Home | Contact | Links       
Antonie Pannekoek Archives
 

Thema: De economische oplossing voor de overgangsperiode van kapitalisme naar communisme


De marxistische oplossing

Uitgave van de Spartacusbond; verzorgd door uitgeverij “De Vlam”, Korte Prinsengracht 49, Amsterdam-Centrum, [1961].

Bron: A.A.A.P., fotokopie van origineel.


De klassieke economie, waarop Marx het sluitstuk levert, heeft ons bijgebracht dat de waarde van een waar bepaald wordt door de hoeveelheid (maatschappelijk noodzakelijke) arbeid die er aan besteed wordt.

De socialisten hebben deze stelling vroeger met hand en tand verdedigd. Men moet zich echter afvragen waarvoor, daar, voor zover ons bekend is, men bij deze wetenschap nooit aan enige praktische toepassing heeft gedacht. Het schijnt dan dat de strijd, die rond de stelling plaats vond, meer een gevecht was (van de zijde der verdedigers althans) dat door een vaag gevoel gedreven werd, dan door de gedachte aan een eventuele toepassing, hetzij in het verre en vage verschiet van de “heilstaat”.

Niet echter zo bij Marx en Engels. In zijn kritiek op het program van Gotha en elders blijkt duidelijk, dat Marx de arbeidstijd als rekeneenheid aanneemt voor de overgangsperiode, d.w.z. zodra de machten van het kapitaal verslagen zijn en de arbeiders dus voor de taak gesteld worden zelf de organisatie van de maatschappelijke productie en distributie ter hand te nemen.

Indien de analyse van het kapitaal, door Marx zo schitterend eenvoudig volbracht, niet het doel in zich sloot om behulpzaam te zijn bij de geboorte en de bevestiging van de nieuwe maatschappij, dan zou haar niets meer dan “theoretische” waarde kunnen worden toegeschreven en wel deze tussen aanhalingstekens, want een theorie, die niet kan worden toegepast, blijft inderdaad “grauwe theorie”.

De marxistische oplossing van de maatschappelijke productie en distributie heeft echter nog een ander doel.

Zij verdrijft het (schrik-)beeld van de staat als producent en distributeur om daarvoor de arbeiders zelf in de plaats te stellen, waarbij dan tevens de grondslag van de kapitalistische productie, de verkoop van de arbeidskracht, tot het verleden behoort.

Voordat wij tot een nadere verklaring van de marxistische oplossing overgaan is het dienstig om door enige aanhalingen van Marx, en ook van Engels, de heilstaatsocialisten en ook anderen er van te overtuigen, ten eerste, dat de oplossing, die hierna volgt, werkelijk de marxistische is, en ten tweede, zij direct geldt.

Hier dan de aanhalingen.

“waarmee wij hier te doen hebben, is een communistische samenleving, niet zoals zij zich op haar eigen grondslagen heeft ontwikkeld, doch integendeel, zoals ze uit de kapitalistische maatschappij geboren wordt; welke dus in alle opzichten, economisch, zedelijk, geestelijk nog behept is met de geboortekenmerken der oude samenleving, uit wier schoot zij stamt.”
Dienovereenkomstig krijgt de producent [...] exact terug, wat hij haar geeft [...]. Hij krijgt van de samenleving een bewijs, dat hij zo en zoveel arbeid geleverd heeft (na aftrek van zijn arbeid voor het maatschappelijk fonds) en onttrekt met dit bewijs zoveel aan de maatschappelijke voorraden consumptiemiddelen, als evenveel arbeid kost. Dezelfde hoeveelheid arbeid, die hij de samenleving in de een of andere vorm gegeven heeft, krijgt hij in andere vorm terug.” (Marx, Randglossen zum Programm der Deutschen Arbeiterpartei 1875).
“Slechts ter vergelijking met de warenproductie onderstellen wij, dat het aandeel van iedere producent in de levensmiddelen bepaald wordt door zijn arbeidstijd. De arbeidstijd zou dus een dubbele rol spelen. Zijn maatschappelijk doelmatige verdeling regelt de juiste verhouding van de verschillende arbeidsverrichtingen tot de verschillende behoeften.”

Aan de ander kant dient de arbeidstijd tevens als maatstaf voor het individuele aandeel van de producent in de maatschappelijk arbeid en derhalve ook in het individueel te consumeren deel van het gehele product.

De maatschappelijk betrekkingen van de mensen tot hun arbeid en hun arbeidsproducten blijven hier doorzichtig en eenvoudig, in de productie zowel als in de distributie” (Marx, Het Kapitaal, vertaling Van der Goes, p. 54).

“De samenleving kan eenvoudig berekenen, hoeveel arbeidsuren in een stoommachine, een hectoliter graan der laatste oogst [...] belichaamd zijn.

Het kan dus niet in haar opkomen, de in de producten neergelegde arbeidshoeveelheden, die ze dan direct en absoluut kent, verder nog in betrekkelijk onvoldoende, vroeger als hulpmiddel onvermijdelijke maat, in een derde product uit te drukken, en niet in haar natuurlijke absolute adequate maat, de tijd ..... De Samenleving schrijft dus onder bovenstaande vooropstelling ook geen waarde aan de producten voor.” (F. Engels, Anti-Dühring, p. 335).

Indien wij deze aanhalingen doen, dan is dat niet omdat ze van Marx zijn. Wij trachten ons ervoor te behoeden marxpapen te worden. Maar wij vinden nergens een andere oplossing, tenzij door de staat of een pseudo-staat, wat nooit tot een samenleving zonder onderdrukking en uitbuiting kan leiden, waarbij dus telkens weer de oude tegenstelling in andere vorm verschijnt. Ook denke men niet dat dóór deze oplossing het socialisme kan ontstaan. Dit ontstaat slechts door de strijd en de macht van de arbeiders. De kennis van zaken is mede een machtsmiddel om de nieuwe maatschappij de consolideren.

Marx laat zien, dat de productie in onze samenleving tot dezelfde eenvoudige elementen kan worden herleid, als die van Robinson Crusoë op zijn onbewoond eiland n.l. werktuigen, grondstoffen en arbeid.

In onze hoogontwikkelde geïndustrialiseerde kapitalistische maatschappij bestaan alle eenheden, die aan de productie deelnemen uit:

MACHINES - GRONDSTOFFEN - ARBEID

Iedere machine, elke grondstof is op haar beurt weer product van arbeid (plus de twee andere elementen) zodat ieder product de arbeid bevat, die er aan besteed is plus de arbeid van de andere twee elementen, die bij het produceren opgebruikt worden. We zouden dus kunnen zeggen dat een product bestaat uit:

ARBEID + ARBEID + ARBEID

en daar de arbeid slechts gemeten kan worden met tijd, wordt het:

Iedere machine, elke grondstof is op haar beurt weer product van arbeid (plus de twee andere elementen) zodat ieder product de arbeid bevat, die er aan besteed is plus de arbeid van de andere twee elementen, die bij het produceren opgebruikt worden. We zouden dus kunnen zeggen dat een product bestaat uit:

ARBEIDSUREN + ARBEIDSUREN + ARBEIDSUREN.

Wanneer wij nu nog de volgende formule neerschrijven, met fictieve getallen, dan zal er geen onduidelijkheid meer kunnen ontstaan.

Iedere machine, elke grondstof is op haar beurt weer product van arbeid (plus de twee andere elementen) zodat ieder product de arbeid bevat, die er aan besteed is plus de arbeid van de andere twee elementen, die bij het produceren opgebruikt worden. We zouden dus kunnen zeggen dat een product bestaat uit:

MACHINES + GRONDSTOFFEN + ARBEID = PRODUCT

Iedere machine, elke grondstof is op haar beurt weer product van arbeid (plus de twee andere elementen) zodat ieder product de arbeid bevat, die er aan besteed is plus de arbeid van de andere twee elementen, die bij het produceren opgebruikt worden. We zouden dus kunnen zeggen dat een product bestaat uit:

300 A.u. 300 A.u. 300 A.u. 900 A.u.

Voor het gemak hebben wij de getallen van de arbeidsuren (A.u.) klein gehouden. Men kan er zoveel nullen achter denken als men wil. Dit maakt voor het principe geen verschil uit. En inderdaad, indien men zo de productie van een land of enige landen samenvat zullen de getallen, die wij nu op 300 hebben gesteld, heel wat meer cijfers moeten bevatten. Om zijn loon te berekenen heeft de arbeider echter alleen maar de cijfers van zijn eigen (inderdaad dan zijn eigen) fabriek of onderneming nodig; allen rekenen op dezelfde manier.

Een overzicht van de cijfers van zijn fabriek is hetzelfde als een overzicht in cijfers van de gehele productie.

Om zijn deel uit de productie op te nemen “ontvangt de arbeider een bewijs, dat hij zo en zoveel arbeid geleverd heeft, en onttrekt met dit bewijs zoveel aan de maatschappelijke voorraden als evenveel arbeid kost.” (zie boven Marx). Wanneer dus tien arbeiders 300 uur gewerkt hebben, hebben zij dus 300 uur aan de machines (300) en aan de grondstoffen (300) toegevoegd. Diezelfde 300 uur nemen zij aan consumptiemiddelen terug. Met de resterende 600 uur (machines en grondstoffen) onttrekt de fabriek aan de maatschappelijke voorraden wat zij nodig heeft voor herstel en vervanging van haar machines en grondstoffen. Het geld, waarvan het ware wezen bij de economen nog steeds een omstreden punt uitmaakt, De marxistische oplossing verdwijnt. De verhouding van de arbeider tot zijn product wordt direct en begrijpelijk. Hij leest op het bewijs, dat zijn aantal arbeidsuren vermeldt, zijn recht op het aandeel der maatschappelijke rijkdom. Dit is geen abstract “mensenrecht”, maar het concrete recht van de arbeidende mens op het product van zijn hoofd en hand.

Niet omdat het marxisme hier uitgaat van een of ander gelijkheidsprincipe werd deze formule opgesteld. Het uitgangspunt is de arbeidende mens, die om zijn recht als arbeider komt, zijn werkelijk mensen-recht. Bij dit alles dient natuurlijk niet vergeten te worden, dat deze arbeidende mens natuurlijk eerst de macht in de fabrieken en bedrijven moet hebben, voordat hij dit recht kan doen gelden.

Alle praat over medezeggenschap is bedrog en van geen waarde, wanneer de arbeider verstoken blijft van het recht om zelf zijn loon te bepalen. Daarom is de loonstrijd, die door zo goed als alle linkse groeperingen uit traditie zo laag wordt aangeslagen, in een ander stadium en ander licht verschenen. De arbeider die looneisen stelt richt zijn streven, zij het onbewust, op de zeggenschap over zijn aandeel in de maatschappelijke consumptie. Bovendien komt hij daarbij in conflict met de ontzaggelijke uitgaven voor militaire doeleinden, komt in conflict met het nationalisme en meer “zuilen” van de samenleving.

Tegenover allerlei planpolitiek van bovenaf, stelt het marxisme de strijd om de macht over het productie-apparaat van onderen op, als consequentie van de strijd der arbeiders zelf, de klassenstrijd.

De min of meer bedachtzame lezer zal zich intussen de vraag hebben gesteld, hoe het moet met die bedrijven, die feitelijk niets toevoegen aan de maatschappelijke voorraad producten. Bedrijven die wél gebruiken maar (althans schijnbaar) niets afleveren, zoals: onderwijs, straatverlichting, stadsreiniging en, indien “gratis” verstrekt, water, gas, elektriciteit enz. Hier vindt geen verrekening meer plaats; hier neemt men reeds naar behoeften.

De zaak is betrekkelijk eenvoudig, hoewel verschillende “marxistische” economen haar niet of verkeerd oplosten. O.a. Neurath, Leichter, Kautsky, Hilferding.

Nemen wij aan, dat de begroting voor deze bedrijven van Algemeen Maatschappelijke Arbeid er als volgt uitziet:

MACHINES + GRONDSTOFFEN + ARBEID = (Geen product)

30 + 30 + 30 = 90

Uit de producten-massa van 900 arbeidsuren nemen eerst de productieve bedrijven hun 600 arbeidsuren.

Dan nemen de bedrijven van Algemeen Maatschappelijke Arbeid voor machines en grondstoffen nog 60 uur.

Tezamen dus 660 arbeidsuren. De rest aan product = 240 arbeidsuren staat ter verdeling over een aantal arbeiders die 330 uur gewerkt hebben. Doordat de arbeider gedeeltelijk werkt voor de bedrijven van Algemeen Maatschappelijke Arbeid kan hij zich dus niet het volle uur, dat hij gewerkt heeft, toekennen. Zijn arbeidsuur geldt slechts voor 240 : 330 = 0,727. De arbeider die 30 uur gewerkt heeft, heeft dus recht op 30 keer 0,727 A.u. = 21,81 A.u., waarmee hij zijn aandeel uit de voorraden consumptiegoederen kan opnemen.

De overgang van geldrekening naar arbeidstijdrekening, kan door schatting plaatsvinden.

Productiviteitsverschillen, zich uitende in verschil van prijs, kan eenvoudig door de bedrijfsraad vereffend worden.

Wie dit alles op het eerste gezicht nogal ingewikkeld vindt, vergelijke het eens met de berekeningsstrook van zijn loon, waarvan vele arbeiders de becijfering slechts na zeer lange tijd snappen. Meermalen nemen zij niet eens de moeite. Optellen, aftrekken en vermenigvuldigen en delen si alles wat men nodig heeft om boven omschreven berekeningsmethode te begrijpen en daarmee heeft men dan tevens de gehele gang de reproductie en distributie onder de knie, d.w.z. in een samenleving waar de arbeiders het beheer over de productie voeren. In deze samenleving zitten de geleerden elkaar nog steeds in de haren wanneer 't om dergelijke vraagstukken gaat.

Het vraagstuk kwam voor het eerst op in de socialistische beweging na de Russische Revolutie. Hier was toch een socialistische partij aan de macht gekomen, die afgezien van het aanwezig zijn in Rusland van de objectieve voorwaarden voor het vraagstuk gesteld werd. Zij bleek er in geen enkel opzicht op voorbereid, wat niet dient te verwonderen, daar behalve bij Marx men in de socialistische literatuur geen enkel aanknopingspunt vindt. Bij een revolutie in West-Europa had het de socialisten aldaar ook onvoorbereid gevonden. Toen nu de polemieken en geschriften daarover verschenen moesten deze wel stranden daar succes bij de poging tot oplossing alleen mogelijk is wanneer men uitgaat van de macht der producenten, de arbeiders in de bedrijven. Interessant is de houding van Kautsky tegenover het vraagstuk. Hij erkent dat de arbeidstijd-rekening de enige “theoretische” oplossing is. Maar och arme, voor de praktijk is zij van geen waarde. Hoe moet men zelfs maar van een zeer eenvoudig artikel de arbeidstijd die het bevat bepalen. De halve wereld heeft eraan meegewerkt. Voor één artikel is dat al zo goed als onmogelijk, laat staan voor de honderdduizend overige. En bij de steeds veranderende voorwaarden zou telkens weer nieuw moeten worden begonnen, neen dat is onmogelijk. Zo redeneert Kautsky vanaf zijn hoge staatssocialistische positie.

Het is echter nog slimmer dan hij wel denkt. Bij het bepalen van de arbeidstijd die belichaamd is in één of ander artikel komt men zelfs nooit tot een eind. Is men eenmaal aangekomen bij de kolenmijnen waarin de kolen gedolven worden, die de aniline-verfstoffen leveren waarmee het etiket van het luciferdoosje gekleurd is, dan blijken deze verfstoffen ook weer de arbeid te bevatten van de werktuigen enz., die in de mijn gebruikt worden. Van boven af, daar heeft Kautsky gelijk in, heeft de arbeidstijd-rekening alleen maar theoretische waarde.

Het complete geschrift (1) over dit onderwerp is ontstaan nadat de arbeiders in de Russische Revolutie en andere bewegingen in hun actie hadden getoond dat de nieuwe proletarische maatschappij van onderen op zou worden gevestigd, van uit de bedrijven. Dit beeld moet – zo blijkt uit zoveel van zijn geschriften – bij Marx ook hebben voorgezeten.


Noten

1. Grondbeginselen van de communistische productie en distributie.


Compiled by Vico, 15 August 2016