Home | Contact | Links       
Antonie Pannekoek Archives
 

Aantekeningen over communistische economie / door Piet de Bruin [Jan Appel], 1928


Bron: i.i.s.g. , Amsterdam;   Aantekeningen over communistische economie / door Piet de Bruin [Jan Appel]. – In: Klassenstrijd, 3e jg. (1928), nr. 4 (april, p. 114-119 [I.]), 5 (mei, p. 155-159 [II.]) en 6 (juni, p. 185-192 [III.]). Een Duitstalige versie is niet bekend en verscheen niet in de Pressedienst van de g.i.c., noch in Proletarier.


Overzicht


[I.]

I. De pogingen die in Rusland zijn gedaan, het communisme op te bouwen, hebben een gebied binnen de gezichtskring van de praktijk gebracht, die vroeger alleen vanuit de theorie behandeld kon worden. Rusland heeft getracht (1) het economische leven, voor zover het de industrie betreft, naar communistische beginselen op te bouwen… en heeft daarin volkomen gefaald (2). Het feit, dat het loon van de arbeiders niet meer toeneemt met de productiviteit van de arbeid (H.R.H. (3) in “Klassenstrijd” (4)), bewijst dit afdoende. Een groter productiviteit van het maatschappelijk productie-apparaat geeft niet recht op meer maatschappelijk product: d.w.z. dat de uitbuiting bestaat. H.R.H. bewijst hier dus, dat de Russische arbeider heden loonarbeider is (5). Men kan zich van deze gang van zaken afmaken, door er op te wijzen, dat Rusland een boerenland is met privaatbezit aan grond en dat daarmee de basis van kapitalistische loonarbeid zich aan het hele economische leven moet opdringen. Wie zich met deze verklaring tevreden stelt, ziet weliswaar het huidige Rusland in z’n huidige economische grondslagen, maar toch heeft hij uit het ontzaglijk pogen van de Russen niets geleerd inzake communistische economie. Bij vele makkers is echter twijfel gerezen omtrent de methode zelf, waarop volgens de Russen het communisme verwezenlijkt zou moeten worden. Om de methode met een paar woorden weer te geven: De arbeiders onteigenen de onteigenaars en brengen de productiemiddelen aan de staat, die de takken van bedrijf organiseert, en ze als staatsmonopolie in dienst van de gemeenschap stelt.

De gang van zaken verliep in Rusland zo, dat het proletariaat zich van de bedrijven meester maakte en ze onder eigen leiding verder liet functioneren. De communistische partij gaf toen richtlijnen, waarnaar deze bedrijven zich moesten verbinden tot communale, districts- en gouvernementsraden, om het hele industrieële leven tot een organische eenheid te kunnen verbinden. Zo bouwde het productieapparaat zich door de levende krachten van de massa’s op: het was de uitdrukking van de communistische krachten, die in het proletariaat leefden. Alle krachten waren gericht op een centralisatie van de productie. Het 3de Al-Russische Congres van de economische Raden besloot:

“Het centraliseren van het bedrijfsleven is het zekerste middel in de handen van het overwinnende proletariaat, om de productiekrachten van het land op de snelste wijze tot ontwikkeling te brengen […] Het is de voorwaarde tot de socialistische opbouw van het bedrijfsleven en tegelijk de voorwaarde, om de kleinere ondernemingen in het algemene apparaat te voegen […] De centralisatie is het enig middel een versplintering van het bedrijfsleven te voorkomen.”
(A. Goldschmidt: “Die Wirtschaftsorg. Sow. R.”, blz. 43).

Hier ligt in de aard der zaak, dat de leiding en het beheer van de productie aanvankelijk bij de massa’s lag, evenals het in de aard der zaak ligt, dat ze later al hun bevoegdheden aan de centrale organisaties moesten overdragen. Waren aanvankelijk directeuren, communale economische Raden enz. verantwoordelijk aan de massa’s, aan de producenten, nu werden ze verantwoordelijk aan de centrale leiding, die het geheel dirigeerde. Aanvankelijk verantwoording “naar onder”, nu verantwoording “naar boven”.

Zo voltrok zich in Rusland een ontzaglijke concentratie van de productiekrachten, zoals geen ander land ter wereld kent. Wee het proletariaat, dat tegen zulk een machtsapparaat de strijd moet aanbinden!

En toch is dat nu zo gekomen. Het lijdt niet de geringste twijfel meer: de Russische arbeider is loon-arbeider, hij wordt uitgebuit, hij zal ook om zijn loon hebben te vechten… tegen het machtigste apparaat, dat de wereld kent.

Waarop we hier willen wijzen, is dat bij deze vorm van “communisme” (6) het proletariaat het productieapparaat niet in handen heeft. Ogenschijnlijk is het wel de “bezitter” van de productiemiddelen, maar het heeft er niet het beschikkingsrecht over (7). Welk aandeel van de maatschappelijke productenvoorraad de producent voor z’n arbeidskracht krijgt, wordt bepaald door de centrale leiding, die, als alles goed gaat, dat op grond van haar statistieken vaststelt. In werkelijkheid wordt daarmee de kwestie of er al of niet uitgebuit zal worden in handen van een centrale gelegd. Ook wanneer er een “goede” leiding is, die de producten “rechtmatig” verdeeld, blijft het toch een apparaat, dat zich boven de producenten verheft. De vraag is nu maar, of dit in Rusland zo geworden is door de “bijzondere” omstandigheden (8), of dat het een kenmerk is van iedere centrale productie- en distributieorganisatie. Mocht dit inderdaad het geval zijn, dan zou daarmee de mogelijkheid van het communisme problematisch zijn geworden.

II. Uitgezonderd bij Marx vinden we bij bijna alle schrijvers die zich met de organisatie van het economisch leven onder het communisme bezighouden, dezelfde beginselen terug, die we door de Russen in praktijk zagen gebracht. Ze gaan uit van de uitspraak van Engels: “Het proletariaat verovert de staatsmacht en brengt de productiemiddelen allereerst in staatseigendom”. Dan gaan ze aan het centraliseren en construeren soortgelijke organismen, als de Russen hebben verwezenlijkt. We geven een enkel voorbeeld van R. Hilferding en Otto Neurath, die nog met ettelijke tientallen te vermeerderen zouden zijn.

“Hoe, waar, hoeveel, met welke middelen uit de ter beschikking staande natuurlijke en kunstmatige productievoorwaarden nieuwe producten gemaakt zullen worden […] beslissen de communale, districts- of nationale commissarissen van de socialistische samenleving, die, de maatschappelijke behoeften overziend met alle middelen van een georganiseerde productie en verbruiksstatistiek, in bewust vooruitziend, het hele economische leven vormen naar de behoeften van hunne, in hen bewust vertegenwoordigde en door hen bewust geleide gemeenschappen”.
(R. Hilferding: “Finanzkapital”, blz. 1).

Neurath spreekt nog duidelijker:

“De leer van het socialistische bedrijfsleven kent slechts één enkele producent-distribuent, de samenleving, die zonder winst- en verliesrekening, zonder circulatie van geld, zij het metaalgeld of arbeidsgeld, – op grond van een productieplan, zonder daaraan enige rekeneenheid ten grondslag te leggen, de productie organiseert en de levensniveau’s volgens socialistische regels verdeelt”.
(“Wirtschaftsplan und Naturalrechn.”, blz. 83).

Ieder ziet, dat ze tot dezelfde constructies komen als de Russen. Nemen we aan, dat ze inderdaad mogelijk zouden zijn (wat we echter ontkennen), en dat de centrale leiding en beheer de productenmassa “naar de levensniveau’s” “rechtmatig” zou verdelen, dan blijft ondanks de vlotte afloop van zaken het feit bestaan, dat de producenten in werkelijkheid niet de beschikking hebben over het productieapparaat, het wordt niet een apparaat van de producenten, maar boven de producenten.

Dit kan niet anders dan tot een heftige onderdrukking leiden tegenover groepen, die tot deze leiding in tegenstelling staan. De centrale economische macht betekent tegelijk de politieke macht. Ieder “oppositioneel” element, dat de dingen in politiek- of economisch opzicht anders zou willen zien dan de centrale leiding, wordt met alle middelen van het ontzaglijke apparaat onderdrukt. Voorbeelden hoeven we hier zeker niet te geven.

Zo wordt van “de associatie van vrije en gelijke producenten,” die Marx aankondigde, een tuchthuisstaat zoals we nog gene kenden.

De Russen en al die andere theoretici noemen zich allen “Marxisten” en zo wil men dit alles voor echt Marxistisch Communisme doen doorgaan. In werkelijkheid heeft het met Marx niets van doen en is het burgerlijke economie, die de kapitalistische verhoudingen van leiding en beheer van ’t communisme projecteert. Ze zien, dat het arbeidsproces steeds meer vermaatschappelijkt wordt, de “vrije warenproducent” heeft plaatsgemaakt voor syndicaten, trusts enz., de productie is feitelijk reeds communistisch.

“Het overwinnen van het kapitalistische denken in z’n algemeenheid is een proces. Het is zeer waarschijnlijk, dat het socialisme als vorm van het bedrijfsleven zich voor die tijd doorzet, zodat niet de socialisten het socialisme brengen, maar het socialisme de socialisten, wat overigens met de grondidee van het Marxisme in overeenstemming zou zijn”.
(Neurath: Als boven, blz. 83).

Is zo het bedrijfsleven “socialistisch” geworden, dan moeten de eigendomsverhoudingen nog zo omgevormd, dat de productiemiddelen aan de staat komen en dan

“treedt de maatschappelijk-planmatige regeling van de productie naar de behoeften van het geheel, zowel als naar die van ieder afzonderlijk in de plaats van de maatschappelijke anarchie van de productie”.
(F. Engels, “Anti-Dühring”).

Op deze planmatige regeling borduren ze dan verder. Feitelijk behoeft alleen een nieuwe leiding in het kapitalistische productieapparaat gezet te worden om het plan te voltrekken.

De opvatting, dat het proletariaat feitelijk alleen een nieuwe leiding in de productie moet zetten, die dan met behulp van de statistiek alles ten beste zal leiden, vindt z’n grond hierin, dat de economen het groeiproces van de planmatige productie niet kunnen zien als een groeiproces van de massa zelf, maar als een proces dat zij zullen voltrekken. Niet de massa’s, maar zij zullen de bankroete kapitalistische productie naar het communisme leiden. Want nietwaar, zij hebben de gegevens, zij denken en organiseren en orderen. De massa kan alleen toestemmen, wat zij in hun wijsheid besluiten. Boven de economen met hun wetenschap, waartegen de massa’s opgapen als tegen een wondertempel, waar het voor hen onmogelijk is binnen te treden. De wetenschap is in het bezit van de grote mannen, van wie het Licht der Nieuwe Samenleving zal uitgaan.

Het moet zonder meer duidelijk zijn, dat de producenten hier niet het “beheer en de leiding van de productie” in handen hebben en dat dit al een heel wonderlijke voorstelling is van de Marx’se “associatie van vrije en gelijke producenten”.

Al dit soort plannen draagt duidelijk de sporen van het tijdperk, waarin ze ontstonden: Het tijdperk van de mechanisatie. Het productieapparaat wordt zo tot het fijne mechanisme, dat door duizenden en duizenden radertjes werkt; de delen van het productieproces grijpen ineen, als de verdeelde werkzaamheden van de “riem zonder eind” zoals die in de moderne bedrijven (Ford) wordt toegepast. En hier en daar staan de bestuurders van de productiemachine, die door hun statistieken de gang van de machine bepalen.

Deze mechanistische plannen gaan uit van de grondfout, dat het communisme in de eerste plaats een organisatorisch-technische kwestie is, inplaats van een economische, waarbij een nieuwe grondverhouding tussen product en producent gelegd moet worden. Tegenover deze mechanisatie stellen we daarom, dat de basis gevonden moet worden, waarop de producenten zelf het gebouw van de productie kunnen opbouwen. Dit bouwen is een proces van onderen op en niet van boven af. Het is een concentratieproces, dat zich vanuit de producenten voltrekt en niet als het hemelse brood op ons komt neerdalen. Als we ons de ervaringen van de revolutie eigen maken en de vingerwijzingen van Marx volgen, kunnen we het bij deze bouw een heel eind brengen.

III. Ofschoon Marx geen “schildering” van het communisme heeft gegeven, weet toch ieder, dat hij op het standpunt stond van de “associatie van vrije en gelijke producenten”, welke ideeën hij in het bijzonder aan de Parijse Commune ontleende. Deze associatie staat echter geenszins op de losse schroeven van het “wederkering dienstbetoon” (9), maar heeft een zeer “materiële” ondergrond. Deze ondergrond is de berekening van de tijd, die nodig is om de producten te produceren. Gemakshalve willen we het hier “waardeberekening” noemen, ofschoon het met “waarde” niets uitstaande heeft, omdat tijd een heel andere categorie is dan waarde. Ook Engels stond op dit standpunt, wat uit het volgende moge blijken:

“De samenleving kan eenvoudig berekenen, hoeveel arbeidsuren in een stoommachine, een hectoliter graan van de laatste oogst […] belichaamd zijn. Het kan dus niet in haar opkomen, de in de producten neergelegde arbeidshoeveelheden, die ze dan direct en absoluut kent, verder nog in een betrekkelijk onvoldoende, vroeger als hulpmiddel onvermijdelijke maat, in een derde product uit te drukken en niet in haar natuurlijk, adequate, absolute maat, de tijd […] De samenleving schrijft dus onder bovenstaande vooropstelling ook geen waarde aan de producten voor”.
(F. Engels: “Anti-Dühring”, blz. 297).

Marx geeft ook heel duidelijk het arbeidsuur als “rekeneenheid” aan. Hij doet dit bij de bespreking van de bekende “Robinson op z’n eiland”. Hij zegt van Robinson:

“De nood dwingt hem, zijn tijd nauwkeurig tussen zijn onderscheiden verrichtingen zorgvuldig te verdelen. Of de ene meer, de andere minder in het geheel van zijn inspanning inneemt, hangt af van de grotere of minder grote moeilijkheid, die ter bereiking van het beoogde nut te overwinnen is. De ondervinding leert hem dat, en onze Robinson, die horloge, grootboek, inkt en pen uit de schipbreuk heeft gered, begint als een goed Engelsman weldra boek over zichzelf te houden. Zijn inventaris bevat een opgaaf van de gebruiksvoorwerpen die hij bezit, de verschillende bezigheden, die tot hun voortbrenging vereist worden, eindelijk de arbeidstijd, welke hem bepaalde hoeveelheden van deze verschillende producten in doorsnee kosten. Alle betrekkingen tussen Robinson en de dingen, die zijn zelfgeschappen rijkdom uitmaken, zijn hier zo eenvoudig en doorzichtig, dat zelfs de heer M. Wirth ze zonder bijzondere geestesinspanning zou kunnen begrijpen. En evenwel zijn alle hoofdzakelijke bepalingen van de waarde daarin opgesloten”.
(“Het Kapitaal”, I, blz. 52, Holl. Uitg.).
“Stellen we ons eindelijk, voor de afwisseling, een vereniging van vrije mensen voor, die met gemeenschappelijke productiemiddelen arbeiden, en hun vele individuele arbeidskrachten zelfbewust als een maatschappelijke arbeidskracht aanwenden. Alle condities van Robinson’s arbeid herhalen zich hier, alleen maatschappelijk in plaats van individueel”.
(Als boven, blz. 54).

We zien hier, dat Marx voor “een vereniging van vrije mensen” evengoed een “waardeberekening” kent en wel op basis van het arbeidsuur. Waar Marx de “vrije mensen” in de plaats laat treden van Robinson, willen we nu de boekhouding van de samenleving als volgt lezen: haar inventaris bevat een opgaaf van de gebruiksvoorwerpen die zij bezit, de verschillende bezigheden, die tot hun voortbrenging vereist worden, eindelijk de arbeidstijd, welke haar bepaalde hoeveelheden van deze verschillende producten in doorsnee kosten. Alle betrekkingen tussen de samenleving en de dingen, die haar zelfgeschapen rijkdom uitmaken zijn hier zo eenvoudig, dat iedereen ze kan begrijpen.

Marx stelt deze “boekhouding van de samenleving” algemeen voor een productieproces, waarbij de arbeid maatschappelijk is, dus onverschillig, of het communisme nog “laag” ontwikkeld is, of dat het “het geven naar krachten en het nemen naar behoeften” reeds heeft verwezenlijkt (10). D.w.z., dat de organisatie van het economische leven in z’n verschillende ontwikkelingsperioden verschillende stadia kan doorlopen, waarbij echter de categorie van het maatschappelijk gemiddelde arbeidsuur de rustende pool blijft.

Dat hij het inderdaad zo opvat, blijkt bijvoorbeeld hieruit, dat hij zeer uitdrukkelijk wijst op het feit, dat de distributie verschillende vormen aan kan nemen. Neurath leest hieruit, dat Marx de kwestie zo stelt, alsof we een “vrije keus” zouden hebben, hoe de producten te distribueren. Wel een wonderlijke vergissing voor een “Marx-kenner”, die toch zeker moet weten, dat Marx geen “vrijheid” kent, maar steeds functionele afhankelijkheid ziet. De “vrijheid” bij de keuze van een distributieorde beweegt zich binnen grenzen, die de vorm van het “materieële” productieapparaat voorschrijft.

“Alle producten van Robinson waren zijn uitsluitend persoonlijk product en derhalve direkt gebruiksvoorwerp voor hem. Het gezamenlijke product van de vereniging is een maatschappelijk product. Een deel van dit product dient weer als productiemiddel. Het blijft maatschappelijk. Maar een ander deel wordt als levensmiddelen door de leden van de vereniging verbruikt. Het moet dus onder hen verdeeld worden. De manier van deze verdeling zal verschillen met de bijzondere aard van het maatschappelijk productieorganisme en de daarmee overeenkomstige ontwikkelingshoogte van de producenten”.
(blz. 54).

Kon dus Marx wel de grondcategorie voor de “waardeberekening” onder het communisme geven, zo gaf hij de modus voor distributie slechts voorbeeldsgewijs. Hij vervolgt dan:

“Slechts ter vergelijking met de warenproductie onderstellen wij, dat het aandeel van iedere producent in de levensmiddelen bepaald wordt door zijn arbeidstijd. De arbeidstijd zou dus een dubbele rol spelen. Zijn maatschappelijk doelmatige verdeling regelt de juist verhouding van de verschillende arbeidsverrichtingen tot de verschillende behoeften. Aan de andere kan dient de arbeidstijd tevens als maatstaf van het individuele aandeel van de producent in de gemeenschappelijke arbeid, en derhalve ook in het individueel te consumeren deel van het gehele product. De maatschappelijke betrekkingen van de mensen tot hun arbeid en hun arbeidsproducten, blijven hierdoor doorzichtig en eenvoudig, in de productie zowel als in de distributie”.
(Als boven, blz. 54).

Ook elders blijkt dat Marx zich de arbeidstijd als grondcategorie van de communistische economie denkt:

“Het geldkapitaal valt bij communistische productie weg […] Wat mij betreft mogen de producenten papieren aanwijzingen krijgen, waarvoor ze zoveel aan de productievoorraden mogen onttrekken, als met hun arbeidstijd overeenkomt. Deze aanwijzingen zijn geen geld. Ze circuleren niet”.
(Marx: “Het Kapitaal”, II, blz. 331).

Wil de individuele arbeidstijd de maatstaf zijn voor het individueel te consumeren product, dan moet de hoeveelheid van de producten ook aan dezelfde maat gemeten worden: met andere woorden, de “waarde” van de producten moet in maatschappelijk gemiddelde arbeidsuren zijn uitgedrukt: m.a.w. aan de producten moet uitgedrukt worden hoeveel “verdinglijkte” algemeen menselijke energie in ze belichaamd is gemeten aan de tijd. Dit stelt echter voorop dat de andere categorieën van de productie als productiemiddelen, grond- en hulpstoffen in dezelfde maat zijn uitgedrukt, zodat de hele “waardeberekening” in de bedrijven op de basis van het maatschappelijk gemiddelde arbeidsuur moet gegrondvest zijn. En dan kunnen we ook zeggen: “De maatschappelijke betrekkingen van de mensen tot hun arbeid en hun arbeidsproducten blijven hier doorzichtig en eenvoudig in de productie zowel als in de distributie”.

Zo zien we dat Neurath zich vergist als hij meent dat productie en distributie zo los van elkaar staan dat we kunnen “kiezen”. Integendeel, als Marx de individuele arbeidstijd als maatstaf neemt voor het aandeel in het product, dan legt hij daarmee meteen de grondverhouding tussen producent en product: dan is daarmee de basis van de productie bepaald.

IV. Keren we nu terug tot de vraag, of planmatige productie, zoals die in een organisch-centraal apparaat tot uitdrukking komt, noodzakelijk moet voeren tot een apparaat, dat zich boven de producenten verheft, dan zeggen we: Nee! Bij een samenleving, waar de verhouding van de producent tot het maatschappelijk product onmiddellijk is vastgelegd, kan dat niet. Bij iedere andere samenleving, waar dit niet zo is, moet echter het productieapparaat tot onderdrukkingsapparaat uitgroeien.

De mensheid heeft zich in haar productieapparaat een orgaan geschapen, om in haar duizenderlei behoeften te voorzien. In dit proces van voortbrenging, het productieproces, verbruiken we onze arbeidskracht en ons productieapparaat. Vanuit deze gezichtshoek is het productieproces een proces van vernietiging, van afbraak, maar door deze vernietiging scheppen we voortdurend weer nieuwe vormen. Wat afgebroken werd, wordt in hetzelfde proces herboren. De machines, de werktuigen, onze arbeidskracht worden in dit proces tegelijjk hernieuwd, opnieuw geproduceerd, gereproduceerd. Het is een voortdurende stroom van omvorming van menselijke enrgieën van de ene vorm in de andere. Iedere afzonderlijke vorm is gestolde menselijke energie, die we kunnen meten aan de tijd, gedurende welke hij werkt.

Ook bij dat deel van het productieproces, waarbij geen eigenlijke “producten” gemaakt worden, is dat zo, bijv. onderwijs, ziekenzorg. Ook hierbij worden productiemiddelen enz. vernietigd, waarbij het “product” juist deze “diensten” zijn. De distributie geschiedt direct bij de “productie”, de verbruikte energieën vloeien direct in volkomen nieuwe vorm aan de samenleving toe. Omdat we deze energieën aan de tijd kunnen meten, ontstaat een volkomen exacte verhouding tussen producent en product. De verhouding van ieder individueel producent tot ieder afzonderlijk maatschappelijk product is hier volkomen “doorzichtig”.

Bij de organisatie van de productie à la Neurath, Hilferding of de Russen is deze verhouding volkomen versluierd. Zij kennen de “waarde” van hun producten in het geheel niet, tenzij in de tussenvorm, die we geld noemen, en de producenten kennen die dus zeker nog minder. Daarom moet “van hogerhand” een zeker deel van de maatschappelijke producten aan de producenten worden “toegewezen”, die vol “vertrouwen” afwachten, wat ze krijgen. Zo voltrekt zich dan, wat we in Rusland beleven: ofschoon de productiviteit strijd, ofschoon de hoeveelheid maatschappelijke producten toeneemt… krijgt de producent tot geen groter deel… m.a.w. hij wordt weer uitgebuit.

Wat zal de producent hiertegen beginnen? Niets! Ja, hij kan opnieuw de strijd tegen de uitbuiters opnemen, tegen hen, die de beschikking hebben over het productieapparaat. Het kan dan betere leiders neerzetten, waarmee de bron van het kwaad niet is opgeheven. Tenslotte kan hij niet anders, dan de hele productie zetten op de exacte verhouding tussen producent en product.

Maar hiermee hebben de beheerders niets meer “toe te wijzen”. Het aandeel in het maatschappelijk product is direct bepaald, de “arbeidstijd dient als maatstaf voor het individueel te consumeren deel van het product”.

V. Bij een communistische omwenteling zal het proletariaat deze verhouding van producent tot product hebben vast te leggen. Het is een machtsvraag. Op deze basis kan de planmatige productie zich voltrekken. De afzonderlijke bedrijven en takken van bedrijf kunnen zich horizontaal en verticaal tot een planmatig geheel verbinden, terwijl ieder deel zijn “boekhouding” over de verbruikte hoeveelheid menselijke energie in de vorm van slijtage aan machines, grond- en hulpstoffen en arbeidskracht voert. De producenten kunnen al deze werkzaamheden zelf verrichten, het is de “associatie van vrije en gelijke producenten”. Het proces van ineengrijpen en samenvoegen groeit van onderen op, omdat de producenten zelf met leiding en beheer zijn belast. Nu is de plaats vrij voor het initiatief van de producenten zelf, die het beweeglijke leven in z’n duizenderlei vormen zelf kunnen “maken”.

Het proletariaat legt de grondverhouding tussen producent en product. Geleerde mensen, statistici en zo, heeft het daartoe niet nodig. Deze komen eerst aan de beurt als de grondverhouding is gelegd. Dan kunnen ze komen met getallen en statistieken en voorstellen (11) doen voor planmatige opbouw. Maar alles op de “natuurlijke” basis van de arbeidstijd.

VI. De diktatuur van het proletariaat heeft in beide vormen van communisme een volkomen andere uitwerking. Bij het staatscommunisme onderdrukt ze ieder, die de heersende leiding weerstreeft, tot alle takken van bedrijf zo ver “rijp” zijn, dat ze aan het centrale apparaat ondergeschikt gemaakt kunnen worden. Bij de “associatie van vrije en gelijke producenten” dient ze, om de nieuwe “waardeberekening” als algemene grondslag van de productie door te voeren: d.w.z. om de grondslag te leggen, waarop de producenten de productie zelf leiden en beheren. Bij ’t staatscommunisme de voorwaarden scheppen tot een zo krachtig mogelijke onderdrukking door het centrale apparaat. Bij de associatie de voorwaarden scheppen, waardoor ze zelf voortdurend in macht verliest en zich tenslotte overbodig maakt: ze werkt aan haar eigen ondergaan.

Zonder ons verder met het staatscommunisme bezig te houden, willen we er nu veeleer toe overgaan, te onderzoeken, hoe een “verstandig mens” er in deze tijd nog toe komen kan, de “kinderlijke” voorstelling van Marx (die deze aan de liberaal-anarchistische stromingen van zijn tijd zou ontlenen, zie hiervoor H. Cunow: “Die Marxsche Geschichts- Gesellschafts- und Staatsauffassung”), om het arbeidsuur tot grondcategorie van het economisch leven te maken, kan verdedigen, ja, zelfs tot de enige mogelijke grondslag van het communisme kan verklaren. En dan willen we meteen zeggen, dat deze opvattingen niet in de eerste plaats geboren zijn achter de schrijftafel, maar dat ze het product zijn van het bruisende, revolutionaire leven. Voor zover we overzien kunnen, waren er drie hoofdmomenten, die ons het napraten van de “communistische economen” afleerden. Dat was ten eerste het spontane ontstaan en het werken van het sowjet-systeem, dan het ontmannen van de sowjets door het Russische staatsapparaat en tenslotte het uitgroeien van de staatsproductie tot een nieuwe, ongekende vorm van overheersing van de gehele samenleving. Deze feiten dwongen tot nader onderzoek, waarbij bleek, dat het staatscommunisme noch in z’n theorie, noch in z’n praktijk iets met “Marxisme” van doen heeft. De praktijk van het leven, het sowjet-systeem stelde zo de “associatie van vrije en gelijke producenten” van Marx weer op de voorgrond, terwijl meteen het leven z’n kritiek inzette op de theorie en praktijk van het staatscommunisme. Om de betekenis van het sowjet-systeem te belichten, verwijzen we naar “De Nieuwe Tijd” van 1919, blz. 466, waar D.J. Struik naar aanleiding van de radenresolutie, die toen door de c.p.h. was aangenomen, schrijft:

“Uit niets blijkt helderder de vooruitgang, die we gemaakt hebben in ons inzicht in de wetten van de sociale revolutie, dan in onze verklaringen over het radenstelsel. Zelfs twee jaar geleden was deze verklaring nog vrijwel onmogelijk, en drie jaar geleden konden zelfs de klaarste koppen van de Internationale nauwelijks iets zeggen over de betekenis van de raden, zoals wij die nu zien. Het zal moeilijk vallen in de literatuur van voor de oorlog uitspraken in die geest aan te halen […] Overal bleef het tot aan de Februari-revolutie van 1917 bij een simpele vermelding van de noodzakelijke verandering van de politieke en economische vormen, waarin zich de revolutie zou kleden. Nadere aanduiding hierover, is, zover wij weten, niet gewaagd, althans niet aan deze zijde van de Weichsel. Rosa Luxemburg schrijft in haar gehele brochure over de massastaking slechts een enkele maal terloops over de Raad van Arbeidersafgevaardigden van 1905. Trotski behandelt in zijn boek over de eerste Russische revolutie wel uitvoerig over de geschiedenis, de betekenis en de macht van deze eerste Raad, maar gaat zich niet verdiepen in algemene gespiegelingen omtrent het radenstelsel. En zelfs in de Marxistische geschriften, die tijdens de eerste helft van de wereldoorlog verschenen, in de “Lichtstrahlen”, in de “Vorbote”, ontbreekt elke verwijzing naar de Petrograder Sowjet van 1905.
Dat kort na het uitbreken van de Februari-revolutie van 1917 zulk een vast fundament begon te krijgen, is uitsluitend een gevolg van de praktijk van de revolutie. […] Als ooit het woord van Mehring, dat de intuïtie van de handeldende massa’s genialer kan zijn, dan het grootste genie, bewaarheid is, dan is het in dit geval”.

De Marx’se “associatie” is daarmee door de revolutionaire strijd zelf op de agenda geplaatst. Ze krijgt nu haar vormen, die voor 1917 niet waren aan te geven. Daarmee is de “associatie” niet een “bedenksel”, maar de vrucht van bittere strijd.


II.

Nationalisatie en vermaatschappelijken

Mag het juist zijn, dat de mensen de geschiedenis maken, ze maken die niet uit vrije stukken, gebonden als ze zijn aan de verhoudingen, waaronder ze leven. Wie spreekt van de overgang van het kapitalisme kan dit daarom niet vanuit de “vrije fantasie” doen, maar zal moeten uitgaan van de verschuivingen in de machtsverhoudingen tussen bourgeoisie en proletariaat en de vormen, waarin deze zich voltrekken. Het leren kennen van deze vormen behoort tot de veroveringen van de proletarische wetenschap van na 1917: het is het radenstelsel, dat we in het bijzonder aan de Russen danken.

Vragen we dus welke machtsverschuivingen zich voltrekken, dan zeggen we kort en goed: de productiemiddelen van de groot-industrie bevinden zich, op basis van de bedrijfsorganisaties, in handen van het proletariaat. Het proletariaat van de groot-industrie zal daarom aangeven, langs welke lijnen de nieuwe orde zich zal ontwikkelen. In het gehele openbare bedrijfsleven beginnen de producenten de bezitters te onteigenen, om de productie en distributie naar communistische regels te ordenen. Het onteigeningsproces zet van onderen af in, tot groot ongemak van hen, die de productie van boven af willen leiden en beheren. Zo zien we dan ook, dat de Russische leiding van de productie vele door de arbeiders genationaliseerde bedrijven weer aan de particuliere bezitters teruggaf, omdat ze nog niet “rijp” waren voor het communistisch beheer. Het eerste Al-Russisch Congres van de Econommische Raden besloot dan ook:

“Op het gebied van de nationalisatie van de productie is een volkomen nationalisatie noodzakelijk. Het is nodig, van het doorvoeren van de nationalisatie van afzonderlijke ondernemingen tot doelbewust nationalisatie van de industrie over te gaan. De nationalisatie mag geen “gelegenheids”-nationalisatie zijn en alleen door de Opperste Econ. Raad of door de Raad van Volksgemachtigden onder goedkeuring van de Opp. Ec. Raad voltrokken worden.”
(A. Goldschmidt: “Wirtschaftsorg. Sow. Russlands”, blz. 42).

We hebben hier de tegenstelling tussen de “nationalisatie”, dat ideaal van de sociaal-democratie, en het “vermaatschappelijken” waarvan Marx spreekt. Daardoor ontstaat ook de tegenstelling tussen bedrijven, die wel en die niet “rijp” zijn voor het communisme, waarvan Marx zeker niet gedroomd zal hebben. Zeer terecht merkt Fr. Oppenheimer in het verzamelboek van H. Beck over “Wege und Ziele der Sozializierung” op blz. 16 en  17 dan ook op:

“Men verbeeldt zich, de Marx’se “vermaatschappelijking” stap voor stap te kunnen verwerkelijken, doordat men het aan de staat of aan de gemeente brengen van afzonderlijke bedrijven voor vermaatschappelijking uitgeeft. Vandaar de anders onbegrijpelijke, geheimzinnig zinswending van de “rijpe” bedrijven […] Voor Marx kan de socialistische samenleving slechts als een geheel “rijp” zijn. Afzonderlijke bedrijven of takken van bedrijf kunnen volgens zijn opvattingen net zo weinig “rijp” zijn, als de organen van een embryo in de vierde maand zwangerschap afzonderlijk tot een zelfstandig bestaan ontbonden kunnen worden.”

De zaak is deze, dat dit soort “nationalisatie” alleen voert naar de opbouw van het “staatssocialisme, waarin de staat als de enige grote werkgever en uitbuiter optreedt”. (Pannekoek over “Socialisering” in “De Nieuwe Tijd”, 1919, blz. 554). Het komt er echter op aan, de energie van de massa’s, die zelf “socialiseren”, niet te onderdrukken, maar ze als levende cellen in het communistisch productieorganisme op te nemen, wat alleen kan, als de verhouding van producent tot product direct in de dingen is vastgelegd. De enige, die over deze zaken klare wijn schenkt, is voorzover wij weten, de reformist H. Cunow. Hij zegt:

“Zeer zeker wil Marx in tegenstelling tot de “school” van Cobden weer een vaste regeling van het bedrijfsleven, echter niet door de staat, maar door een verbinding van de vrije associaties van de socialistische samenleving.”
(Marx’se […] staatstheorie I blz. 309).

In het hoofdstuk over “Staatsnegation und Staatssozialismus” laat Cunow dan ook zien, hoe de Duitse sociaal-democratie eerst langzamerhand dit standpunt verliet. Deze beweging verzette zich er aanvankelijk tegen, dat de sociaaldemocratie zou meehelpen, de grote bedrijven, als spoorwegen, mijnbouw, aan de staat te brengen. We geven slechts één voorbeeld: op blz. 340 lezen we, hoe Liebknecht in een referaat over “Staatssocialisme en revolutionaire sociaaldemocratie” zei:

“Men wil gaandeweg het ene bedrijf na het andere aan de staat brengen, dit is de staat op de plaats van de privaat-ondernemer zetten, het kapitalistisch bedrijf voortzetten, alleen met een andere ondernemer […] Hij [de staat] treedt als werkgever in de plaats van de afzonderlijke kapitalist en de arbeiders winnen daarbij niets, terwijl de staat zijn macht en zijn onderdrukkingskracht heeft versterkt […] Hoe meer de burgerlijke maatschappij inziet, dat ze zich op den duur niet tegen de stormloop van de socialistische ideeën verdedigen kan, des te meer naderen wij het ogenblik, waar het staatssocialisme in volle ernst geproclameerd zal worden, en de laatste strijd, die de sociaaldemocratie te voeren heeft, zal uitgevochten worden onder de strijdleuze: “Hier sociaaldemocratie… daar staatssocialisme.”

Cunow constateert dan, dat dit standpunt reeds voor 1900 werd opgegeven en in 1917 verklaart K. Renner: “De staat zal de hefboom van het socialisme worden”. (“Marxisme, oorlog en Internationale”). Cunow is het daar roerend mee eens. Maar zijn verdienste is in ieder geval, dat hij duidelijk doet uitkomen, dat dit alles met Marx niets te maken heeft. Cunow verwijt Marx, dat hij een scherpe tegenstelling maakt tussen staat en samenleving, die zijns inziens niet bestaat, in ieder geval niet meer bestaat. Zeer terecht toont Cunow, dat volgens Marx staat en samenleving nooit identiek zijn. “Marxisme” is, dat de staat een onderdrukkingsapparaat is en blijft, ook onder de dictatuur van het proletariaat. Ook hier vallen staat en samenleving niet samen.

Met de “nationalisatie” volgens de “rijpe” bedrijven, zoals de Russen die toepasten, hebben de Bolsjewiki in werkelijkheid het Marxisme een slag in het gezicht gegeven en zijn ze in werkelijkheid overgegaan naar de sociaaldemocratische identiteit van staat en samenleving. In Rusland werkt deze tegenstelling zich echter reeds krachtig uit. De samenleving heeft de productiemiddelen en het productieproces niet in handen: het is in handen van de regerende kliek, die het “in naam van de samenleving” (Engels) beheert… d.w.z., ieder die zich tegen de uitbuiting verzet, op ongekende wijze onderdrukt. Rusland, dat een voorbeeld van communisme zou zijn, heeft zich daarmee ontwikkeld tot het toekomstbeeld van de sociaaldemocratie.

We zijn bij dit soort “nationalisatie” wat langer blijven stilstaan, om te doen zien, dat dit alles met Marx niets uitstaande heeft, en ’t “Marxisme” er alleen mee gecompromiteerd wordt. In het bijzonder na de Parijse Commune breek bij Marx de opvatting baan, dat de organisatie van het bedrijfsleven “niet door de staat, maar door de verbinding van de vrije associaties van de socialistische samenleving” tot stand moet komen. Met de ontdekking van de vormen, waarin het proletariaat zich voor de revolutionaire klassenstrijd organiseert tot verovering van de macht, is tevens de basis gegeven, waarop de vrije associatie van de samenleving zich historisch zal moeten voltrekken.

Kautsky en de arbeidstijdrekening

De economen, die zich tot de socialisten of communisten rekenen, vinden de organisatie van de productie op basis van het maatschappelijk gemiddelde arbeidsuur vreselijk moeilijk, ja, onmogelijk door te voeren. ’t Geld te willen afschaffen is “naïef”. H. Block houdt het in zijn “Marxsche Geldtheorie” voor overbodig nog grondig op dit onderwerp in te gaan (blz. 125) en verder wordt in dit boek dan getoond, hoe ook Kautsky van de naïeve dwalingen zijns weegs is bekeerd. In zijn “Karl Marx Ökon. Lehren” liet hij ons de “waarde” zien als een historische categorie, (blz. 21), terwijl hij deze nu wil vereeuwigen en ook voor het communisme wil laten gelden. Het geld zal “als maatstaf voor de boekhouding en berekening van de ruilverhoudingen in een socialistische samenleving” en eveneens “als circulatiemiddel verder fungeren”. (Kautsky: “Die prol. Revolution und ihr Programm”, blz. 323). Het communisme, zoals Marx en Engels dit opvatten kent echter geen waarde, het kent geen markt, dus ook geen prijzen. Zoiets is voor economen ondenkbaar, waar toch hun hele wetenschap op deze categorieën rust.

De bezwaren, die Kautsky en z’n vrienden tegen de arbeidstijdberekening hebben, verraden dit maar al te duidelijk. Ongelukkigerwijs beschikken we niet over genoemd werk van Kautsky, zodat we ons moeten behelpen met de citaten, die in “Die Marxsche Geldtheorie” van Block voorkomen. Kautsky wijst op de onmogelijkheid “voor ieder product het bedrag aan arbeid te berekenen, die het vanaf het eerste begin tot volledig eindproduct inclusief transport en andere nevenwerkzaamheden gekost heeft”. (“Prol. Rev.”, blz. 318).

In werkelijkheid komt hier de centralist om de hoek kijken, die vanuit de hoge hoogten wil vaststellen, hoeveel verdinglijkte menselijke energie een product op z’n lange weg van deel-arbeid in het productieproces heeft opgenomen. Dat dit langs deze weg volkomen onmogelijk is, geven we graag toe. Maar bij de maatschappelijke productie gaat het om heel wat anders. In de keten van deel-arbeid, die we maatschappelijk productieproces noemen, heeft ieder afzonderlijk bedrijf een “eindproduct”, dat dan als productiemiddel in de andere bedrijven overgaat. Ieder bedrijf afzonderlijk kan zeer goed de gemiddeld benodigde arbeidstijd voor haar “eindproduct” berekenen. Het doet dit op de doodgewone wijze, door de slijtage van z’n “vaste” productiemiddelen, z’n verbruik aan “circulerende” productiemiddelen en de direct verbruikte arbeidskracht per productseenheid vast te stellen, alles uitgedrukt in uren. Bijvoorbeeld:

productiemiddelen
Vast Pm+Circ. Pm
machines enz.+grond- en hulpstoffen+Arbeidskracht=product, of
1.250 arb. uren+61.250 arb. uren=62.500 arb. uren=40.00 paar schoenen=3,125 uur per paar.

Het resultaat van deze berekening is een bedrijfsgemiddelde dat uitdrukt, hoeveel arbeidsuren in een ton kolen, een kubieke meter gas, een paar schoenen enz. steken. Deze productiefactoren zijn (afgezien van foutieve schattingen in de beginperiode) volkomen exact. Dit “eindproduct” vloeit eventueel als Pm aan een andere bedrijf toe, dat volgens hetzelfde productieschema werkt. Ieder bedrijf verkrijgt een volkomen exacte berekening van zijn “eindproduct”. Dat dit niet alleen geldt voor de bedrijven, die slechts één massaproduct voortbrengen, maar dat dit ook geldt voor alle afzonderlijke onderdelen in een bedrijf, weet ieder, die de huidige bedrijfscalculatie van de kapitalistische productie kent (a). De arbeidstijd van het totaal-eindproduct, dat Kautsky vanuit z’n economische centrale niet kan berekenen, is in werkelijkheid niets anders dan het gemiddelde van het “eindbedrijf”. De berekening geschiedt volkomen exact in ieder afzonderlijk bedrijf en dus ook in het “eindbedrijf”, dat dan het totaal aan verdinglijkte energie te voorschijn brengt. Deze tijdsberekening bouwt zich uit deel-processen op en ligt volkomen in handen van de producenten.

Kautsky zit met de hele tijdsrekening in z’n maag, want hij vervolgt dan:

“En welke arbeid zou men moeten berekenen? Toch niet die, welke het product werkelijk gekost heeft. Dan zouden verschillende exemplaren van dezelfde soort verschillende prijzen dragen, die welke onder ongunstige omstandigheden gemaakt worden een hogere dan de andere. Dat zou absurd zijn. Ze zouden alle dezelfde prijs moeten dragen en deze zou dan niet naar de werkelijk besteedde arbeid berekend moeten worden, maar de maatschappelijk noodzakelijke arbeid. Zou het gelukken, dit voor ieder product vast te stellen?”
(“Die prol. Rev.”, blz. 318).

Inderdaad. Het zou absurd zijn, als gelijksoortige bedrijven hun product tegen verschillende “prijzen” in de consumptie gaven. Maar het probleem is direct opgelost, als we de maatschappelijk gemiddelde tijd berekenen.

Hebben de bedrijven zo de gemiddelde tijd voor hun product berekend, dan is de Marx’se eis, dat het maatschappelijk gemiddelde bepaald moet worden, nog niet vervuld. Hiertoe moeten de gelijksoortige bedrijven met elkaar in verbinding treden. Zo moeten voor ons voorbeeld alle schoenfabrieken uit hun gemiddelde het totaal-gemiddelde bepalen. Komt het ene bedrijf op 3 uur per paar, en ander op 3½ en weer een ander op 3¼, dan is de maatschappelijk gemiddelde arbeidstijd van een paar schoenen 3¼ uur.

We zien dus, dat de eis, de maatschappelijk gemiddelde arbeidstijd voor ieder product te berekenen, al direct voert tot de horizontale aaneensluiting van de bedrijven, die nu echter niet voltrokken wordt door een staatsbeambtenapparaat, maar van onderen op uit de bedrijven zelf groeit. Het hoe en waarom is voor ieder arbeider volkomen duidelijk, “doorzichtig”, en de eis van volkomen openbare boekhouding stelt alles onder de controle van de samenleving.

Dat de verschillende bedrijven op een verschillend gemiddelde komen, is de uitdrukking van het feit, dat de productiviteit van de bedrijven verschilt, wat ontstaan mag uit de betere of slechtere conditie van het “dode” en “levende” deel van ieder afzonderlijk bedrijf. Klopt dus de berekening van het “schoenen-kartel” als geheel (Pm + A = 3¼ uur per paar), zo klopt dit niet voor ieder bedrijf afzonderlijk. Het bedrijf, waar 3½ uur in een paar schoenen steekt, geeft zijn product toch tegen 3¼ uur in de consumptie. Voor dit bedrijf ontstaat dus een “tekort”, waardoor het zijn vernietigde arbeidskracht niet kan reproduceren. Anderzijds zijn er bedrijven, die boven de gemiddelde productiviteit uitkomen, waardoor ze een “overschot” te boeken krijgen, d.w.z. dat ze meer energie aan de samenleving kunnen onttrekken, dan ze in het verbruik hebben gebracht. Deze verschillen heffen zich binnen het “kartel” juist op, de bedrijven met meer dan gemiddelde productiviteit dekken precies de “tekorten” van de onder-productieve bedrijven (12).

Het betreft hier dus een regeling binnen de productiegroep, door de bedrijven zelf tot stand gebracht. Tevens staat deze verrekening volstrekt niet op de wankele basis van “goede wil” of “wederkerig dienstbetoon”. De productiviteit is een exacte factor en ze kan zeer eenvoudig in getal, de productiviteitsfactor, worden aangegeven. Hoewel het niet onze taak kan zijn, hier een algemeen geldende formule te geven, waarnaar de vereffeningen geschieden, omdat dit met de aard en omvang van de bedrijven kan varieeren, zo kunnen we wel aangeven, waarom we met een van te voren vaststaand getal te doen hebben.

De productiviteit van een bedrijf wordt niet alleen bepaald door de verkregen hoeveelheid product. Het is de verhouding tussen het verbruik aan (Pm + A) en de hoeveelheid product. Is een bedrijf onder-productief, dan is de post Pm + A te hoog in verhouding tot de hoeveelheid verkregen product. Pm + A is minderwaardig en de graad van de minderwaardigheid wordt door de afwijking van de maatschappelijke gemiddelde arbeidstijd bepaald. Bijvoorbeeld.: ons bedrijf berekent een gemiddelde van 3½ uur tegen een gemiddelde van 3¼ uur. De productiviteit is omgekeerd evenredig met de benodigde tijden, zodat de graad van productiviteit voor dat bedrijf is 3¼ : 3½ = 13 : 14. De bedrijfsrekening van dit bedrijf moet daarom ten alle tijde kloppen volgens de formule (13 : 14) (Pm + A), waarmee de gemiddelde tijd wordt verkregen. Het “kartel” restitueert 1/14 (Pm + A).

Maar zoals gezegd: dit is slechts voorbeeldsgewijs. Omdat de hele productie staat op de exacte bodem van de tijdsberekening voeren hier vele wegen tot het doel. Maar altijd kan de gang van het bedrijf bij de producenten blijven berusten, zodra de productiviteit is vastgesteld, en ieder bedrijf kan zich reproduceren.

Kautsky constateert terecht, dat gelijksoortige artikelen dezelfde “prijs” moeten dragen, echter “zou deze dan niet naar de werkelijk besteedde arbeid berekend moeten worden, maar de maatschappelijk noodzakelijke arbeid”. Hierop antwoorden we: de tegenstelling, die Kautsky schept tussen de maatschappelijk noodzakelijke arbeid en de werkelijk besteedde arbeid in de afzonderlijke bedrijven, bestaat alleen in de niet-georganiseerde productie. Voor de afzonderlijke bedrijven komt het maatschappelijk gemiddelde niet overeen met de werkelijk besteedde arbeid, maar gerekend over het hele “productie-kartel” is de “prijs” nauwkeurig de werkelijk besteedde arbeid, bestaat deze tegenstelling niet, verloopt de productie volkomen volgens de formule Pm + A = maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd.

Dan vraagt Kautsky, of het zou gelukken, dit voor ieder product vast te stellen. We antwoorden hier een volmondig “ja” op, omdat ieder afzonderlijke bedrijf en iedere tak van productie de productieformule Pm + A kan verwezenlijken. Dat Kautsky er geen raad mee weer, vindt z’n grond hierin, dat hij niet ziet, hoe ieder afzonderlijk bedrijf z’n verbruik aan energie zelf betekent, en toch niet in tegenstelling komt tot de maatschappelijke noodzakelijke arbeid. De werkelijkheid is dan ook, dat hij zich nooit een concrete voorstelling heeft kunnen maken van de “maatschappelijk nodige arbeidstijd”, wat zeer natuurlijk is bij mensen die leiding en beheer uitsluitend centraal zien. Dat hij de categorie van de maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd nooit heeft kunnen vatten, of in ieder geval deze nooit concreet heeft kunnen verwezenlijken, blijkt hieruit:

“Zou het gelukken, dit (het vaststellen van de maatschappelijk noodzakelijke arbeid) voor ieder product vast te stellen? Daarbij zouden we een dubbele berekening krijgen. Het vaststellen van het loon van de arbeider zou geschieden volgens de arbeidstijd, die hij werkelijk heeft gewerkt, de berekening van de prijs van de producten naar de maatschappelijk noodzakelijke arbeid, die voor hun vervaardiging nodig is. De som van de maatschappelijk verbruikte arbeidsuren zou bij de ene zowel als bij de andere berekening dezelfde moeten zijn. Maar dit zou bijna nooit het geval zijn.”

Doordat Kautsky de tegenstelling tussen maatschappelijk noodzakelijke arbeid en het gemiddelde van de afzonderlijke bedrijven niet weet op te lossen, raakt hij hier ook in de knoei. Zodoende krijgt hij hier twee berekeningen die elkaar niet dekken. Zeer zeker dekken die twee elkaar niet in ieder afzonderlijk bedrijf, maar de productiviteitsfactor, die we hier hebben ingevoerd, geeft nauwkeurig die afwijking aan, terwijl de som van die afwijkingen voor het hele kartel altijd 0 is: dat is gerekend over het hele kartel dekken ze elkaar altijd volkomen.

Maar Kautsky heeft nog meer pijlen op zijn boog. Als hij eerst heeft verklaard, dat het onmogelijk is, het bedrag aan arbeid te berekenen vanaf het eerste begin tot volledig eindproduct dan zegt hij:

“En zou men hiermee gereed zijn, dan moet men weer van voren af aan beginnen, omdat de technische verhoudingen in de vele branches [takken] intussen veranderd zijn.”

Het is hier de oude kwaal. Vanuit zijn hoge zitplaats, waar de draden van de productie samenkomen, heeft hij alle deelprocessen nauwkeurig nagegaan en berekend, hoeveel verdinglijkte energie er in de producten steekt. Dat is dan goddank klaar! Maar nu komt die duivelse techniek… en die stuurt weer al z’n berekeningen in de war.

We zagen reeds, dat de werkelijkheid anders is, doordat ieder bedrijf een “eindproduct” levert, dat reeds de maat van de energie van het product, wanneer het alle deel-processen doorlopen heeft, verschijnt niet plotseling aan ’t eind onder het potloodje van Kautsky met de uitroep: “Hiep, hiep, hoera! Hier ben ik Pa!” maar bij ieder deel-proces is de maat van de energie al direct aangegeven.

Bij een vooruitgang van de techniek of een andere toename van de productiviteit daalt de gemiddelde tijd voor dat deel-proces. Is het product totaal-eindproduct, dan komt het “goedkoper” in de distributie en daarmee uit. Moet het nog als Pm in een ander bedrijf, dan daalt het verbruik aan Pm in dat bedrijf, d.w.z. de “onkosten” worden minder, het product wordt “goedkoper”. De schommelingen, die binnen het “kartel” te voorschijn roept [komt], worden door een wijziging van de productiviteitsfactor vereffend. Al dit soort moeilijkheden bestaan alleen voor wie de productie vanuit één centraal punt wil leiden en beheren.


III.

Overzicht van de communistische productie

De productiemiddelen (= Pm) en de arbeidskracht (= A) vormen samen de direct werkzame factoren van de productie. Uit deze samenwerking ontstaat de productenmassa, die de vorm heeft van levensmiddelen, machines, werktuigen, grondstoffen, gebouwen enz. Deze massa gaat enerzijds als ononderbroken stroom van bedrijf tot bedrijf en anderzijds gaat het op in de individuele consumptie van de producten. Is de productie op de basis van het maatschppelijk gemiddelde arbeidsuur gesteld, dan is de boekhouding van ieder bedrijf afzonderlijk en van alle bedrijven tezamen in dezelfde vorm te vatten. Laat bijvoorbeeld de totaal-productie als volgt zijn:

Pm.+A=productenmassa of,
750 miljoen+250 miljoen=1000 miljoen arbeidsuren

De arbeiders onttrekken nu door middel van hun arbeidsgeld (13) zoveel producten aan het maatschappelijk product, als met hun arbeidstijd overeenkomt, dat is 250 miljoen. Wat overblijft is de productenmassa, die 750 miljoen arbeidsuren belichamen en voor de reproductie van Pm zijn bestemd. De zakelijke reproductie van Pm en A is daarmee naar deze zijde verzekerd.

Ongetwijfeld kunnen alle bedrijven hun verbruik aan energie door de formule Pm + A berekenen. En als ze allen een “tastbaar” of “meetbaar” product leveren, dan behoefde men over communistische economie weinig meer te zeggen. Men had dan alleen een juiste verdeling van de bedrijven voor Pm en voor A te arrangeren en de productie kon vlot verlopen, terwijl ieder “de volle opbrengst van zijn arbeidskracht” kreeg, zoals dit in het aantal gewerkte uren is uitgedrukt. De arbeidstijd was dan de directe maatstaf voor het individueel te consumeren deel van het maatschappelijk product.

Maar zo liggen de dingen niet. De samenleving heeft verschillende politieke, economische en culturele organen, die geen eigenlijk “product” voortbrengen, ofschoon ze wel Pm en A verbruiken. We willen dit soort bedrijven noemen: bedrijven voor Algemeen Maatschappelijke Arbeid of Ama-bedrijven, en hebben dan verschillende economische en politieke Raden, onderwijs, ziekenzorg, “sociale” inrichtingen enz. op het oog. Het ligt voor de hand, dat deze instellingen hun Pm en de levensmiddelen voor de betrokken arbeiders aan de productenmassa van de “productieve” bedrijven moeten onttrekken. Bekijken we nog eens het schema voor de totaal-productie, dan blijkt dat in ieder geval de post van 750 miljoen arbeidsuren onaangetast moet blijven, omdat dit de hoeveelheid Pm is, om het zakelijke productieapparaat te kunnen reproduceren. Alles wat de Ama-bedrijven aan Pm en A verbruiken, rust dus op de arbeidskracht van de “productieve” bedrijven. De zaak komt hierop neer, dat deze arbeiders niet “de volle opbrengst van hun arbeidskracht” kunnen krijgen, maar dat het met zoveel verminderd moet worden, als door de Ama-bedrijven aan Pm en  A wordt verbruikt. Mag het nu schijnen, alsof hier de exacte verhouding tussen producent en product doorbroken wordt, toch is dit geenszins het geval. Doordat de hele productie op de rekeneenheid het arbeidsuur rust, gaat het er alleen om, de verhouding tussen het verbruik van de Ama-bedrijven en de arbeidskracht uit de “productieve” bedrijven vast te stellen. Hieruit laat zich volkomen exact afleiden, welk gedeelte van de opbrengst van de arbeidskracht door de Ama-bedrijven wordt geabsorbeerd, of anders gezegd: welke gedeelte van de arbeidskracht reeds in de vorm van Ama-diensten is genoten. Boekhouding over de arbeid is dus het alpha en omega van de communistische productie.

Richten we nog even in het bijzonder de blik op de “culturele en sociale” instellingen, dan springt een karakteristiek kenmerk in het oog. Het is, dat hier het “nemen naar behoefte” is verwezenlijkt (onderwijs, ziekenzorg, parken). Deze “diensten” worden “gratis” genoten, terwijl er geen economische maatstaf is, waarnaar het “product” wordt verdeeld. Met de groei van het communisme wordt dit principe steeds meer verwezenlijkt, zodat ook levensmiddelenverzorging, personentransport, kortom de voorziening van de algemene behoeften op deze grondslag komt te staan. Deze ontwikkelingsgang is een proces, dat zich voor zover het de technische zijde betreft, snel kan voltrekken.

Hoe meer de samenleving groeit, hoe meer de producten, voor de individuele consumptie bestemd, naar dit pricipe worden gedistribueerd, hoe minder de individuele arbeidstijd dus de maatstaf zal zijn voor het individueel te consumeren deel van het maatschappelijk product. Hoewel de arbeidstijd dus de rol vervult, van maatstaf te zijn voor de individuele distributie, wordt hij in de loop van de ontwikkeling vernietigd. De arbeidstijd is dus steeds de maatstaf voor het nog individueel te distribueren deel van het maatschappelijk product.

Mag de arbeidstijd zijn betekenis als maatstaf voor de distributie voor een goed verliezen (geheel verdwijnen kan hij nooit), toch blijft hij in het productieproces zelve de grondslag, waarop de productenstroom van bedrijf tot bedrijf zich beweegt. Ieder bedrijf afzonderlijk berekent zijn verbruik aan Pm en A en deze hoeveelheid energie geeft het aan een ander bedrijf door in het proces van de maatschappelijke deelarbeid. Maar daarvoor in de plaats kan het dan juist dezelfde hoeveelheid energie aan het maatschappelijk product onttrekken, om haar Pm en A te reproduceren, zodat een nieuwe arbeidsperiode voor dat bedrijf kan inzetten. Daarmee is de reproductie voor ieder afzonderlijk bedrijf naar deze zijde gewaarborgd.

Terwijl een stroom van producten van bedrijf tot bedrijf vloeit, komt ten slotte het “eindproduct” in de distributie. Waar productie en distributie in functionele afhankelijkheid staat, zo moeten beide op soortgelijke wijze zijn georganiseerd. Bij centrale productie door de staat moet de distributie noodwendigerwijze ook centraal door de staat geschieden. Productie door de samenleving legt ook de distributie in handen van de samenleving. De “associatie van vrije en gelijke producenten” maakt daarom de “associatie van vrije en gelijke consumenten” noodzakelijk. Zoals de arbeiders zich als producenten in productieorganisaties aaneensluiten, zo moeten ze zich als consumenten in verbruikscoöperaties samenbinden, ter organisatie van de distributie. Het in de bedrijven uitgegeven arbeidsgeld komt hier weer in de verzamelpunten, terwijl juist door dit arbeidsgeld niet meer aan de productenmassa onttrokken kan worden, als door het schema Pm + A is bepaald.

Boekhouding

“Denken we ons de samenleving niet kapitalistisch, maar communistisch, dan valt allereerst het geldkapitaal volkomen weg, dus ook de versluieringen, die er door binnen komen”.
(“Das Kapital”, II, blz. 287).

Moge het geld onder het communisme wegvallen, de stroom van de producten, die van bedrijf tot bedrijf vloeit, blijft en de verrekening van de afgevloeide en opnieuw toegevloeide hoeveelheden energie blijft eveneens, omdat anders het reproductieproces niet is verzekerd. De wijze, waarop deze verrekeningen plaats vinden is dezelfde als onder het kapitalisme: ze geschieden door voortdurende overschrijvingen bij de banken en het girokantoor (14). Een “bankwezen” kent het communisme natuurlijk niet, maar de functie van de Algemeen Maatschappelijke Boekhouding wordt van fundamentele betekenis. De algemene boekhouding verwezenlijkt voor het verkeer tussen de bedrijven de “geldloze samenleving” die hier mogelijk is door de exacte tijdsberekening. Hiertoe is het echter noodzakelijk dat de Centrale Raden-Regering het giroverkeer bindend stelt, zodat alle verrekeningen over het centrale girokantoor of haar filialen lopen. Tegelijk krijgt het girokantoor hiermee een andere functie: zoals de banken tegenwoordig een overzicht over een groot deel van de productie hebben, zo krijgt de samenleving door haar centrale boekhouding een algemeen overzicht over het hele bedrijfsleven. In tegenstelling tot de kapitalistische banken heeft deze boekhouding echter geen macht over het productieapparaat. Ze kan alleen de gang van zaken waarnemen, een rijkdom van gegevens samenstellen voor het economische leven en waarschuwen waar iets “fout” dreigt te gaan. Het is de hoogst denkbare centralisatie zonder het centrale beschikkingsrecht. De samenleving schept zich hiermee een orgaan, om het geheel te overzien… en te controleren.

Is de “geldloze samenleving” in het onderlinge verkeer tussen de bedrijven aldus verwezenlijkt, de producenten krijgen nog een “arbeidsgeld”, “waarvoor ze zoveel producten aan de samenleving mogen onttrekken als met hun arbeidstijd overeenkomst. Deze aanwijzingen zijn geen geld. Ze circuleren niet”.

“Hier zij nog opgemerkt, dat voorbeeld het “arbeidsgeld” van Owen evenmin “geld” is als bijvoorbeeld een entreebiljet van een schouwburg […] Het arbeidscertificaat stelt slechts vast het individuele aandeel van de producent aan de gemeenschappelijke arbeid, en zijn individuele aanspraak op het voor de consumptie bestemde deel van het gemeenschappelijke product. Maar het valt Owen niet in, de waren-productie voorop te stellen en niettemin haar noodzakelijke voorwaarden door geknutsel met geld te willen ontgaan”.
(“Het Kapitaal”, I, blz. 72).

Daarmee is ook hier de “geldloze samenleving” verwezenlijkt. De uitgave van het arbeidsgeld kan alleen geschieden door de centrale boekhouding. Van het girokantoor loopt het naar het bedrijf, vandaar naar de producent-consument, waarna het weer naar de bank verhuist (15).


Een van de gronden waardoor de economen de problemen van de communistische productie niet kunnen oplossen, is gelegen in de moeilijkheid, dat de communistische samenleving heeft, die geen tastbaar product voortbrengen en bovendien “gratis” werken. We bedoelen die bedrijven, welke we Ama-bedrijven hebben genoemd. Voor zover zulke bedrijven ook reeds onder het kapitalisme bestaan, worden de kosten daarvan uit de directe en indirecte belastingen verkregen, terwijl het huidige Rusland de weg opgaat de directe volkomen af te schaffen, om ze uitsluitend door indirecte te vervangen. De “geldloze samenleving” zal het probleem echter zonder directe of indirecte belastingen moeten oplossen (16).

We staan hier voor het feit, dat in het bedrijf niet “de volle opbrengst van de arbeidskracht” in arbeidsgeld of een andere aanwijzing op maatschappelijk product kan worden “uitbetaald”. Uit deze moeilijkheid ontspringt dan ook het Neurath’se project van één centrale producent-distribuent, waarbij dan deze centrale “toewijst” hoeveel ieder naar zijn “levensniveau” van het maatschappelijk product zal genieten. Anderen ontwikkelen hun standpunt niet zo consequent, maar toch blijft bij allen datgene, wat aan de producent ter individuele consumptie wordt “toegewezen” een greep in het duister. Echter, omtrent één ding is men het eens: om de moeilijkheid op te lossen is centraal beheer en leiding van productie en distributie noodzakelijk, terwijl van een exacte verhouding van de producent tot het maatschappelijk product in het geheel geen sprake kan zijn. Ook de projecten, zoals die van “libertair communistische” zijde ons bereiken, blijken bij nadere analyse niets anders dan het doodgewone staatscommunisme te zijn (zie bijvoorbeeld “Het universeele geluk” door Seb. Faure, uitgave “De Roode Bibl.”).

Waar hier dus een van de belangrijkste wortels van de staatscommunistische theorieën ligt, moeten we aan dit punt steeds bijzondere aandacht geven. In werkelijkheid was de oplossing van dit vraagstuk eerst mogelijk na de revolutionaire periode van 1917-1923, toen de Marx’se gedachtengang, dat “niet de staat, maar de verbinding van de vrije associatie van de socialistische samenleving” het communisme opbouwe, z’n concrete vorm kreeg in het radenstelsel. Maar nu is de oplossing dan ook mogelijk, ja zelfs eenvoudig als het bekende ei van Columbus. Om dit in te zien, moeten we het productieproces even in z’n geheel beschouwen. De samenleving brengt door haar productie producten voort in duizenderlei vorm, terwijl van deze producten is uitgedrukt, hoeveel maatschappelijk gemiddelde arbeidsuren ze belichamen. Uit deze productenmassa vernieuwen de “productieve” bedrijven hun Pm, dan nemen de Ama-bedrijven hun Pm er af, terwijl de rest van de producten door alle arbeiders tezamen wordt geconsumeerd.

Stellen we nog even het productieschema voor het totaal der “productieve” bedrijven op, dan krijgen we bijvoorbeeld:

Pm+A=productenmassa, of
750 miljoen+250 miljoen=1000 miljoen arbeidsuren

Daarnaast verschijnt nu echter een “productie”-schema voor het totaal van de Ama-bedrijven die hun behoeften uit deze productenmassa moeten bevredigen. Noemen we de productiemiddelen voor deze bedrijven Pm’ en hun benodigde arbeidskracht A’, dan krijgen we bijvoorbeeld:

Pm’+A’=“diensten”, of
45 miljoen+15 miljoen=60 miljoen arbeidsuren

Uit de productenmassa worden dus allereerst 750 miljoen arbeidsuren onttrokken voor Pm uit de “productieve” bedrijven. Van het overgebleven product gaat nu de Pm’ af voor de Ama-diensten, zodat een productenmassa overblijft, die nog A – Pm’ arbeidsuren belichaamd. Deze massa product of dit aantal arbeidsuren staat nu ter beschikking van alle arbeiders tezamen en wordt dus verdeeld over A + A’. Hiermee is direct bepaald, welk deel van het maatschappelijk product voor ieder afzonderlijk te consumeren is, namelijk:

A – Pm’
A + A’

In het bedrijf kan dus niet “de volle opbrengst van de arbeid” worden “uitbetaald”, doch slechts het (A – Pm’) : (A + A’) deel van het aantal gewerkte uren. Het getal, dat op deze wijze verkregen wordt, willen we de uitbetalings- of vermenigvuldigingsfactor noemen. Vervangen we nu duidelijkheidshalve de letters van de formule door de concrete getallen uit ons voorbeeld, dan krijgen we:

250 miljoen – 45 miljoen=205 miljoen= 0,77
250 miljoen + 15 miljoen=265 miljoen

De vermenigvuldigingsfactor blijkt dus 0,77 te zijn. Heeft de arbeider 40 uur per week gewerkt, dan krijgt hij aan arbeidsgeld 0,77 × 40 uur = 30,8 uur in het bedrijf aan arbeidsgeld uitbetaald.

Deze berekening, die zeer eenvoudig is, is mogelijk doordat alle bedrijven of complexen van bedrijven ieder afzonderlijk nauwkeurig boekhouden over hun verbruik aan productiemiddelen en arbeidskracht (Pm + A). De algemene boekhouding, die door voortdurend “gireren” de stroom van de producten registreert, beschikt op eenvoudige wijze over alle gegevens, die voor het vaststellen van de vermenigvuldigingsfactor noodzakelijk zijn, namelijk: A, Pm’ en A’. Ze worden door eenvoudige optelling in het girokantoor verkregen.

De gehele boekhouding is dus een maatschappelijke functie: het is maatschappelijke boekhouding in de volste zin van het woord. Zij is hier de ideale samenvatting van de productie geworden.

“De boekhouding als controle en ideale samenvatting van het proces (productieproces, schrijver) wordt steeds noodzakelijker, hoe meer het proces op maatschappelijke trap verloopt en zijn rein individuele karakter verliest; in de kapitalistische productie noodzakelijker dan bij het versplinterde handwerk en boerenbedrijf, bij gemeenschappelijke productie noodzakelijker dan bij de kapitalistische. De kosten van de boekhouding worden echter met de concentratie van de productie geringer naarmate ze tot maatschappelijke boekhouding verkeert.”
(“Das Kapital”, II, blz. 105).

In verband met de uiteenzettingen over de vermenigvuldigingsfactor willen we er op wijzen, hoe deze factor kleiner wordt, naarmate het communisme groeit. Is de organisatie van de productie ver genoeg voortgeschreden, dat een “productief” bedrijf over kan gaan tot het Ama-type, bijvoorbeeld de “gratis” levering van electrisch licht in de huizen, dan wordt hier dus het “nemen naar behoefte” verwezenlijkt. Dat verandert echter niets aan de bedrijfsrekening: het bedrijf blijft evengoed vaststellen, hoeveel Pm’ en A’ het verbruikt, terwijl het evengoed blijft berekenen, hoeveel arbeidsuren er per kilowatt verbruikt worden, met het oog op de levering van electriciteit, die als “circulerende” Pm in de andere bedrijven wordt opgenomen. Wat echter wel verandert, dat is het totaal aan Ama-bedrijven. De factor A van de “productieve” bedrijven vermindert, terwijl Pm’ + A’ groter wordt. Hierdoor treedt een verlaging van de vermenigvuldigingsfactor in, zodat er in het bedrijf minder “uitbetaald” wordt. Met andere woorden: de aanwijzing op het nog individueel te distribueren maatschappelijke product wordt geringen, doordat er minder individueel te distribueren valt.

Zonder nu verder op deze zaak in te gaan, willen we er alleen op wijzen, dat dit proces van vermaatschappelijking van de distributie zich niet automatisch voltrekt, maar aan het bewuste initiatief van de arbeiders is gebonden. Maar voor dit initiatief is dan ook plaats, terwijl het bij staatscommunisme met zijn centrale beheer en leiding, zonder vastgelegde verhouding van producent tot maatschappelijk product, volkomen onderdrukt moet worden, omdat eigen initiatief de leiding slechts kan belemmeren. Besluiten de arbeiders van een bepaalde stad of een bepaald productiegebied een nieuwe “sociale” instelling in het leven roepen, die alleen plaatselijke betekenis heeft, dan kunnen ze dit gevoeglijk doen, terwijl dan voor dat district de vermenigvuldigingsfactor een wijziging ondergaat. Zo ligt het vermaatschappelijken van de distributie in wezen in handen van de producenten zelf, zodat aan de bewegelijkheid van het leven z’n plaats is ingeruimd. Tegelijk springt hier in het oog, dat de groei naar een communisme een proces is, dat zich in verschillende plaatsen verschillend in snelheid kan voltrekken, terwijl de groeibaan volkomen is bepaald.

Distributie

De “associatie van vrije en gelijke producenten” voert direct tot de “associatie van vrije en gelijke consumenten”. Zo ontstaan dus coòperaties voor het verbruik van woningen, textielgoederen, voor levensmiddelen in engere zin. enzovoort. Dergelijke organisaties hebben een dubbel karakter. Het zijn distributieorganisaties, maar gezien vanuit de gezichtshoek, hoe ze in dit distributieproces tevens Pm en A verbruiken, zijn het productieorganisaties die tot het Ama-type behoren. Het “product” dat ze te voorschijn brengen, bestaat uit ’t distribueren van het maatschappelijk product. Deze organisaties hebben dus als alle bedrijven nauwkeurig boek te houden over hun verbruik aan Pm en A, terwijl terwijl ze als bedrijfsorganisatie zelf het bedrijf leiden onder directe controle van de consumenten. De coöperatie heeft een vrij nauwkeurig overzicht over het vermoedelijk verbruik van haar leden, terwijl hier ook de verlangens van de consumenten hun uitdrukking vinden, zodat ze het benodigde bij de “productieve” bedrijven aanvraagt, waarna de consument zijn individuele behoeften met behulp van zijn “arbeidsgeld” bevredigt. Zo ontstaat een geregelde stroom van producten van de bedrijven naar de consument, terwijl de gang van deze stroom onder de nauwkeurige controle van het girokantoor valt. Het bedrag aan arbeidsgeld, dat de coöperatie bijvoorbeeld per maand bij het girokantoor inlevert, moet juist overeenkomen met het bedrag dat per maand gemiddeld aan producten wordt betrokken.

Het blijkt dus, dat het arbeidsgeld zich in een vast baan beweegt: van de plaats van uitgifte, het girokantoor, naar de bedrijven, dan naar de coöperaties en vervolgens weer naar het girokantoor. Het circuleert dus niet, waarmee het z’n laatste mogelijkheid om als kapitaal of als opeenhoping van economische macht te fungeren, heeft verloren.

Controle op de productie

Behalve het registreren van de stroom van de producten verschijnt de controle op productie en distributie als wezenlijke functie van de boekhouding. We zagen reeds, hoe het girokantoor bij de distributie direct kan controleren, of de hoeveelheid product, die door de coöperatie is betrokken overeenkomt met het ingeleverde bedrag aan arbeidsgeld. De coöperatie is echter tevens een “productie”-organisatie van het Ama-type en verbruikt dus Pm en A, zodat de controle tevens op deze productiefactoren moeten vallen.

Het is zonder meer duidelijk, dat deze organisaties niet zonder meer willekeurig Pm en A kunnen verbruiken. Ze zullen dus vooraf een begroting moeten maken van de hoeveelheid Pm en A, die ze in een productieperiode verbruiken, zoals dat ook heden noodzakelijk is. Deze begroting kunnen ze niet belangrijk overschrijden: het is het raam, waarbinnen de productie zich beweegt.

De controle op de A geschiedt direct. De bedragen aan arbeidsgeld in de bedrijfsboeken en op het girokantoor moeten elkaar juist dekken.

De controle op de Pm is iets lastiger, doordat we hier tussen “vaste” en “circulerende” Pm moeten onderscheiden. Het wezenlijke kenmerk, waarnaar de Pm als vaste of als circulerende te beschouwen zijn, vinden we aangegeven in “Das Kapital”, II, blz. 127. Of ze tot de ene of de andere groep behoren, wordt bepaald door de rol, die ze in het productieproces spelen. Van de vaste Pm gaat telkens slechts een deel op het product over, terwijl de circulerende er geheel in opgaan.

De bedrijfsrekening van de “gezondheidsdienst” bijvoorbeeld zal daarom zowel in het bedrijf als op het girokantoor als algemene boekhouding dezelfde drie rubrieken hebben, namelijk: vaste Pm + circulerende Pm + A. De controle volgt onmiddellijk doordat alles wat aan Pm betrokken wordt op de betreffende post wordt geboekt. Dreigt het verbruik aan Pm (of A) de begroting te overschrijden, zo kan hiervan direct bericht gegeven worden aan de samenleving, waarna een onderzoek naar de oorzaken kan worden ingezet.

Voor de zogenaamde “productieve” bedrijven geldt hetzelfde. Daar deze echter producten voortbrengen, waarbij de hoeveelheid verdinglijkte menselijke energie is aangegeven, is hier niet alleen controle op het verbruik aan Pm en A, maar blijkt hier tevens door de verkregen hoeveelheid product of de factoren van de productieformule op haar juiste waarde berekend zijn. Hier blijkt bijvoorbeeld na enige tijd, of de slijtage aan gebouwen enzovoort te hoog of te laag berekend was, of de berekende hoeveelheid grond- en hulpstoffen en A juist was.

Bij de controle op de vaste Pm doet zich een moeilijkheid voor. Deze zijn gedurende langere tijd in het productiep[roces werkzaam en gaan eerst na 10-20 jaren in het product op. Gedurende die tijd worden ze door reparatie bruikbaar gehouden. Als ze na 10 jaar verbruikt zijn, gaat dus 1/10 der “waarde” per jaar op het product over. Dit bedrag wordt in de tijdsberekening van het product opgenomen als Pm. De nieuwe machine moet echter eerst na 10 jaar worden aangeschaft, zodat als die jaren het berekende bedrag van de verbruikte energie in het “credit” van het bedrijf verschijnt. Het bedrijf “spaart” dit bedrag dus “over” gedurende die 10 jaar. Uit de boeken kan nu blijken of deze factor juist was berekend en het girokantoor kan er op toezien, dat dit “fonds” inderdaad alleen voor Pm wordt aangewend.

Wordt zo 1/10 van de vaste Pm in het product berekend, dan klopt de bedrijfsrekening niet, doordat er ook arbeidskracht in het bruikbaar houden van de machines wordt opgenomen. Laat dit op 2% van de vaste Pm berekend zijn, dan wordt de tijdsberekening voor het product: 12% vaste Pm + circulerend Pm + A = product.Bij de nieuwe arbeidsperiode kan het bedrijf nu 2% aan onderhoud besteden, terwijl 10% wordt “bewaard”. Hiermee is het reproductieproces naar deze zijde verzekerd (op de economische moeilijkheden die dit “bewaren” meebrengt kunnen we hier nu niet ingaan).

De controle op de productie is dus volkomen. Iedere factor kan nauwkeurig worden gadegeslagen. De controle op de productie is hiermee tot z’n eenvoudigste vorm teruggebracht. Terwijl door de samenleving de stroom van producten van bedrijf tot bedrijf vloeit, vinden we op het girokantoor de voortdurende registratie van de omvorming van de energieën, waarbij blijkt, of de productiefactoren juist zijn berekend, terwijl de bewerkingen van de boekhouding buitengewoon eenvoudig zijn. De economische gang van de samenleving is zo doorzichtig, dat door de openbare boekhouding publieke controle mogelijk is.

Hoewel de productie en distributie dus volkomen in handen van de producenten en consumenten berust, heeft het economische leven de meest ideale samenvatting, die alleen door de samenwerking van de productieve krachten tot stand komt en dan ook niet anders is. De samenleving is dan de associatie van vrij en gelijke producenten, die in politiek opzicht haar hoogste uitdrukking vindt in de radenregering, terwijl ze op economisch gebied haar hoogste uitdrukking vindt in het girokantoor.

Nabetrachting

Hoewel nog vele vraagstukken nu geen behandeling kunnen vinden, doordat onze ruimte in verband met het onderwerp zeer beperkt is (bijvoorbeeld accumulatie, landbouw), menen we het principe van de “geldloze samenleving” voldoende te hebben weergegeven. Wil men ons tegenvoeren, dat dit alles slechts een “constructie” is, die met de werkelijkheid geen verband houdt, dan wijzen we dit met de meeste beslistheid terug. De basis van deze onderzoekingen berust op het empirische feit, dat bij de overname van de macht de Pm zich in handen van de bedrijfsorganisaties bevinden. De kracht van de communistische gezindheid, welke weer samenhangt met de helderheid van inzicht, wat met deze Pm moet gebeuren, zal bepalen, of zij ze ook zullen houden. Houden zij ze niet, dan gaat het naar het staatscommunisme, dat z’n hopeloze pogingen tot planmatige productie alleen op de ruggen van de arbeiders kan beproeven, zodat een nieuwe revolutie onvermijdelijk is, die dan de Pm in handen van de producenten brengt. Houden ze de Pm wel, dan is er bij de voortzetting van de productie op basis van het maatschappelijk gemiddelde arbeidsuur niets gekunsteldst. De berekening van Pm + A gaat gewoon door, evenals nu, alleen met een andere “gelijknamige noemer”. In dat opzicht draagt de oude kapitalistische maatschappij de communistische productie in haar schoot. De verrekening tussen de bedrijven, om het reproductieproces van ieder afzonderlijk bedrijf te verzekeren, gaat door overschrijving op een centraal girokantoor… evenals nu. Ook hier baart het kapitalisme de nieuwe orde. De samentrekking tussen de bedrijven is een proces, dat zich ook heden voltrekt. Wel is het waarschijnlijk, dat de groepering van de bedrijven anders zal zijn, doordat de concentratie zich naar andere gezichtspunten voltrekt. De bedrijven, die we het Ama-type noemden, is het op communistische leest schoeien van takken van bedrijf, die heden ook aanwezig zijn, maar als instrumenten van de klassenstaat fungeren. Ze worden losgemaakt van de staat en bij de samenleving ingerijd. Ook hier een verder bouwen op wat het kapitalisme reeds voorbereidde. De staat verliest hiermee z’n huichelachtig karakter dat we heden kennen. Hij staat daar voor ieder duidelijk als zuiver machtsapparaat van de dictatuur van het proletariaat. Hij zal de tegenstand van de bourgeoisie breken… maar heeft in het beheer van de productie niets te zoeken, waarmee tegelijk de voorwaarden zijn gegeven, waarop de staat kan “afsterven”.

Het losscheuren van de Ama-bedrijven van de staat, hun inrijen in het geheel van de planmatige productie, stelt meteen de eis, vast te stellen, welk deel van de opbrengst van de arbeid reeds in de vorm van “gratis” diensten is genoten, dus welk deel nog individueel gedistribueerd moet worden. We vonden hiervoor de formule (A – Pm’) : (A +A’). Ook bij de distributie zijn de organen voor de toekomst reeds in het kapitalisme aangeduid. Het coöperatiewezen heeft zich krachtig ontwikkeld. In hoeverre de huidige coöperaties als organen voor de toekomst bruikbaar zijn, is een andere kwestie, daar de distributie naar nieuwe gezichtspunten wordt georganiseerd. Zoveel is echter zeker, dat heel veel ervaring door het huidige coöperatief beheer is verzameld (17).

Stellen we daar in het kort het staatscommunisme tegenover, dan dient allereerst opgemerkt, dat het geld niet verdwijnen kan (zie Kautsky). Doordat alleen de “rijpe” bedrijven worden “genationaliseerd” werkt nog een groot deel van de productie met particulier kapitaal, zodat een andere rekeneenheid dan het geld in de productie uitgesloten is. De “warenmarkt” blijft, waarmee ook de arbeidskracht verder als “waar” moet blijven verschijnen, die zijn prijs op de “markt” verwezenlijkt. Dat wil zeggen dat ondanks alle frasen in werkelijkheid de loonarbeid niet opgeheven kan worden. De gang van de “nationalisatie” die dan de groei naar het communisme zal zijn, opent troosteloze perspectieven. Hij wordt uit de handen van de producenten naar de staatsbureaucratie verlegd, die als een log monster de productie verstart. Van uit haar centrale bureau’s bepaalt zij hoe, hoelang en tegen welk loon gewerkt zal worden.

In dit systeem zal dan de democratie door de verkiezingen voor allerlei raden de waarborg leveren dat de belangen van de massa’s worden behartigd. Deze democratie wordt echter slag op slag doorbroken doordat in werkelijkheid een dergelijke centrale leiding niet mogelijk is. De centrale leiding lost zich in werkelijkheid op in de heerschappij van vele afzonderlijke dictators, waarmee de gang van het economische leven naar de persoonlijke heerschappij van de bureaucratie wordt verlegd. Daarmee wordt de democratie tot de dekmantel, waarachter zich de werkelijke economische beheersing van de miljoenen verbergt, juist als onder het kapitalisme. In het gunstigste geval krijgen de arbeiders de zo hooggeroemde “medezeggenschap”, wat ook een versluiering van de werkelijke machtsverhoudingen voorstelt.

Wijzen we dus de opvattingen waarnaar de productie vanuit een centraal punt geleid en beheerd wordt van de hand, zo betekent dit geenszins, dat we op uitsluitend federalistische grondslag komen te staan. Waar beheer en leiding van productie en distributie bij de bedrijfsorganisaties en de coöperaties berust, zijn ongetwijfeld krachtige federalistische tendenzen aanwezig. Echter, bekeken vanuit de algemene maatschappelijke boekhouding is het economische leven één ononderbroken geheel en hebben we één centrum, vanwaaruit de productie weliswaar niet beheerd en geleid, maar zeker wel overzien kan worden. Het feit, dat alle omvormingen van de menselijke energieën in het productieproces in één lichaam tot registratie komen, is de hoogste samenvatting van het economisch leven. Of men het federalistisch of centralistisch wil noemen, hangt slechts daar vanaf, van elke kant men hetzelfde ding beziet. Het is zowel het één als het ander, waardoor deze begrippen voor het productiesysteem als geheel hun zin verloren hebben. De tegenstelling federalisme en centralisme is in een hogere eenheid opgeheven, het productie-organisme is geworden tot organische eenheid.


Noot van Piet de Bruin

a. H.J. Bock, “Basic data for setting standard costs”, in: “Manufacturing industries”, 1927, Vol. xiv, No 6, blz. 410.


Redactionele noten

1. Bedoeld: in Rusland is getracht.

2. Vladimir Lenin heeft nooit naar voren gebracht dat in de Sovjet-Unie al het communisme werd opgebouwd, wat hij juist onmogelijk achtte zolang de wereldrevolutie niet was geslaagd; het was de linkerzijde die daartoe wel wilde overgaan, maar die linkerzijde werd verslagen. Zo gesteld ging het vooral om een historisch dilemma zonder uitweg, en dus ook zonder conclusie. Pas na het overlijden van Lenin in 1924 ontstond de mythe van de “opbouw van het socialisme in één land”, aangenomen door de Russische Communistische Partij in 1925, maar niet aangehangen door bijvoorbeeld Leo Trotsky, en die mythe werd in 1927 dwingend opgelegd aan de gehele Comintern, waarmee enkel en definitief werd bewezen dat deze niets meer te maken had enig communisme, een conclusie waartoe de Hollands-Duitse Linkerzijde al jaren eerder was gekomen, juist omdat er nooit zelfs maar een poging was ondernomen een “overgang” naar het communisme te maken, toch een voorwaarde om het proletariaat op wereldschaal te mobiliseren achter een eigen vooruitzicht.

3. H.R.H.: Henriëtte Roland Holst-van der Schalk.

4. Klassenstrijd, tijdschrift onder redactie van Henriëtte Roland Holst-van der Schalk en Henk Sneevliet, verscheen 1926-1928, vervolgens voortgezet onder de titel De Nieuwe Weg.

5. Dit is een merkwaardig sociaal-democratisch argument, want zelfs als de lonen de productiviteitsstijging volgen, zoals dat gebeurde in de meest ontwikkelde landen van het kapitalisme na de Tweede Wereldoorlog, dan is er nog steeds uitbuiting omdat de arbeiders nog altijd niet beschikkken over het meer-product van hun arbeid.

6. De formulering laat de ontgoocheling zien: aanvankelijk werd er van uit gegaan dat er in Rusland inderdaad een poging werd gedaan “communisme” in te voeren, en dat het “staatscommunisme” daarvan een vorm was; pas later wordt het “staatskapitalisme” genoemd. De verwarring is nog groter doordat bijvoorbeeld Herman Gorter de genomen maatregelen in Rusland voor geheel verantwoord hield (meer zou niet mogelijk zijn geweest), maar opportunistisch voor West-Europa, waar de situatie heel anders zou zijn geweest. Het vraagstuk dat toen vooral gesteld werd, was dat van de macht, waarbij het fundamentele economische vraagstuk naar de achtergrond werd verdrongen en ook op de lange baan geschoven.

7. Het gaat om formeel “bezit”, via een staat die “eigenaar” wordt “in naam van de gemeenschap”; maar als deze staat geen economische “overgangsperiode” inluidt, of toelaat, of zelfs maar in het vooruitzicht kan stellen, dan verliest die staat het recht zich “proletarisch” te noemen. Vandaar ook dat het debat binnen de i.k.s. over De staat in de overgangsperiode steriel is gebleven. De g.i.c. gaat heen om het probleem van het louter juridische verschil tussen “eigendom” en “bezit” door de nadruk te leggen op het “beschikkingsrecht”, wat een heel ander vooruitzicht opent.

8. Bedoeld is vooral het “oorlogscommunisme” van 1918-1920, voorafgaand aan de n.e.p.

9. Wederkering dienstbetoon: verwijzing naar een boektitel van de bioloog en anarchist Pjotr Kropotkin; Wederkeerig dienstbetoon een factor der evolutie / Peter Kropotkin ; vertaald uit het Engels door Fanny Martens, ingeleid met een essay van Julius MacLeod. – Amsterdam : S.L. van Looy, 1904. – (Oorspronkelijk Engels, 1902).

10. Dit onderscheid tussen het “lagere” en “hogere” communisme komt uit de Randglossen (De kritiek op het program van Gotha) van Marx, maar omdat de g.i.c. later verzekerde dat deze tekst toen voor haar nog onbekend was, kan het alleen zijn ontleend aan Lenin’s weergave daarvan.

11. Hier stond voorslagen, een germanisme; andere correcties in dezelfde zin worden hier niet verantwoord.

12. Er wordt van uitgegaan, dat er geen toeslagen/aftrekposten zijn naargelang de productiviteit binnen een economische sector, noch tussen regio’s met verschillende productiviteit; maar dat zijn politieke beslissingen. Aanvankelijk kunnen deze verschillen groot zijn en doorberekend worden om vervolgens geleidelijk te worden uitgevlakt, waarbij het ook gaat om politieke beslissingen.

13. Het gebruik van het woord “arbeidsgeld” (in overdragende zin) is hier niet alleen erg ongelukkig, maar ook volkomen verkeerd: het gaat om distributiebonnen, die geen geld zijn en uit de circulatie verdwijnen zodra ze zijn “besteed”, en die zelfs, waar nodig of nuttig, voorzien kunnen worden van een uiterste “bestedingsdatum” waarna ze ongeldig worden om mogelijke individuele verrijking te voorkomen.

14. Girokantoor: instelling waar per postcheque of telegrafisch geld kon worden overgemaakt; sindsdien is dat technisch alleen maar eenvoudiger geworden, maar dat verandert helemaal niets aan het argument.

15. De distributiebonnen keren alleen boekhoudkundig ter controle terug naar de “bank” (dat wil zeggen naar het “girokantoor”, dat juist géén bank is); het gaat niet circuleren als geld. Bij de onttrekking aan de distributie wordt arbeidstijd van het individueel “saldo” afgetrokken zonder dat het ergens anders wordt bijgeboekt; de distribuerende instantie noteert slechts hoeveel goederen zijn afgenomen (in natura) en hoeveel gemiddeld noodzakelijke arbeidsuren, die voor de productie nodig zijn geweest, kunnen worden afgeboekt. Verderop wordt het meermalen ondubbelzinnig uitgelegd: het distributie-bedrijf meldt de boekhouding hoeveel arbeidstijd er is ingeleverd en dus uit de circulatie verdwijnt.

16. Allerlei belastingen, directe en indirecte, kunnen nog steeds worden geheven; óf dat gebeurt is een politieke beslissing, en de redenen daarvoor kunnen heel uiteenlopend zijn.

17. De coöperatieve inkoop- en distributieorganisaties van verbruikers hebben het sindsdien allang afgelegd tegen het grootwinkelbedrijf met eigen winstoogmerk; enerzijds door afpersing van de producenten, anderzijds door oplichting van de consumenten, al dan niet binnen de grenzen van de wet.


Compiled by Vico, 11 May 2017, latest additions 1 June 2017