Home | Contact | Links       
Antonie Pannekoek Archives
 

Een theoretisch vraagstuk over de oorzaak van de crises / Ant[on]. Pannekoek



Vertaling van: Theoretisches zur Ursache der Krisen [1-4] / Ant[on]. Pannekoek. – In: Die Neue Zeit, 31. Jg. (1912-1913), 1. Bd., Nr. 22, 28 Februar 1913, S. 780-792.

Bron: www.aaap.be.


Overzicht


1. De periodieke ontwikkeling van de productie

De kwestie van de oorzaken van de crisis betreft twee verschillende verschijnselen die om afzonderlijke behandeling vragen. Ten eerste, de periodieke op- en neergang van de productie in de industriële cyclus; en de eerste vraag is: Waarom moeten de krachten die uit het proces van de kapitalistische productiekrachten voortvloeien noodzakelijk leiden tot een periodieke beweging? De tweede vraag luidt waarom in deze golfbeweging de daling zo plotseling, als een val optreedt. Wanneer met betrekking tot de oorzaken van de crisis dit tweede punt wordt besproken, spelen meestal het krediet, het geld als betaalmiddel, het handelskapitaal, de speculatie een belangrijke rol om het catastrofale karakter van de daling te beschrijven. Maar de belangrijkste vraag is, waarom opleving en verval elkaar regelmatig afwisselen, de vraag naar de oorzaak van de periodiciteit zelf.

Periodieke bewegingen ontstaan in de natuur wanneer bij afwijking van een evenwichtstoestand, een kracht ontstaat die het lichaam terugtrekt in deze toestand en des te groter deze kracht, hoe groter is de afwijking zelf. Is dit verschijnsel vergelijkbaar met de periodiciteit van de productie? Op het eerste gezicht lijkt het alsof we deze vraag bevestigend moeten beantwoorden. Mensen praten immers ook in dit geval van overproductie en onderproductie; en als van alle goederen te veel is geproduceerd, treedt onmiddellijk een kracht op die probeert de afwijking op te heffen, door prijsverlaging, die een beperking van de productie tot stand brengt. De prijzen zijn de toezichthouders van de productie; de verandering leidt tot het aanpassen van de productie bij elke afwijking van de vraag. Dus de analogie is perfect; de productie als geheel stijgt afwisselend boven of beneden de behoeften van de samenleving; in de hoogste en laagste stand treedt een kracht op om de gemiddelde stand, de evenwichtspositie waarin zij de behoeften precies dekt, opnieuw te bereiken; vergelijkbaar met een slinger of een veer, moet aldus een periodieke beweging ontstaan.

Bij nadere beschouwing blijkt dat deze overeenkomst slechts schijn is. Omdat de slinger tijdens zijn terugkeer naar de evenwichtstoestand een steeds grotere snelheid bereikt vliegt hij door deze situatie heen en verwijdert zich aan de andere kant ervan; dit verschijnsel brengt het pendelen voort. Maar als de omvang van de productie van een product vermindert door het verlagen van de prijs naar normaal niveau, dan is er geen reden om deze wijziging door te geven en te leiden tot een gelijke uitslag naar de andere kant. In sociale processen treedt wel enige vertraging op, maar van handhaving van bestaande beweging en van verandering, die een belangrijke rol speelt in de fysica, hier is geen sprake. Hier lijkt het op een slinger die in een stroperige vloeistof hangt, waarin hij geen snelheid kan verzamelen; uit evenwicht gebracht, keert hij gewoon trager en trager terug. Ook de schommelingen ten gevolge van variaties in de productie ten opzichte van de vraag leiden niet tot gewone oscillaties, maar tot het verdwijnen van deze afwijkingen, en de evenwichtssituatie zelf bestaat alleen uit het gemiddelde, in de centrale positie van deze variaties.

De golfbeweging van de productie kan dus niet op soortgelijke wijze worden verklaard als bij de aard van de krachten die ontstaan met de afwijking van een evenwichtspositie. Zulke krachten vinden plaats, maar door het ontbreken van de traagheid, leiden ze niet tot periodieke bewegingen, maar slechts tot eenvoudige, langzame aanpassingen. De bepalende oorzaken liggen elders. Om ze te vinden, hoeft men alleen maar na te gaan wat de krachten moeten doen om een schommeling van de productie te veroorzaken. In de centrale positie is geen evenwicht; er is nog steeds een kracht aanwezig, anders zou deze situatie gehandhaafd blijven; de opkomst fungeert als een kracht die de productie naar boven drijft, de daling is omgekeerd een kracht die haar naar beneden drijft. Zolang de opgaande beweging duurt, is blijkbaar een stuwende kracht aanwezig, gedurende de daling een neerdalende kracht; alleen daardoor is de periodieke verandering mogelijk. De beslissende momenten in de beweging zijn niet hoge en lage productie, afwijkingen naar boven en naar beneden van een gemiddelde productie, maar het zijn op- en neergaande bewegingen. Waar de krachten vandaan komen die deze momenten begeleiden, zien we bij een beschouwing van het totale proces van de kapitalistische reproductie.


2. De reproductie van het kapitaal

Marx heeft in het tweede deel van “Das Kapital” in een tabel de voorwaarden getoond voor een voortdurende reproductie van het kapitalistische proces. Om te zorgen dat elke kapitalist altijd de productie-elementen (grondstoffen, machines, voedsel voor zichzelf en de werknemers) op de markt aantreft en iedereen daarom ook altijd zijn producten kan verkopen, moet een bepaalde proportionele verhouding tussen de verschillende sectoren van de productie aanwezig zijn. Bij enkelvoudige reproductie en de vereenvoudigde vooronderstelling dat het gehele constante kapitaal in één productieperiode wordt vernieuwd, wordt deze proportionaliteit voor de twee productiesectoren geïllustreerd met het volgende schema:

I4000c+1000v+1000m=6000 Productiemiddelen,
II2000c+500v+500m=3000 Consumptiemiddelen.

In dit voorbeeld, is een verdeling van het kapitaal aangenomen van ⅘ constant, ⅕ variabel en een meerwaarde van 100 procent; de hele meerwaarde wordt verbruikt. In dat geval treffen de arbeiders en de kapitalisten van I en II de levensmiddelen die ze willen kopen voor hun v en m precies aan in de som van 3000 van sector II, terwijl de verbruikte productiemiddelen van de twee sectoren (4000 + 2000) in de som 6000 van sector I hun vervanging vinden. Is de juiste proportionele verhouding tussen de twee afdelingen aanwezig (en ook tussen alle verdere onderverdelingen van alle sectoren), dan worden alle producten verkocht. De noodzakelijke ruil tussen de verschillende sferen vindt plaats door middel van een bepaalde, relatief kleine hoeveelheid geld als circulatiemiddel. Omdat in werkelijkheid het constante kapitaal (machines, enz.) zijn waarde slechts geleidelijk afgeeft aan het product om vervolgens in een keer met het ingezamelde geld vernieuwd te worden, is verder noodzakelijk dat gemiddeld elk jaar dezelfde hoeveelheid constant kapitaal wordt vernieuwd.

Uit dit resultaat komt als belangrijk en opmerkelijk naar voren dat hier slechts sprake is van een proportie. De cijfers van dit schema kunnen groot of klein zijn, de eenheid in het bovenstaande voorbeeld kan zijn 10 Mark, 1000 Mark, 100.000 Mark, in elk van deze gevallen, is de afzet veiliggesteld. Het is bekend dat Tugan-Baranowski dit feit in een zinloze betekenis naar voren heeft gebracht, namelijk dat in het kapitalisme de productie van consumptiemiddelen onafhankelijk is en in het onmetelijke verder kan toenemen, zonder dat dit ook maar iets te maken heeft met de beperkte menselijke consumptiebehoefte – als een doelloos, alleen maar voor zichzelf altijd draaiend en enorm groeiend machinestelsel. De werkelijke betekenis hiervan is dat de consumptie zelf als onderdeel van het productieproces fungeert. De kapitalistische productie is niet de productie voor de bevrediging van een bepaalde van buiten gegeven vraag. De vraag wordt door de productie zelf opgewekt en bepaald; ze is de behoefte van de kapitalisten aan productie-elementen, van de arbeiders aan levensmiddelen die ze kopen voor hun loon, van de kapitalisten en alle klassen die leven van de meerwaarde naar levensmiddelen en luxegoederen. De behoefte is niet een bepaalde grootheid, zoals het geval zou zijn indien de werkelijke behoefte van de mensen het doel en de omvang van de productie zou bepalen; het kapitalisme kent alleen de koopkrachtige vraag, en het geld daarvoor – schatvorming zit daarbij vaak in de weg – moet uit de productie zelf komen. De vraag neemt toe en daalt met de productie zelf, zoals zich dit zich bij stijgende conjunctuur tastbaar manifesteert.

De omvang van de productie is dus vergelijkbaar met een gewichtloos ding, dat uit zichzelf niet naar beneden of naar boven streeft en dat op elke hoogte kan zweven. Voor de omvang van de productie bestaat geen evenwichtstoestand waarheen zij bij afwijkingen zou worden teruggetrokken; of ze nu groot of klein is, ze bezit geen eigen kracht, die probeert haar te verhogen of te verlagen tot een ander bedrag; bij elke omvang kan de productie in evenwicht zijn. Daarom is de kleinste kracht van buiten voldoende, zijn de geringste secundaire invloeden in staat om de productie op een steeds grotere schaal ofwel uit te breiden ofwel te beperken. In tijden van toenemende economische herstel zijn de neiging tot het omzetten in waarde en het vertrouwen van de kapitalisten om de productie tot een ruimere omvang uit te breiden voldoende; als de winsten afnemen en het vertrouwen is geschokt, dan begint een neerwaartse beweging, een vermindering van het productievolume.

Natuurlijk blijft daarbij de omvang van de productie door natuurlijke of algemene sociale omstandigheden beperkt. Als we afzien van de natuurlijke grondstoffen, die voorlopig nog in vrijwel onbeperkte hoeveelheden te krijgen zijn, dan is er een beperking dat het kapitaal (c + v) niet boven het totaalbedrag van het beschikbare kapitaal uit kan komen, en een andere in de beschikbare beroepsbevolking, omdat (v + m), de nieuw geschapen waarde, evenredig is aan deze populatie.

Voor de productie op grote schaal, zijn de getallen van het bovenstaande schema niet van toepassing; de verhouding is nu anders. Marx behandelde ook dit geval in zijn uitleg van de accumulatie en uitbreiding van de productie.

In zijn eerste voorbeeld (deel II, p 487) veronderstelt hij:

I4000c+1000v+1000m=6000 Productiemiddelen,
II 1500c+750v+750m=3000 Consumptiemiddelen.

Als de kapitalisten I de helft van hun meerwaarde consumeren, de andere helft accumuleren, waarbij deze laatste wordt verdeeld in 400c en 100v, dan is van de 6000 aan productiemiddelen, na aftrek van 4000 + 400c voor I en van 1500c voor de vernieuwing van het constante kapitaal van II, alleen nog 100 aan productiemiddelen over uitbreiding van het bedrijf in II. De kapitalisten II moeten dus 150 van hun meerwaarde accumuleren (uiteenvallend in 100c + 50v) en de resterende 600 consumeren. Op dezelfde manier gaat het nu verder; wanneer de I altijd de helft van de meerwaarde accumuleren, blijkt dat de II steeds 3/10 van hun meerwaarde moeten accumuleren en dat dan telkens in beide sectoren de omvang met ⅒ (1) toeneemt. Het lijkt hier alsof de kapitalisten II gebonden zijn aan de verdeling van hun meerwaarde; maar dat komt slechts omdat de getallen in het schema vooraf op een bepaalde manier zijn verondersteld. In werkelijkheid kunnen alle kapitalisten een willekeurig deel van hun meerwaarde accumuleren, en de productie is dan zodanig over beide sectoren te verdelen, als voor de goede proportionaliteit noodzakelijk is. Nemen we een voorbeeld waar we eenvoudigheidshalve voor beide sectoren dezelfde verhouding c/v = 4 en m = v veronderstellen, en nemen we aan dat de helft van m wordt geaccumuleerd, dan volgt hier direct uit dat de omvang van II tot die I zich verhoudt als {v + ½m + (⅕ × ½m} tot {c + (⅘ × ½m)}, dus als 4 tot 11}

Het bijbehorende schema is dan (2):

I4400c+1100v+1100m(= 550m1 + 440mc + 110mv)=6600 Productiemiddelen,
II1600c+400v+400m(= 200m1 + 160mc +40mv)=2400 Consumptiemiddelen.

De kapitalisten I en hun arbeiders moeten dus voor 1100v + 550m1 + 110mv = 1760 levensmiddelen van II kopen, terwijl de kapitalisten II voor 1600c + 160mca).

Hoe wordt deze omzet in de praktijk gerealiseerd? Om de zaak in een zo helder mogelijke eenvoud te illustreren, nemen we aan dat er voor alle waren sprake is van dezelfde productie- en de omzettijd, zeg een jaar. Dus een jaar lang produceren allen met de gekochte voorraden, aan het eind van het jaar komen ze allemaal bij elkaar, ruilen hun goederen en slaan de elementen van de productie op, ook de levensmiddelen voor het hele volgende jaar. Deze uitwisseling wordt bemiddeld door geld, door een kleine hoeveelheid, die uiteenvalt in vele individuele aankoop- en verkoophandelingen. Marx heeft dit proces van de realisering van de waarde door het heen en weer gaan van een geldhoeveelheid herhaaldelijk beschreven; op deze manier vervangen alle kapitalisten hun constante kapitaal, door de kapitalisten I voor 4400 van elkaar, die van II kopen voor 1600 van de I; op soortgelijke wijze wordt voor de consumptie van de arbeiders 1.100 + 400 uitgegeven en voor dat bedrag levensmiddelen gekocht en in ruil daarvoor goederen van II voor consumptie geleverd. Van de voorraad en de productiemiddelen is dus 600 verkocht, van de levensmiddelen 1500; of, als men daaraan toevoegt dat de kapitalisten I 500 meer van II ontvingen, dan ze hen betaalden, om voor 500 levensmiddelen te kunnen kopen voor zichzelf, wordt het laatste getal 2000. Beide groepen hebben nog onverkochte waren, waarin nu net de meerwaarde steekt die ze anders zouden kunnen accumuleren. Maar elke groep moet verkocht hebben voordat ze de meerwaarde in handen heeft en deze opnieuw kan investeren, en deze nieuwe investering is nu juist de voorwaarde voor de verkoop.

Hier lijkt een innerlijke tegenspraak te zijn, die tot uitdrukking komt in de vraag wie de waren zal kopen, waarin de meerwaarde is belichaamd. Maar het is slechts een schijnbare tegenspraak, een contradictie van dezelfde soort, als die waarmee de schoenmakers, de kleermakers, de bakkers worden geconfronteerd op bladzijde 33 van Kautsky’s “Marx’ Ökonomische Lehren” die tegenover elkaar staan met hun waren, die ze van elkaar nodig hebben, en het geld dat ergens vandaan moet komen, om de magische cirkel te doorbreken. Want ook hier zullen tenslotte de kapitalisten I en II de nog niet verkochte waren van elkaar nodig hebben, als deze transacties maar op gang gebracht kunnen worden. In werkelijkheid wachten de kapitalisten niet angstig af totdat ze alle voorraden hebben verkocht alvorens tot nieuwe handelingen over gaan, en ze de meerwaarde als contant geld in handen hebben; zij beschouwen de meerwaarde als reeds aanwezig wanneer deze in de vorm van waren bestaat, omdat ze weten dat de goederen normaal gesproken zullen worden verkocht. Ze hebben ook een bepaalde hoeveelheid geld om voorschotten te betalen, en een deel van de meerwaarde, dat zij zelf consumeren, schieten ze zo nodig echt wel voor. Misschien hebben zij persoonlijk ook al de voorraad waren, waarin meerwaarde steekt, aan een handelaar verkocht, zodat een kapitalist I deze voorraad kan hebben gekocht.

Nieuwe ondernemingen worden opgericht, het geld wordt voor een deel door banken ter beschikking gesteld, machines worden bij de kapitalisten I gekocht, die wanneer ze het geld hebben ontvangen – en daarmee een deel van hun meerwaarde – dit op de bank zetten en daarmee de geldhoeveelheid van de bank weer volledig maken, zodat zij in feite hun nu gerealiseerde meerwaarde hebben geïnvesteerd in de fabrieken die hun producten kochten. Want zodra de speelruimte van een significante voorraad aan kapitaal aanwezig is, meestal in de vorm van bankkapitaal, waaruit voortdurend geld vloeit naar de ondernemingen, dan is in de praktijk normaal gesproken geen belemmering aanwezig voor de warenbeweging. Ook in dit geval van de accumulatie worden alle waren verkocht. En nadat alle kapitalisten hun waren hebben verkocht en de elementen voor de nieuwe productie hebben gekocht, gaat alles in het volgende jaar in zijn werk in een 10 procent grotere omvang:

I4840c+1210v+1210m(= 605m1 + 484mc + 121mv)=7260 Productiemiddelen,
II1760c+440v+440m(= 220m1 + 176mc + 44mv)=2640 Consumptiemiddelen.

In dezelfde verhouding toenemend, elk jaar ongeveer 10 procent hoger dan in het voorgaande jaar, kan het dan verder gaan, zonder op een grens te stuiten.

Het is duidelijk dat hetzelfde geldt, als de omstandigheden minder eenvoudig zijn; de rekenvoorbeelden worden moeilijker en ingewikkelder, de samenstelling van het kapitaal in II is anders dan in I; stel dat in I c = 4v, in II c = 2v. Wanneer dan elke kapitalist de halve meerwaarde accumuleert, en daarmee zijn kapitaal verhoogt, dan krijgen we het volgende getallenvoorbeeld:

I7000c+1750v+1750m(= 875m1 + 700mc + 175mv)=10500 Productiemiddelen,
II2400c+1200v+1200m(= 600m1 + 400mc + 200mv)=4800 Consumptiemiddelen.

Hier is (v + m1 + mv) I = 2800 en (c + mc) II = 2800, zodat vraag en aanbod elkaar dekken. Wanneer dan echter maar in het tweede jaar in I worden geproduceerd 7700c + 1925v, en in II met 2800c + 1400v, dan is de balans verstoord; II neemt te snel toe. In werkelijkheid wordt dan kapitaal van de ene naar de andere groep overgedragen; in dit geval kan dus de geaccumuleerde meerwaarde niet in de eigen groep blijven, maar moet deze worden herverdeeld. Dan moet de beginverhouding anders zijn, en wordt wel voldaan aan de voorwaarden door de volgende getallen:

I7528c+1882v+941m1+941m2=11292 Productiemiddelen,
II2560c+1280v+640m1+640m2=5120 Consumptiemiddelen.

I941m2= 1581 Totale accumulatie1123=898c+225vwordt in I belegd,
II640m2458=305c+153vwordt in II belegd.

Vereiste productiemiddelen

(7528c + 898c) I + (2560c + 305c) II = 11291.

Vereiste consumptiemiddelen

(1882v + 941m1 + 225v) I + (1280v + 640m1 + 153v) II = 5121.

De groei van het kapitaal in beide sectoren is strikt evenredig aan de startkapitalen, zodat die op deze manier en in deze onderlinge verhouding steeds weer opnieuw geproduceerd kunnen worden, wanneer herhaaldelijk aan het einde van het jaar de geaccumuleerde meerwaarde in de juiste verhouding tussen beide sectoren wordt verdeeld.

Men zou de vooronderstellingen nog minder eenvoudig kunnen maken, bijvoorbeeld, door een verschillende meerwaardevoet in de twee sectoren te veronderstellen, of een steeds veranderende meerwaardevoet, evenals een geleidelijke veranderende verhouding tussen c en v, om rekening te houden met de stijgende organische samenstelling van het kapitaal. Ook al mogen de voorbeelden in dat geval moeilijker op te stellen zijn, in principe bieden ze niets nieuws.

Zo blijkt dat zelfs met een zich steeds uitbreidende kapitalistische productie geen afzetprobleem aanwezig is, wanneer slechts de juiste proportie aanwezig is. Deze verhouding is echter verschillend, afhankelijk van de mate van groei van de omvang van de productie.


3. De invloed van de eenvoudige warenproductie

Een kapitalisme dat zich dus los van een verbinding met een omgeving gestaag uitbreidt, is denkbaar en mogelijk, wanneer maar steeds toenemend mensenmateriaal kan worden aangetrokken, bijvoorbeeld door transformatie van voorheen economische zelfstandige mensen in bestanddelen van de kapitalistische productie. In werkelijkheid hebben we echter niet te maken met een kapitalistische wereld, gemengd met en omgeven door een economie in natura, die hier zou zijn te vergelijken met een lege ruimte, en waarvoor het kapitalisme niet zou bestaan. Tussen beide bevindt zich als een het kapitalisme omgevende grensgebied de niet-kapitalistische warenproductie, waarmee het in een ruilverhouding staat -grensgebied is hier niet in geografische zin, maar figuurlijk opgevat. Het reproductieproces van het kapitaal blijft onvolledig en geeft een onjuiste voorstelling van zaken wanneer deze warenproductie er niet in betrokken word (b).

In dit grensgebied kunnen verschillende niveaus van de warenproductie bestaan, waarbij het dichtste bij het kapitalisme die sferen van de productie staan, die alleen voor de markt produceren, terwijl zich aan de uiterste grens mensen en volkeren bevinden die slechts een paar producten op de wereldmarkt brengen in aanvulling op hun natuurlijke economie – voor het begrijpen van het principe van het effect van de niet-kapitalistische productie, volstaat het om in de tabel van de kapitalistische reproductie de eenvoudige warenproductie op te nemen, die alleen produceert voor de wereldmarkt. Dus nemen we behalve de twee eerdergenoemde sectoren van de kapitalistische productie twee sectoren van eenvoudige warenproductie op, een voor consumptiegoederen, een voor productiemiddelen, en we gaan ervan uit dat in de waarde van de producten ⅕ van de overgedragen waarde van de verbruikte productiemiddelen (p) is, en ⅘ gevormd is door nieuwe arbeid (a), waarvoor deze kleine producenten een gelijke hoeveelheid van de consumptie verbruiken.

Als bijvoorbeeld nemen we de volgende getallen:

Ia4400c+1100v+1100m=6600Productiemiddelen
Ib220p+880a=1100
IIa2800c+700v+700m=4200Consumptiemiddelen
IIb280p+1120a=1400

De verbruikte productiemiddelen (4400c + 220p) I + (2800c + 280p) II worden vervangen door de 6600 + 1100 nieuwe productiemiddelen; verbruikte levensmiddelen (1100v + 1100m + 880a) I + (700v + 700m + 1120a) II door de 4200 + 1400 nieuwe consumptiemiddelen. Dit is de enige voorwaarde waaraan bovenstaande getallen moeten voldoen. Wat de relatie is tussen Ib en Ia, en van IIb tot IIa, wordt bepaald door de stand van de techniek en de economische structuur van de maatschappij en is daarom – hoezeer deze ook voortdurend verandert met de ontwikkeling van de technologie – voor een bepaald moment gegeven. Hoe meer van de grondstoffen in c (bijvoorbeeld granen, ruwe katoen, gesponnen garen) nog wordt geproduceerd door kleine boeren of kleinburgers, des te groter zijn de sectoren b. We hebben boven aangenomen dat van de productiemiddelen ⅐, van de consumptiemiddelen ¼ door de eenvoudige warenproductie wordt geleverd.

Ook hier kunnen de getallen in het voorbeeld grotere of kleinere absolute bedragen betekenen; ook hier is de omvang van de productie niet van buitenaf bepaald en kan zowel groot als klein zijn, zonder dat welk product dan ook niet verkocht zou kunnen worden, zolang de juiste proporties worden gehandhaafd. Ook hier is elke willekeurige uitbreiding van de productie mogelijk. Maar aan de eerder gegeven voorwaarden wordt nu een nieuwe toegevoegd. Eerder, in de zuiver kapitalistische productie, was de voorwaarde dat het kapitaal (c + v) en dat de hoeveelheid werkenden (v + m) in voldoende mate worden vergroot; alleen in de mate waarin ze toenemen, kan de productie worden vergroot. Nu is de nieuwe voorwaarde dat de gebieden Ib en IIb in dezelfde verhouding moeten worden uitgebreid, dus dat het randgebied van de eenvoudige warenproductie, dat in ruilverhouding met het kapitalisme staat, blijft groeien in omvang. Omdat de uitbreiding van de productie uitgaat van het kapitaal, omdat de accumulatie van kapitaal de drijvende kracht is en het tempo van de groei bepaalt, komen deze voorwaarden neer op het volgende: 1. dat voor een voldoende groei van het proletariaat wordt gezorgd, dus wanneer de toevloed uit de andere lagen onvoldoende is, deze wordt bevorderd door immigratie; 2. dat voor de levering van grondstoffen meer en meer bronnen worden aangeboord en dat voor kapitalistische producten steeds meer afzetmarkten worden geopend. Omdat echter de eerste voorwaarde, de koop van grondstoffen, weinig moeite kost, terwijl de tweede voorwaarde, de verkoop van zijn producten, voor elke individuele kapitalist des te moeilijker is, komt deze behoefte aan voortdurende uitbreiding van het gebied grenzend aan het kapitalisme, aan de kapitalisten tot bewustzijn als de het probleem van het scheppen van steeds nieuwe afzetmarkten.

Dit steeds verder om zich heen grijpen van de warenproductie ten koste van de economie op basis van ruil in natura, de opname van steeds meer mensen en naties in het geheel van de onderling verbonden wereldproductie, deze economische expansie is dus noodzakelijk voor het kapitalisme en domineert daarom ook de kapitalistische politiek. Vanzelfsprekend moeten de getallen in het schema ook worden aangepast in het bovenstaande voorbeeld van uitbreiding van de omvang van de totale productie. Laten we dezelfde technische vooronderstellingen nemen als hierboven, en een accumulatie van de helft van de meerwaarde. Aan het eind van elk jaar, wanneer volgens onze vereenvoudigde aanname de algemene uitwisseling plaatsvindt, moet de omvang van de sectoren b worden uitgebreid met 1/10 door het op de wereldmarkt brengen van producten die daar eerder nog niet waren, en door het toevoegen van producenten die nu voor het eerst door de wereldmarkt worden voorzien van productie- en consumptiemiddelen.

Het schema voor de warenproductie van een jaar is daarom:

Ia4000c+1000v+500m1+500m2=6000Productiemiddelen,
Ib182p+727a=909
IIa2000c+500v+250m1+250m2=3000Consumptiemiddelen,
IIb182p+727a=909

en het schema van de ruil, die de elementen van de productie voor het komende jaar voortbrengt:

Ia4000c+1000v+500m1+(400c + 100v)=6000Productiemiddelen,
Ib200p+800a=1000
IIa2000c+500v+250m1+(200c + 50)=3000Consumptiemiddelen.
IIb200p+800a=1000

Er zijn (4000c + 400c + 200p) I + (2000c + 200c + 200p) II = 7000 productiemiddelen evenals (1100c + 500m1 + 800a) I + (550v + 250m1 + 800a) II = 4.000 consumptiemiddelen noodzakelijk is. Het tweede jaar zet vervolgens de productie voort op een met ⅒ uitgebreide schaal:

Ia4400c+1100v+550m1+550m2=6600Productiemiddelen,
Ib200p+800a=1000
IIa2200c+550v+275m1+275m2=3300Consumptiemiddelen,
IIb200p+800a=1000

en aan het eind van het jaar moeten opnieuw producthoeveelheden van 20p + 80a = 100 Ib aan productiemiddelen en 20p + 80a = 100 IIb aan consumptiemiddelen worden aangeschaft, zodat de kapitalisten alle producten kunnen verkopen en de elementen voor de productie van een nieuwe uitbreiding van de productie kunnen worden aangeschaft.

Natuurlijk hoeft deze constante uitbreiding niet te betekenen dat het grensgebied van de eenvoudige warenproductie zelf groter wordt. De technisch-economische ontwikkeling, die binnen het kapitalisme een geleidelijke verandering in de verhouding van c tot v impliceert, leidt er ook toe dat het kapitalisme zelf zich meer en meer uitbreidt ten koste van het grensgebied en dat de buitengrens aan de rand steeds verder naar buiten verschuift, hetzij door het vervangen van de primitieve gereedschappen door machines of door transformatie van onafhankelijke producenten in thuiswerkers.

4. De oorzaken van de wisselende conjunctuur

De op- en neergaande beweging van de conjunctuur blijkt na het voorgaande niets vreemds: de absolute omvang van de productie is binnen ruime grenzen onbepaald en willekeurig. Resteert een uitleg van de keerpunten; waarom genereert elk van deze bewegingen na verloop van tijd krachten die leiden tot afremmen en tot ommekeer? De kracht die op het laagste niveau van de productie werkzaam is, is duidelijk: de tendens van het kapitaal om waarde in geld om te zetten. Tijdens de depressie, hoopt zich kapitaal op, deels gered van de vorige crisis, deels geaccumuleerd uit de meerwaarde. Dit kapitaal dringt aan op investeringen – wat tot uiting komt in de lage rentevoet – het vereist een uitbreiding van de productie; daarom worden ondernemingen opgericht, en zo begint de opwaartse beweging. Wat boven theoretisch werd weergegeven in de vorm dat een onzekere schaal van de productie, aangezien de vraag wordt bepaald door de productie zelf, treedt hier praktisch zo naar voren dat elke nieuwe onderneming een nieuwe vraag naar productiemiddelen en levensmiddelen genereert, en daarmee verdere opgaande beweging veroorzaakt. Het algemene vertrouwen, de optimistische ondernemingszin die heerst op het moment van stijgende conjunctuur, wordt vaak voorgesteld alsof iedereen zich domweg laat meeslepen door de stemming van de massa, gedachteloos met de grote massa, als echte kuddedieren, vergelijkbaar met de beursspeculatie – en dus dat vervolgens in de crisis ieder zijn loon krijgt voor deze stommiteiten. Maar hier blijkt juist dat het niet alleen gaat om een mentale besmetting zonder materiële grondslag; als de anderen ondernemingen oprichten, dan wordt juist daardoor de materiële basis voor nieuwe opgaande beweging gelegd. De kracht, die in de groeiende conjunctuur het niveau van de productie doet stijgen, bestaat uit het niveau van de prijzen, dat door de groeiende vraag hoger is dan dat van de normale productieprijzen en dat daarom ook de winstvoeten verhoogt.

Deze opwaartse beweging zou beschouwd kunnen worden als een deel van de normale opwaartse beweging van de maatschappelijke productie, die wij in het schema van productie op grotere schaal weergeven. De vraag rijst dan alleen waar vandaan de krachten komen die deze opwaartse beweging na enige tijd stoppen en dwingen tot een omslag. Zulks is te vinden in de hierboven vermelde omstandigheden die de productie op een hogere schaal moeten begeleiden en die optreden als barrières voor de ontwikkeling als er niet aan wordt voldaan. In deze negatieve vorm worden ze genoemd: gebrek aan werknemers, gebrek aan voldoende grondstoffen, het ontbreken van afzetmogelijkheden.

Daarbij kan nog een vierde komen. De beweging van de opgaande conjunctuur is niet slechts een stukje van de algemene expansie van de productie gebaseerd op de accumulatie. Ze is sneller, omdat de productie niet in dezelfde mate toeneemt als het kapitaal groeit door accumulatie, maar ze neemt toe in dezelfde mate als waarin het eerder braakliggende kapitaal in de productie wordt gegooid. Als de productie voortdurend op dezelfde schaal zou moeten groeien, dan zou het kapitaal in hetzelfde tempo moeten toenemen; maar wanneer het voorheen braakliggende kapitaal op raakt, dan is het de vraag of de accumulatie van nieuwe meerwaarde voldoende vervanging biedt omdat op hetzelfde moment steeds meer circulatie van geld nodig is. Dus in dit geval zal bijkomend een tekort van het kapitaal ontstaan, dat geleidelijk de voormalige overvloed vervangt, wat tot uitdrukking komt in een stijgende rentevoet.

Natuurlijk betreft het in alle vier gevallen geen absoluut tekort. Lang voordat dit zou kunnen gebeuren, treedt een relatief tekort op, een geleidelijk oplopende moeilijkheid, die de winstvoet drukt en de mogelijkheden tot realisatie van het kapitaal geleidelijk aan verslechtert. (We laten de vraag liggen of hierbij een daling van de winstvoet komt als gevolg van de stijgende organische samenstelling van het kapitaal, waarvan de beantwoording een aantal problemen met zich meebrengt). Ook wanneer voldoende arbeiders aanwezig zijn, dan stelt het wegvallen van de druk van de werkloosheid tijdens de stijgende conjunctuur, de vakbonden in staat om de lonen te verhogen; als deze de stijging van de prijzen te boven gaat, dan betekent dit een verlaging van de meerwaardevoet. De productie van agrarische grondstoffen kan zich over het algemeen ook niet zo snel uitbreiden, dat ze voldoet aan de eisen van de hoogconjunctuur; hun prijzen stijgen (c). De noodzaak om de markt uit te breiden en verder afgelegen afzetgebieden te zoeken, verlengt de doorlooptijd en verhoogt de circulatiekosten (waarbij de noodzaak om het kapitaal overeenkomstig te vergroten, de schaarste aan geld doet toenemen), vermindert dus ook de winst; en tot slot, wanneer de markt niet in hetzelfde tempo is uit te breiden, treedt stagnatie van de afzet op. De laatste twee remmende werkingen komen voort uit de samenhang van de kapitalistische met de niet-kapitalistische warenproductie.

Op deze manier leidt de oplopende conjunctuur tot belemmeringen, die tot uiting komen in de daling van de winstvoet. Deze daling moet noodzakelijkerwijs leiden tot een beperking van de geneigdheid tot ondernemen, voor zover dit niet reeds door het gebrek aan kapitaal het geval is. Dit betekent dat het tempo van de uitbreiding van de productie vertraagt. En deze vertraging wordt de oorzaak van verdere veranderingen. Nu wendt de wet achter het reproductieschema, die tot nu toe alleen verscheen van de voor de kapitalisten voordelige kant – als de mogelijkheid van een onbeperkte uitbreiding van de productie –, zich tegen dezelfde kapitalist. Want het schema vereist een zekere proportionaliteit, die voor elk ritme van de uitbreiding verschillend is. Een vertraging van het ritme leidt er dus toe dat de noodzakelijke proportie van de productie wordt verstoord.

De betekenis van de storingen van de proportionaliteit van de productie als oorzaak van de crisis is van verschillende kanten erkend en uitgelegd. Tugan-Baranowski maakt haar zelfs tot de enige oorzaak van de industriële cyclus. Hij wijst erop dat uiteindelijk elke proportionaliteit zoek raakt door het lukraak oprichten van nieuwe ondernemingen, zonder aandacht te besteden aan de vraag, slechts geleid door speculatie-overwegingen. De crisis dient volgens hem om de juiste proportionaliteit weer tot stand te brengen (d). Bij hem ontstaat het gebrek aan proportionaliteit uit een soort van willekeur, of beter gezegd, het zou toevallig zijn als de juiste proportionaliteit zou optreden. Uitgaande van deze verklaring kan men zich afvragen waarom deze onevenwichtigheden niet reeds eerder naar voren zijn gekomen en tot stagnatie van de bedrijvigheid geleid hebben. Hilferding zoekt de oorzaak van de plaatsvindende disproportionaliteit in het feit dat de technische vooruitgang in de bedrijfstakken met de hoogste organische samenstelling groter is dan elders, en dat deze daarom een sterkere aantrekkingskracht op het nieuwe kapitaal uitoefenen (e). Het lijkt ons twijfelachtig dat de basisveronderstelling dat de meeste nieuwe uitvindingen plaatsvinden op de plaats waar de technologie al het hoogst ontwikkeld is, echt kan worden beschouwd als een universele wet. En het is niet nodig om deze uitleg te aanvaarden, omdat behalve de door ons aangenomen algemene oorzaak van de storing van de proportionaliteit, die bestaat uit een overmaat van productiemiddelen, nog een bijzondere reden voor een overproductie van productiemiddelen bestaat, die door verschillende auteurs is benadrukt en die ook door Hilferding wordt behandeld: de reproductie van het constante kapitaal.

De reproductie van het constante kapitaal vindt storingsvrij plaats, wanneer elk jaar evenveel daarvan worden vernieuwd, dat wil zeggen de afschrijvingen die worden opgebouwd als de aan het product afgegeven waarde (slijtage), en het bedrag dat zal worden besteed aan nieuwe aanwinsten voor maatschappij als geheel, met elkaar overeenstemmen. Maar in de praktijk wordt aan deze voorwaarde niet voldaan. Juist vanwege het bestaan van de industriële cyclus, is de vernieuwing van constant kapitaal niet in alle jaren gelijkmatig. In tijden van toenemende economische bedrijvigheid worden overal nieuwe productiemiddelen ingezet; de productie ervan concentreert zich in deze eerste jaren van hun veel langere levensduur. Het relatieve aandeel van de productie van de productiemiddelen in de totale productie moet dan ook veel hoger dan gemiddeld zijn in de jaren van de opleving, ook wanneer het mogelijk zou zijn dat de uitbreiding van de productie in hetzelfde tempo zou voortschrijden. Vandaar dat in dit deel van de productie een verergering van de afzetproblemen moet ontstaan die is geworteld in een disproportionaliteit. Ze kan echter niet gerekend worden tot de voornaamste oorzaken van crises omdat ze reeds het bestaan van de periodiciteit van de productie veronderstelt; zou deze niet om andere redenen onvermijdelijk zijn, dan is het denkbaar dat de vernieuwing van het constante kapitaal zich gelijkmatig zou uitstrekken over alle jaren; maar nu fungeert ze als een kracht die de andere crisis veroorzakende krachten enorm versterkt.

Een verstoring van proportionaliteit, waarvan we hebben gezien dat deze een noodzakelijk gevolg is van de uitbreiding van de productie, betekent dat de ruil van de producten niet meer volledig kan worden uitvoeren; betekent dat een deel van het product onverkoopbaar wordt. Maar daar blijft het niet bij. Nu zet zich de wetmatigheid in het schema van de reproductie door die zegt dat de vraag en de productie nauw samenhangen, en wel in een tegenovergestelde richting als voorheen. Als gevolg van onverkoopbare worden van een deel van de producten ergens een fabriek wordt stilgelegd, dan betekent dat een vermindering van de vraag, een niet langer verkoopbaar worden van nog meer producten die anders bestemd waren voor deze fabriek en voor haar arbeiders. Beperking van de productie betekent dus een steeds verdere beperking van de productie. Alleen al het vertragen van het tempo van de uitbreiding van de productie volstaat dus als een kracht om de gehele productie tot een omslag brengen en de expansie om te keren in een voortschrijdende vermindering van de productie. Daarbij verergert zich de kracht van disproportionaliteit enorm, aangezien tijdens een vernauwing van de productie een heel andere proportionaliteit moet heersen dan tijdens een expansie. Hier zien we de andere kant van de onafhankelijkheid van het productievolume van een externe oorzaak; het kan niet slechts steeds hoger worden, maar ook steeds meer verminderen en verschrompelen. De kracht die het reduceert is een daling van de prijzen en dus van de winsten door het gebrek aan vraag. Net zoals in de tijd van de opleving sprake was van onderproductie ten opzichte van de vraag, is er overproductie in de periode van verval. Ze is algemeen, omdat de productie achterloopt op een daling van de vraag; de opvatting van de verkondigers van harmonie dat overproductie alleen denkbaar als verstoring van de proportie (wat echter, zoals hierboven uiteengezet, ook mogelijk is) en altijd tegelijkertijd onderproductie in een andere tak betekent, is dus verkeerd.

In de praktijk is echter weinig te merken van de actie en reactie van deze krachten en fenomenen tijdens de daling van de productie, omdat deze daling maar zelden geleidelijk plaatsvindt. Door de bijkomende effecten van krediet en speculatie vindt de daling meestal plaats als een snelle ineenstorting in de vorm van een crisis. Het mechanisme van dit proces is herhaaldelijk beschreven en behoeft hier niet onze aandacht.

Waar het hier om gaat is het volgende: de industriële cyclus is geen zwenken rond een gemiddelde dat bepaald zou worden door welke behoefte dan ook. Hij is de afwisseling van snelle expansie, en nog snellere meestal crisismatige beperking van de productie, beide bewegingen die alleen daarom tot stilstand en tot ommekeer komen, omdat ze secundaire krachten genereren, die dezelfde uitwerking hebben als een lichte schok tegen een gewichtloos stijgend en dalende voorwerp. Het is daarom sterk afhankelijk van bijkomende omstandigheden hoe snel deze krachten werkzaam worden. Naargelang algemene oorzaken investeringsbereidheid dempen of bevorderen, wordt in het ene geval (zoals in de jaren 1880) elke opleving snel verlamd, zodat men nauwelijks uit de algemene depressie komt, in het andere geval (zoals in de afgelopen decennia) is elke crisis slechts een tijdelijke onderbreking van een aanhoudende welvaart. Kautsky wees onlangs (f) op de goudproductie als oorzaak van deze grote variatie in de conjunctuur. Onze uiteenzettingen kunnen worden gebruikt om de juistheid van zijn verklaring nog verder te onderstrepen. Want zij laten zien hoe het opduiken op de markt van steeds nieuwe en grotere hoeveelheden goud, die optreden als vraag naar goederen zonder te hoeven verkopen, een buitengewoon prikkelde en stimulerende uitwerking moet hebben op de gehele productie.


Noten van Anton Pannekoek

a. Kameraad Luxemburg komt in haar onlangs gepubliceerde werk “Die Akkumulation des Kapitals” bij de behandeling van hetzelfde probleem tot een tegenovergestelde conclusie; zij meent hierin een door Marx onopgehelderd probleem te zien, een innerlijke tegenspraak van de reproductie op uitgebreide schaal, die naar voren komt in de vraag: waar zijn de kopers van goederen te vinden waarin de meerwaarde is vervat? Wij beschouwen haar opvatting als onjuist; het reproductieschema toont aan dat hier geen sprake is van een probleem. (Zie ook onze bespreking van dit werk in de Bremer Bürgerzeitung, 29-30 januari 1913).

b. Ook het werk van kameraad Luxemburg vestigt de aandacht op het belang van dit ruilverkeer met niet-kapitalistische producenten. Echter worden hiervoor andere redenen gegeven: dit verkeer zou noodzakelijk zijn om de voornoemde interne tegenstelling van de reproductie op grotere schaal op te lossen. Aangezien een dergelijke tegenstrijdigheid echter, zoals onze uiteenzetting laat zien, niet bestaat, vervalt ook deze rechtvaardiging van de noodzaak van een dergelijke omgeving voor het kapitalisme.

c. Al deze aspecten, evenals de andere, die samengaan met de verandering in de conjunctuur en die een rol spelen als actieve krachten, zijn beschreven in Hilferdings Finanzkapital. Daarom hoeven we de details hiervan hier niet weer te geven.

d. Zie Tugan-Baranowski, Studien zur Theorie und Geschichte der Handelskrisen in England, p. 250-251.

e. Hilferding, p. 324 tot 325.

f. K. Kautsky, Die Wandlungen der Goldproduktion und der wechselnde Charakter der Teuerung (Ergänzungsheft zur “Neuen Zeit”, Nr. 16).

Redactionele noten

1. Volledigheidshalve volgt hier Marx’ schema voor de uitgebreide reproductie:
I. 4400c + 1100v + 1100m = 6600
II. 1600c + 800v + 800m = 3200
(MEW, Bd. 24, p. 506-507).

2. Marx’ schema is anders, zie: m.e.w., Bd. 24, p. 506.


Vertaald uit het Duits door Fredo Corvo, 18 juni 2016


Compiled by Vico, 18 June 2016