Home | Contact | Links       
Antonie Pannekoek Archives
 

Thema : De economische oplossing voor de overgangsperiode van kapitalisme naar communisme


Wat is communisme? / Paul Mattick


Bron: International Council Correspondence. – Chicago : United Workers Party, Vol. 1, 1934, N° 1, October


In het communisme is het productieproces niet langer een proces van kapitaalexpansie, maar slechts een arbeidsproces waarin de maatschappij aan de natuur de consumptiemiddelen onttrekt die ze nodig heeft. Niet langer worden waarden geproduceerd, maar alleen gebruiksartikelen. Als een economisch criterium, waarvan de noodzaak niet valt te ontkennen, aangezien zowel de productie als het productieapparaat in overeenstemming moet worden gebracht met de maatschappelijke behoeften, is het enige dat nog steeds van dienst kan zijn, de arbeidstijd die gebruikt wordt in de productie van goederen. Het is niet langer de ‘waarde’, maar de berekening in termen van het gebruiksartikelen en de directe arbeidstijd die nodig is voor de productie ervan, die de noodzakelijke uitdrukkingsvorm is van een gereguleerde communistische economie.

En daarom kunnen, vanuit het standpunt van het marxisme, de Russische experimenten in planeconomie niet worden beoordeeld als socialistisch. De Russische praktijk is niet ingericht op basis van communistische principes, maar volgt de wetten van de kapitalistische accumulatie. We hebben hier, ook al is het in gewijzigde vorm, te maken met een meerwaardeproductie onder de ideologische dekmantel van de “socialistische opbouw”. De loonarbeidsverhouding is identiek aan die van de kapitalistische productie, en vormt ook in Rusland de basis voor het bestaan van een groeiende bureaucratie met steeds meer privileges; een bureaucratie die naast de private kapitalistische elementen die nog steeds aanwezig zijn, strikt dient te worden beoordeeld als een nieuwe klasse die zich meerarbeid en meerwaarde toe-eigent. Uit de Russische ervaring kunnen geen positieve conclusies worden getrokken met betrekking tot de communistische productie en distributie. Ze biedt nog steeds slechts voorbeelden van de manier waarop het communisme niet kan worden ontwikkeld.

De doorslaggevende problemen van een communistische economie komen pas op nadat met de markt, de loonarbeid, het geld, enz. volledig is afgerekend. Het feit alleen al van het bestaan van loonarbeid betekent dat de productiemiddelen niet worden gecontroleerd door de producenten, maar tegenover hen staan in de vorm van kapitaal; en deze omstandigheid dwingt verder tot een reproductieproces in de vorm van kapitaalaccumulatie. Deze laatste is, volgens de marxistische theorie, werkzaam als een wetmatigheid van crises en ineenstorting, en tegelijkertijd betekent het de accumulatie van ellende, en vandaar dat ook de Russische arbeiders daadwerkelijk armer worden in hetzelfde tempo als het kapitaal accumuleert. De productiviteit van de Russische arbeiders stijgt sneller dan hun loon; van het toenemende maatschappelijke product krijgen ze relatief een steeds kleiner aandeel. Volgens Marx is deze relatieve verpaupering van de werkende bevolking in de loop van de accumulatie is slechts een fase van de absolute verpaupering; het is slechts een andere uitdrukkingsvorm van de toenemende uitbuiting van de arbeiders, en het is uiteindelijk nauwelijks mogelijk deze voor te stellen als de “groei van het socialisme”.

De kern van de bolsjewistische “theorie van socialisatie” kan als volgt worden weergegeven: Met de revolutionaire omverwerping, dat wil zeggen de onteigening van het kapitaal, gaat de macht over de productiemiddelen en daarmee de controle over de productie en de distributie van de producten over in de handen van het staatsapparaat. Dit laatste organiseert dan de verschillende bedrijfstakken in overeenstemming met een plan en stelt ze, als een staatsmonopolie, ten dienste van de maatschappij. Met behulp van statistieken, berekent en bepaalt de centrale autoriteit de omvang en de aard van de productie, als ook de verdeling van de producten en producenten.

Zeker, de productiemiddelen zijn hier overgegaan uit de handen van de particuliere ondernemers in die van de Staat; voor de producenten is echter niets veranderd. Evenmin als onder het kapitalisme voeren ze zelf het bevel over de producten van hun arbeid, omdat ze nog steeds geen controle hebben over de productiemiddelen. Net als voorheen, bestaan hun enige bestaansmiddelen uit de verkoop van hun arbeidskracht. Het enige verschil is dat ze niet langer te maken hebben met de afzonderlijke kapitalist, maar met de totale kapitalist, de staat, als koper van de arbeidskracht. In de geest van de bolsjewistische theoreticus, net als in die van de sociaal-democraat, heeft het monopoliekapitalisme reeds de productie “rijp voor socialisatie” gemaakt; het enige wat nog moet gebeuren is aan de distributie een “socialistische” vorm te geven. Het doorslaggevende aspect van de zaak is hier de organisatorisch-technische kant van het productieproces; die al ontwikkeld is door het monopoliekapitalisme of daarvan is te kopiëren, in plaats van de ware fundamentele factor van de communistische economie: de economische relatie tussen product en producent.

De opvatting dat het enkel centraliseren van de productiemiddelen in handen van de staat is te beschouwen als socialisatie, sloot de praktische toepassing uit van een boekhoudkundige eenheid die past bij een communistische economie. Zonder ook maar enige vorm van boekhouding, waarmee een ononderbroken economisch proces ter vervanging voor de geldeconomie mogelijk was geweest, was de gecentraliseerde macht over maatschappelijke productie en distributie in de Russische pogingen tot een ??economie in natura tijdens de periode van het “Oorlogscommunisme” een volledige mislukking. De geldboekhouding moest worden hersteld.

Onder het kapitalisme verschijnen de productiemiddelen (pm) en arbeid (a) als constant (c) en variabel (v) kapitaal. De waarden c +  v kunnen alleen dan kapitalistisch worden toegepast zolang zij meerwaarde (m) produceren. De kapitalistische formule voor productie is c + v + m. Alleen omdat pm + a verschijnen als c + v, is het mogelijk om m te bereiken. Als c + v wegvalt, doet dat m dat ook, en vice versa. Wat overblijft is de concrete, materiële vorm van c + v, dat is pm + a, de productiemiddelen en arbeid. De communistische formule van de productie is pm + a.

De ontwikkeling van de pm en a gebeurt in elke samenleving; het is niets anders dan de “materiële interactie tussen mens en natuur”. De formule c + v + s is echter historisch gebonden aan de kapitalistische maatschappij. Terwijl in het kapitalisme alleen de belangstelling in m de ontwikkeling van c + v bepaalt, aangezien hierin de noodzaak van de uitbreiding van het kapitaal voorrang heeft op de sociale behoeften, zijn het daarentegen onder het communisme slechts de maatschappelijke behoeften die de ontwikkeling van de pm + a bepalen. De formule c + v + s veronderstelt ruil tussen de eigenaren van c + v en de eigenaren van de a. Als c + v ontbreekt, dan ontbreekt ook deze ruil. Pas wanneer pm hebben opgehouden om de arbeiders tegenover te treden in de vorm van kapitaal, wanneer ze alleen een instrument van de maatschappij zijn en anders niets, pas dan is het mogelijk om te spreken van een communistische economie. De arbeidstijd als rekeneenheid zou dan een dubbele rol in de communistische economie spelen:

“Laten wij, ter vergelijking met de warenproductie, veronderstellen dat voor iedere producent het aandeel in de bestaansmiddelen bepaald wordt door zijn arbeidstijd. De arbeidstijd vervult dan een dubbele taak. Enerzijds regelt de maatschappelijke planmatige verdeling van de arbeidstijd de juiste verhouding tussen de verschillende soorten arbeid en de verschillende behoeften. Anderzijds doet de arbeidstijd tegelijkertijd dienst als maat voor het individuele aandeel van de producenten in de gemeenschappelijke arbeid en derhalve ook voor het individuele aandeel in het te verteren deel van het gemeenschappelijke product. De maatschappelijke betrekkingen van de mensen tot hun arbeid en tot de producten van hun arbeid blijven hier zowel in de productie als in de verdeling duidelijk en eenvoudig.” (Het Kapitaal, Deel I, hfdst. 1) (1).

Om het maatschappelijk gemiddelde arbeidsuur als de rekeneenheid van de communistische maatschappij toe te passen, moet het in staat zijn alle categorieën van de productie en de distributie te omvatten. Dat wil zeggen, de eenheid van het arbeidsuur moet van toepassing zijn op de kwantitatieve consumptie, de kwantitatieve reproductie en de kwantitatieve uitbreiding van de productiekrachten. Elk bedrijf moet het aantal arbeidsuren die het verbruikt bepalen, zodat ze in dezelfde orde van grootte kunnen worden vervangen. Berekening met arbeidsuren is niet moeilijk, omdat alle voorwaarden daartoe al zijn geschapen door de kapitalistische kostenberekening. In het bijzonder heeft het kapitalistische proces van rationalisatie rekenmethoden uitgewerkt die in staat zijn tot het verkrijgen van de kostprijs van zowel het geheel alsook van het fijnste detail. En terwijl deze rekenmethoden tegenwoordig zijn verbonden met de gemeenschappelijke noemer van het geld, zal hun omzetting naar het arbeidsuur zonder problemen kunnen plaatsvinden.

De productieformule van elk bedrijf, dus ook die van de maatschappij als geheel, is heel eenvoudig. We hebben het al als volgt gezegd: pm + a = product. Met behulp van de productiemiddelen, produceert menselijke arbeid een hoeveelheid producten. We onderscheiden twee verschillende soorten productiemiddelen: de vaste en de circulerende. We verbreden onze formule volgens deze onderscheiding.

pm+g+a
machines, etc. grondstoffen, etc. arbeid
10.000 arbeidsuren 70.000 arbeidsuren 70.000 arbeidsuren

Aannemende dat deze cijfers van toepassing zijn op een schoenenfabriek:

pm + g + a = product of 10.000 + 70.000 + 70.000 = 50.000 paar schoenen in 150.000 arbeidsuren, of een gemiddelde van drie arbeidsuren wordt verbruikt in elk paar. In deze productieformule hebben we tegelijkertijd de reproductieformule voor enkelvoudige reproductie. We weten hoeveel arbeidsuren van deze fabriek werden onttrokken voor de productie van 50.000 paar schoenen. Hetzelfde aantal arbeidsuren moet dan ook worden teruggegeven aan het bedrijf. En wat geldt voor één bedrijf, geldt ook voor de hele maatschappij, die vanzelfsprekend de optelsom van alle bedrijven is. Het totale maatschappelijke product is het product van de pm + g + a van alle bedrijven. Om de productieformule van de afzonderlijke bedrijven van die van de maatschappij als geheel te onderscheiden, kiezen we hoofdletters voor het laatste. De formule voor het maatschappelijke product (MP) luidt dan: PM + G + A = MP. Er van uitgaande dat PM (de som van alle vaste productiemiddelen) 100 miljoen arbeidsuren bedraagt, bedraagt de bijbehorende Som G 600 miljoen, en met de verbruikte arbeidstijd 600 miljoen, krijgen wij het volgende voor het totale product:

PM + G + A = MP

100 + 600 + 600 = 1300

Van de totale productie van 1300 miljoen arbeidsuren, in omstandigheden van de enkelvoudige reproductie, (dat wil zeggen – als er geen uitbreiding van de productie optreedt), gaan we ervan uit dat 600 miljoen arbeidsuren worden overgedragen aan de consument in de vorm van consumptiemiddelen.

De toepassing van het maatschappelijk gemiddelde arbeidsuur als rekeneenheid veronderstelt het bestaan van arbeidersraden (sovjets). Elk bedrijf komt naar voren als een onafhankelijke eenheid en is tegelijkertijd, zoals we later zullen laten zien, verbonden met de andere bedrijven. Door de taakverdeling heeft elke fabriek bepaalde eindproducten. Met behulp van de productieformule pm + g + a kan elk bedrijf de arbeidstijd in haar eindproducten berekenen. In de schoenenfabriek bijvoorbeeld, bevat het eindproduct – (één paar schoenen) – gemiddeld drie arbeidsuren. Dit gemiddelde kan worden gevonden voor elk product in elk bedrijf. Het eindproduct van een bedrijf, voor zover dit niet voor individuele consumptie is bestemd, gaat naar een ander bedrijf, hetzij in de vorm van pm of g, en dit berekent op zijn beurt zijn eindproducten in arbeidsuren. Hetzelfde geldt voor alle productieplaatsen, ongeacht de hoeveelheid of de vorm van hun producten.

Wanneer de individuele bedrijven de gemiddelde arbeidstijd in hun producten hebben vastgesteld, moet nog het maatschappelijk gemiddelde worden gevonden. Alle bedrijven van dezelfde aard, dat wil zeggen - het maken van dezelfde soort producten, moeten contact met elkaar leggen. Van de individuele bedrijven van een bepaalde bedrijfstak, op een bepaald grondgebied, zal het totale gemiddelde van alle gegeven gemiddelden (gemiddelde van de gemiddelden) voor deze bedrijven worden afgeleid. Om een ??niet helemaal volledig voorbeeld te geven: als 100 schoenfabrieken een gemiddelde behalen van drie uur, 100 andere een gemiddelde van twee, dan is het algemene gemiddelde voor een paar schoenen is 2,5 uur. De variërende gemiddelden zijn het gevolg van de uiteenlopende productiviteit van de individuele bedrijven. Alhoewel dit een aandoening is die geërfd is van het kapitalisme, en de verschillen in productiviteit langzaam zullen verdwijnen, moet in de tussentijd het tekort van het ene bedrijf worden gecompenseerd door het overschot van het andere. Vanuit het oogpunt van de samenleving bestaat echter slechts de maatschappelijk gemiddelde productiviteit. De bepaling van de maatschappelijk arbeid tijd vraagt ??om de kartelvorming van de individuele bedrijven. Aan de tegenstelling tussen de bedrijfsgemiddelde en de maatschappelijk gemiddelde arbeidstijd komt een einde in het productiekartel.

De maatschappelijk gemiddelde arbeidstijd neemt af met de ontwikkeling van de productiviteit van de arbeid. Als het product dat op deze manier “goedkoper” wordt er één is voor individuele consumptie, dan gaat dit het verbruik in met dit verminderde gemiddelde. Als het een eindproduct is dat door andere bedrijven wordt gebruikt als productiemiddel, dan gaat de consumptie van pm + g voor deze bedrijven omlaag, en daarmee gaan de productie“kosten” omlaag en daarmee wordt de gemiddelde arbeidstijd voor de producten van deze bedrijven verminderd. Het vraagstuk van de compensatie voor de ontstane variaties is aldus een zuiver technische kwestie die geen bijzondere problemen met zich meebrengt.

Als het arbeidsuur dient als maat voor de productie, dan moet het eveneens van toepassing kunnen zijn op de distributie. Een zeer duidelijke verklaring van deze maateenheid wordt door Marx gegeven in de Kritiek op het Programma van Gotha.

“In overeenstemming hiermee krijgt elke afzonderlijke producent, met in achtneming van alle afhoudingen, van de maatschappij precies zoveel terug als hij er zelf aan levert. Wat hij aan de maatschappij heeft gegeven, vormt zijn individueel aandeel in de arbeid.
Een voorbeeld: de gemeenschappelijke werkdag vormt de som van de individuele werkuren; de individuele werktijd van elke afzonderlijke producent is het door hem geleverde deel van de gemeenschappelijke werkdag, zijn part daarin. Hij ontvangt van de maatschappij een kwitantie voor het feit, dat hem zo-en-zoveel arbeid is toebedeeld (met mindering op zijn arbeid ten bate van gemeenschappelijke fondsen), en volgens deze kwitantie ontvangt hij uit de gemeenschappelijke voorraden een hoeveelheid consumptiegoederen die evenredig is aan de geleverde arbeid. Dezelfde hoeveelheid arbeid die hij aan de maatschappij in de ene vorm heeft gegeven, krijgt hij terug in een andere vorm.” (Kritiek op het Programma van Gotha) (2).

De arbeidsdeling maakt het gebruik van een soort van bonnen noodzakelijk voor het onttrekken van consumptieartikelen aan het maatschappelijk fonds (3). Elke producent ontvangt een aantal van deze certificaten dat overeenkomt met het aantal uren van de arbeid die hij heeft uitgevoerd. Deze bonnen kunnen arbeidsgeld worden genoemd, hoewel ze geen geld zijn in de kapitalistische zin.

“De producenten”, schrijft Marx, “kunnen voor mijn part papieren wissels krijgen waarmee ze aan de maatschappelijke consumptiegoederenvoorraad een hoeveelheid onttrekken die correspondeert met hun arbeidstijd. Die wissels zijn geen geld. Ze circuleren niet.” (Het Kapitaal, Deel 2, hfdst. 18) (4).

De arbeiders kunnen echter niet de volledige opbrengst van hun arbeid ontvangen. De arbeidstijd is geen directe maat voor het deel van het maatschappelijk product bestemd voor individuele consumptie. Zoals Marx verder uitlegt:

“Indien wij de uitdrukking ‘arbeidsinkomsten’ allereerst opvatten in de betekenis van product van de arbeid, dan blijken de arbeidsinkomsten het gezamenlijke maatschappelijke product te zijn.
Daarvan moet nu worden afgetrokken: ten eerste: wat nodig is voor het vergoeden van de gebruikte middelen voor de productie; ten tweede: het extra voor de uitbreiding van de productie; ten derde: een reserve- of verzekeringsfonds voor het verzekeren tegen ongelukken, natuurrampen en dergelijke.” (Kritiek op het Program van Gotha) (5).

Blijft over het gedeelte van het totale product dat bedoeld is om uiteindelijk te dienen als consumptiemiddelen. Maar voordat dit naar individuele consumptie kan gaan, moet er nog het volgende van worden afgetrokken: ten eerste, de algemene kosten voor administratie niet behorende tot de productie; ten tweede, wat is bestemd voor de bevrediging van gemeenschappelijke behoeften, zoals scholen, gezondheidszorg, enz.; ten derde, fondsen voor diegenen die niet kunnen werken, enz., kortom, wat onder de noemer van de huidige zogeheten officiële armenzorg valt. (Kritiek van het Programma van Gotha).

Instellingen die geen tastbare goederen produceren (culturele en sociale instellingen) en toch deelnemen aan de maatschappelijke consumptie kunnen worden beschouwd als bedrijven. Hun diensten gaan zonder uitstel over in de maatschappij; productie en distributie zijn hier één. In het geval van deze bedrijven is het uiteindelijke doel van het communisme, het “nemen naar behoefte”, al gerealiseerd; de distributie ervan wordt beheerst door geen enkele economische maatregel. We noemen deze openbare bedrijven of bedrijven voor de algemene maatschappelijke arbeid (ama). De communistische boekhouding wordt op eenzelfde manier bemoeilijkt door het bestaan van deze ama-bedrijven als door de wisselende productiviteit van de afzonderlijke bedrijven. Alles wat de openbare bedrijven verbruiken moet worden onttrokken aan de voorraden eindproduct van de productiebedrijven.

We gaan terug naar onze productie-formule voor de maatschappij als geheel:

(PM + G) + A = massa van de producten, of

(100 + 600) + 600 miljoen arbeidsuren.

PM en G dienen te worden gereproduceerd; van de totale massa van de producten blijven 600 miljoen arbeidsuren over. De ama-bedrijven nemen van deze 600 miljoen hun productiemiddelen en grondstoffen. Het is derhalve noodzakelijk om het totale verbruik van deze openbare bedrijven weten. Als we de productiemiddelen voor de openbare bedrijven aangeven als Pmo [o staat voor sociale onkosten], de grondstoffen als Go en de arbeid als Ao, krijgen we de volgende totale begroting voor ama:

(PMo  + Go) + Ao = diensten van de ama of

bijvoorbeeld: (8 + 50) + 50 miljoen = 108 miljoen arbeidsuren

Van de 600 miljoen arbeidsuren die over waren voor consumptie, moet 58 miljoen worden afgetrokken voor PMo en Go van de ama-bedrijven. Er blijven 542 miljoen arbeidsuren over voor de individuele consumptie van alle arbeiders. In de productiebedrijven werken de arbeiders 600 miljoen uur, en in de ama-bedrijven 50 miljoen. Van de totale productie van de arbeidskracht is er beschikbaar voor individuele consumptie bijgevolg slechts 542/650 of 83%. We noemen dit de factor van individuele consumptie (U). De formule voor U is:

A - (PMo + Go) gedeeld door A + Ao.

Of bij gebruik van de veronderstelde cijfers in ons voorbeeld:

600 miljoen - 58 miljoen = 542 miljoen
600 miljoen + 50 miljoen = 650 miljoen = 0,83

Als een werknemer 40 uur heeft gewerkt, krijgt hij een arbeidsgeld-bon (6) met het bedrag van 0,83 × 40 = 33,2 die hij inruilt voor goederen van zijn keuze. Deze berekening is mogelijk omdat alle bedrijven een boekhouding bijhouden van hun consumptie van pm, g en a. De algemene maatschappelijk boekhouding die alle producten registreert, beschikt over alle gegevens die nodig zijn voor het bepalen van de uitbetalingsfactor, namelijk A, PMo, Go en Ao, die voortkomen uit een eenvoudige optelling in de lopende rekening.

In de ama-bedrijven was het “nemen naar behoeften”, zoals we hebben gezien, al gerealiseerd. Met de groei van het communisme, krijgt dit type bedrijf een steeds grotere uitbreiding, consumptiemiddelen, huisvesting, personenvervoer, enz. Hoe meer de maatschappij in deze richting groeit en hoe meer bedrijven worden omgezet in het ama-type, des te minder zal de individuele arbeid de maat zijn voor de individuele consumptie. Deze tendens dient ter illustratie van de algemene ontwikkeling van de communistische maatschappij.

Met de ontwikkeling van het communisme, verandert de boekhoudkundige verwerking van ama. Verschillende bedrijven, zoals een elektriciteitscentrale, werken gedeeltelijk voor individuele consumptie en deels voor zuiver productieve doeleinden. Om terug te komen op ons voorbeeld: voorzover de consumenten nu gratis voorzien worden van elektriciteit, behoren de elektriciteitscentrales tot een nieuw type bedrijf. Om boekhoudkundige redenen moeten deze gemengde bedrijven worden opgenomen, hetzij onder die van de productieve soort of van het type ama. Deze elektriciteitsbedrijven moeten van de U de levering van stroom, uitgedrukt in arbeidsuren, terugontvangen die is opgegaan in individuele consumptie. De optelling van deze onderdelen van alle gemengde bedrijven geeft de korting aaa die in de U moet worden verwerkt. Als we dit deel het algemene tekort (AT) noemen, hebben we een nieuwe uitbetalingsfactor U:

A - (PMo - Go)
A + Ao

Een aantal variaties zijn hier mogelijk, afhankelijk van de vraag of we de gemengde bedrijven toewijzen aan de openbare bedrijven of aan de productiebedrijven, of dat we ze tussen beide verdelen. Maar deze varianten doen beide niets af aan de helderheid van de algemene opvatting.

Wanneer de relatie tussen producent en product tot stand is gebracht, dan wordt de kwestie van de horizontale en verticale groepering van de bedrijven een technisch oplosbaar probleem, dat vanuit economisch oogpunt niet moeilijk op te lossen is. De distributie is net als de productie zelf een maatschappelijke kwestie. De “kosten” van de distributie zijn opgenomen in de algemene begroting voor ama: dat wil zeggen, de organen van de distributie zijn bedrijven van het type ama, die hun boekhouding eveneens verrichten volgens de formule pm + g + a.

De omstandigheden van de enkelvoudige reproductie waarmee we tot nu toe gewerkt hebben, waren uiteindelijk ter wille van de eenvoud slechts een methodologische veronderstelling en zijn niet gebaseerd op de werkelijkheid. Menselijke vooruitgang vraagt om de uitbreiding van de productiekrachten; het reproductieproces moet op een grotere schaal worden uitgevoerd. In het kapitalisme verloopt dit proces in termen van de accumulatie van kapitaal; het is de individuele functie van de verschillende kapitalistische bedrijven. In het communisme is het echter een maatschappelijke functie. Van het maatschappelijk product wordt hier een deel gebruikt voor de verdere uitbreiding van het productieapparaat. Als deze uitgebreide reproductie een bewuste daad moet zijn, is het noodzakelijk de maatschappelijke arbeidstijd voor enkelvoudige reproductie te kennen. De formule voor eenvoudige reproductie is: PM + G + A. Als het materiële productieapparaat moet worden uitgebreid met 10%, moet een massa van producten van dit bedrag aan de individuele consumptie worden onttrokken. Wanneer deze “accumulatie” is bereikt, verloopt de productie volgens de formule: 1,1 (PM + G) + A. Wij hebben reeds aangetoond dat het maatschappelijk product volledig wordt opgenomen door de maatschappij als de individuele consumptie verloopt volgens de formule U:

A - (PMo + Go)
A + Ao

Deze individuele consumptie moet nu verder worden verminderd met 0,1 (PM - G). Bij een uitbreiding van de productie met 10%, krijgen we dan de formule voor U:

A - 0,1 (PM + G) - (PMo + Go)
A + Ao

Deze algemene formule vormt geen vervanging voor de concrete oplossing van het probleem in de feitelijke werkelijkheid, maar in het kader van dit werk moeten we het er mee doen en we verwijzen slechts naar Marx:

“Bekijken we de maatschappij niet kapitalistisch maar communistisch, dan valt in eerste instantie het geldkapitaal geheel weg en daarmee dus ook de verhulling van de transacties die daardoor worden bemiddeld. De zaak wordt eenvoudig teruggebracht tot dat de maatschappij van te voren moet berekenen hoeveel arbeid, productiemiddelen en levensmiddelen ze nodig heeft zonder schade toe te brengen aan andere bedrijfstakken en die zoals de bouw van spoorwegen bv. voor langere tijd, een jaar of meer, noch productiemiddelen noch levensmiddelen, noch gelijk welk nuttig effect ook leveren maar wel arbeid, productiemiddelen en levensmiddelen aan de jaarlijkse totale productie onttrekken.” (Het Kapitaal, Deel 2, hfdst. 16) (7).

Laten we dit voorbeeld nader bekijken. Als de aanleg van een spoorlijn noodzakelijk blijkt, behoren de werkzaamheden tot het ama-onderdeel van de totale productie (8). Als zij bijvoorbeeld in drie jaar arbeid een bepaald aantal arbeidsuren verbruiken, dan wordt deze hoeveelheid jaarlijks in mindering gebracht door het ten laste te brengen van de ama-rekening, namelijk van de uitbetalingsfactor (U).

In de betrekkingen tussen de individuele bedrijven, is arbeidstijd-geld overbodig. Als een bedrijf haar eindproducten levert, heeft zij pm + g + a arbeidstijd gekoppeld aan de grote keten van gedeeltelijk maatschappelijke arbeid (9). Deze moeten in dezelfde omvang worden teruggegeven aan de verschillende bedrijven in de vorm van andere eindproducten. Het arbeidsgeld is alleen geldig voor individuele consumptie. Naarmate meer en meer bedrijven tot de ama-productie overgaan, groeit de distributie door middel van arbeidsgeld steeds minder, en verhaast deze ontwikkeling de opheffing ervan. Het vaststellen van de uitbetalingsfactor (U) is de taak van de maatschappelijke boekhouding. Aan de creditzijde van de maatschappelijk boekhouding staat A; aan de debetzijde PMo, Go en Ao.

“De boekhouding als controle en ideële samenvatting van het proces” aldus Marx “wordt des te noodzakelijker naarmate het proces zich meer op maatschappelijke schaal afspeelt en het zuiver individuele karakter verliest; het is dus noodzakelijker bij de kapitalistische productie dan bij de versplinterde productie van het ambachtelijke en boerenbedrijf, noodzakelijker bij maatschappelijke productie dan bij kapitalistische.” (Het Kapitaal, Deel 2, hfdst. 6) (10).

Deze boekhouding onder het communisme is slechts boekhouding en niets anders. Ze staat in het middelpunt van het economisch proces, maar ze heeft geen macht over de producent of de individuele bedrijven. De maatschappelijk boekhouding is zelf slechts een bedrijf van het type ama. De functies zijn: de registratie van de stroom van producten, de vaststelling van de U, de uitgave van het arbeidstijd-geld, de controle over productie en distributie. De controle van het arbeidsproces is een puur technische, die wordt afgehandeld door elke bedrijf voor zichzelf. De controle die wordt uitgeoefend door de maatschappelijke boekhouding betreft alleen de administratieve verwerking van alle ontvangsten en leveringen van de individuele bedrijven en het bewaken van hun productiviteit.

De controle van de productie in de samenleving van vrije en gelijke producenten komt niet tot stand door personen en instanties, maar wordt uitgevoerd door middel van de openbare registratie van het objectieve verloop van het productieproces; dat wil zeggen dat de productie wordt gecontroleerd door middel van reproductie.

De verschillende bedrijfstakorganisaties dragen hun productiebegrotingen over aan het bedrijf dat de maatschappelijk boekhouding bijhoudt. Uit alle productie-budgetten volgt de maatschappelijke inventaris. Producten in een bepaalde vorm stromen naar de bedrijven; nieuwe producten in een andere vorm verlaten deze weer. Elk vervoer van goederen is opgenomen in de algemene maatschappelijk boekhouding door een girale overboeking, zodat het debet en credit van een bepaald bedrijf te allen tijde in een oogopslag kan worden waargenomen. Alles wat een bedrijf verbruikt in de vorm van productiemiddelen, grondstoffen of arbeidsgeld, verschijnt aan de debetzijde van de bedrijf; wat het heeft overgedragen aan de maatschappij in de vorm van producten verschijnt aan de creditzijde. Deze twee punten moeten elkaar continu dekken, en onthullen aldus of en in welke mate het productieproces soepel verloopt. Tekort en teveel bij een bedrijf worden zichtbaar en kunnen worden gecorrigeerd. Als een bedrijf niet in staat is om zijn productiviteit te handhaven, als deze productiviteit afneemt, dan kunnen de andere bedrijven, ook al werken ze beneden de maatschappelijk gemiddelde productietijd, niet het tekort van het eerste bedrijf dekken. Het relatief onproductieve bedrijf is niet in staat is om zichzelf te reproduceren, de storing is zichtbaar en kan verholpen worden door de maatschappij. De controle van de ama-bedrijven verloopt gedeeltelijk parallel aan die van de productieve. Zij komt voort uit de materiële productie, door de registratie van de artikelen die zijn overgedragen aan hen en de ontvangst van arbeidsgeld. Het product van de ama-bedrijven gaat echter “gratis” over naar de maatschappij, zodat in de boekhouding van deze bedrijven de credit-factor ontbreekt. De controle van hun productiviteit zal waarschijnlijk alleen mogelijk zijn met behulp van vergelijkend onderzoek.

Terwijl onder het kapitalisme de categorie maatschappelijk gemiddelde arbeidstijd afhankelijk is van de “waarde”, is ze in het communisme is slechts een kwestie van de arbeid belichaamd in de geleverde goederen. En terwijl de maatschappelijk productiviteit onder het kapitalisme door de markt gereguleerd moet worden, wat een gigantische verspilling van de maatschappelijke productiekrachten veroorzaakt, is in het communisme de verlaging van de maatschappelijk gemiddelde productietijd een bewuste, maatschappelijk gereguleerde daad. Ze leidt tot een algemene daling van de productietijden. Als bijvoorbeeld, een bedrijf haar productiemiddelen heeft geschat op 100.000 arbeidsuren, en als we aannemen dat deze machines een tienjarige levensduur kennen, dan moeten jaarlijks 10.000 arbeidsuren worden toegevoegd aan de producten van dit bedrijf. Indien de maatschappelijk gemiddelde reproductietijd van de productiemiddelen in dit bedrijf daalt, dan kan het bedrijf in het reproductieproces betere of meer machines toepassen en daarmee de productiviteit doen toenemen, wat in de praktijk betekent uitbreiding van het productieapparaat, zonder de besteding van extra arbeid. De productietijd is voor dit bedrijf veranderd. Aangezien de maatschappelijk gemiddelde productietijd wordt waargenomen, is de enige verandering die van de productiviteitsfactor van dit bedrijf. De maatschappelijk gemiddelde productietijd van het kartel waaraan het bedrijf is verbonden blijft altijd hetzelfde als de reproductietijd, omdat de productiemiddelen eveneens in een continue stroom door alle bedrijven heen gaan. De laagste maatschappelijk reproductietijden gaan keer op keer in het productieproces samen met de maatschappelijk gemiddelde reproductietijd.

Bij wijze van samenvatting kan gezegd worden:

“De basis van de maatschappelijk gemiddelde reproductietijd is het maatschappelijk gemiddelde arbeidsuur. Deze categorie is al geldig, zelfs in het kapitalisme. Zelfs nu komen de individuele verschillen niet tot uitdrukking in de waar, want het product wordt op de markt omgezet in geld; dat wil zeggen, omgezet in de algemene waar, waardoor alle individuele verschillen worden uitgegumd. In het communisme is het de maatschappelijk gemiddelde reproductietijd, die in zichzelf alle individuele verschillen verenigt, van langzame en ervaren arbeiders, van meer en minder vaardige, van hand- en hoofdarbeid. De maatschappelijk gemiddelde productietijd bestaat derhalve niet als zodanig, niet als iets bijzonders. Net als de wetten van de natuur slechts naar voren brengen wat algemeen is in de bijzondere verschijnselen, zonder dat deze bestaan als werkelijke wetten, evenzo bestaat het maatschappelijk gemiddelde arbeidsuur niet in concrete zin, het belichaamt wat algemeen is in de enorme diversiteit van de materiële interactie van de maatschappij” (11).

Noten van de vertaler

1. Marxists.org; vgl. m.e.w., Bd. 24, Kap. 1, p. 93.

2. Marxists.org; vgl. m.e.w., Bd. 19, p. 20.

3. Hier treedt verwarring op tussen wat Marx noemde het ‘de gemeenschappelijke fondsen’ en de ‘maatschappelijke voorraad van consumptiemiddelen’; Mattick had hier beter het laatste begrip gebruikt.

4. Marxists.org; vgl. m.e.w., Bd. 24, p. 358.

5. Marxists.org; vgl. m.e.w., Bd. 18, p. 18-19.

6. Arbeidsgeld is een ongelukkige en ook onjuiste uitdrukking, bedoeld wordt consumptiebonnen.

7. Marxists.org; vgl. m.e.w., Bd. 24, Kap. 16, § III, p. 316-317.

8. Mattick gebruikt de term ‘social production’ in navolging van een oude Engelstalige versie van het Marx-citaat hierboven. Het Duitse origineel spreekt echter volgens m.e.w., Bd. 24 van ‘Gesammtproduktion’. Zo ook in de Nederlandse vertaling die we hierboven citeerden. Om deze reden gebruiken we hier verder vaak de term ‘totale productie’.

9. De tekst lijkt hiermee te verwijzen naar de verdeling in ama-bedrijven en bedrijven die niet gratis consumptiegoederen leveren.

10. Marxists.org; zie ook m.e.w., Bd. 24, Kap. 6, § 2.

11. Bron niet aangegeven, niet bekend.


Vertaald uit het Engels door F.C., 20 januari 2016


Compiled by Vico, 20 January 2016