp, omdat vooral in Frankrijk de bezuiniging en het opvoeren van het arbeidstempo door het “arbeidsfront” dan gemakkelijker doorgevoerd kunnen worden, dan langs de omweg van de vakbeweging.

Hoe men de situatie van de Franse vakbeweging ook bekijkt, de weg naar de fascisering lijkt vrij zeker. In hoeverre de Franse arbeidersklasse de strijd daar tegen voeren kan, zal afhangen, in hoeverre ze uit de algemene staking van 30 november heeft geleerd.


“[…] in de kapitalistische maatschappij is niets onaantastbaar, alle verworvenheden, alle instellingen van de uitgebuiten, ja hun vrijheid, hun leven kunnen geroofd en vernietigd worden, de revolutionaire strijd moet zijn vloed en zijn eb hebben […]”
(Angelico Balabanoff (3)).

Redactionele aantekeningen

1. c.g.t.: Confédération générale du travail , Stalinistische vakbond in Frankrijk.

2. Rijssel; Frans: Lille.

3. Angelico Balabanoff  (1877-1965).


Compiled by Vico, 6 September 2021


























Overzicht