Home | Contact | Links       
Antonie Pannekoek Archives
 

Thema: De economische oplossing voor de overgangsperiode van kapitalisme naar communisme


Grondbeginselen van de communistische productie en distributie


Samenvatting van de “Grondbeginselen van de communistische productie en distributie” door de tweetalige Brusselaar Adhémar Hennaut voor het Franstalige tijdschrift “Bilan”; gewijzigd en aangevuld door de G.I.C.

Bron: Bilan, 1935, n° 19, mai-juin, p. 653-660; Smolny .

Bron gewijzigde en aangevulde vertaling: Persdienst van de groep van Internationale Communisten, 9e jaargang, 1936, nr. 19, december, p. 1-13.


[Inleiding door de G.I.C.]

In “Bilan”, een tijdschrift uitgegeven door Franse bolsjewiek-leninisten, is in een reeks artikelen een verkorte weergave en bespreking van het door de G.I.C. uitgegeven boek “Grondbeginselen van de communistische productie en distributie” gebracht. Dit heeft er toe geleid, ook onderzijds opnieuw de “Grondbeginselen” en de bepaalde zienswijze over het communisme die daarin is neergelegd in het middelpunt van de discussies te brengen. We hebben hierbij gebruik gemaakt van de in “Bilan” verschenen verkorte weergave en nemen gedeelten er van over, die we hebben aangevuld met een uiterst beknopte weergave van de gehele inhoud. In een volgende P.I.C. brengen we dan de kritiek op onze opvattingen, die in aansluiting hier in “Bilan” is verschenen, die onder andere ook het vraagstuk van de “partijen” mede behandelt.


[Grondbeginselen van de communistische productie en distributie]

De Hollandse Groep van Internationale Communisten heeft kortgeleden een tweede, herziene en vermeerderde uitgave van het boek: “De grondslagen van de communistische productie en distributie” uitgegeven.

De Groep van Internationale Communisten stamt van de stroming van het “arbeiders” linkscommunisme, dat zich ontwikkelde in de schoot van de K.P.D. in de loop van de eerste jaren van het bestaan van de Derde Internationale.

De groepen die deze stroming vertegenwoordigen blijken de meest gewaagde gevolgtrekking te hebben gemaakt uit de kritiek die vroeger op de revolutionaire partij werd uitgeoefend, zoals zij werd verdedigd onder de ideologische overheersing van het bolsjewisme in de Communistische Internationale.

Tegenover de revolutionaire partij, een organisatievorm die is ontleend aan de bourgeoisie, stellen de Hollandse Internationale Communisten de bedrijfsorganisaties en hun samenvatting de arbeidersraden. Het minste dat men van deze theorie zou kunnen zeggen is dat zij niets aan duidelijkheid te wensen overlaat.

Maar het grote belang van het werk beperkt zich niet tot deze theorie, deze is in elke geval niet meer dan de grondslag.

Het doel dat wordt beoogd is het onderzoek van de fundamentele beginselen waarop de productie en consumptie zullen moeten berusten wanneer ééns de arbeiders zich zullen hebben meester gemaakt van de productiemiddelen en wanneer zij trachten deze in werking te brengen, niet voor de uitbuiters, maar voor rekening van de gemeenschap.

Het probleem is opnieuw opgevat bij zijn oorsprong, dat wil zeggen doordat de socialisten ten behoeve van de klassenstrijd trachten er een oplossing voor te vinden. Vanzelfsprekend neemt de kritische analyse van het Russische experiment er een overheersende plaats in.

Het is mogelijk,dat een dergelijke poging bij sommigen een medelijdend lachje aan het adres van de auteurs van deze onderneming om de lippen brengt. Schijnt het inderdaad niet nutteloos om zich het hoofd te breken over sociale regelen die de arbeiders zullen moeten eerbiedigen wanneer eenmaal de revolutie zal zijn volvoerd, terwijl de arbeiders in ’t geheel niet optrekken voor deze laatste strijd, maar stap voor stap het veroverde terrein prijs geven aan do triomferende reactie? Overigens, is over dit onderwerp reeds niet alles gezegd door hot Congres van de Communistische Internationale? Moest men niet liever zoeken naar middelen die in staat zijn om een einde te maken aan de terugtocht van hot proletariaat in plaats van zich op te houden met dergelijke geleerde dwaasheden? Zeer zeker, voor hen, voor wie de gehele wetenschap van do revolutie daarin bestaat: het hele ABC van de manoeuvres, die men door de massa’s moet laten uitvoeren, te leren kennen, moet een dergelijke onderneming bijzonder nutteloos schijnen.

Voor hen die menen,dat de precisering van de doeleinden van de strijd één van de belangrijkste functies is van elke bevrijdingsbeweging en dat de vormen van deze strijd, zijn mechanisme en de wetten die hen beheersen,slechts volledig aan het licht kunnen worden gebracht in de mate waarin de uiteindelijke doeleinden die moeten worden bereikt worden gepreciseerd, met andere woorden, dat de wetten van de revolutie zich in die mate ontplooien als het bewustzijn van de arbeiders groeit, voor hen verschijnt de theoretische poging om exact te bepalen wat de dictatuur van het proletariaat zal zijn, als één van de meest dringen opgaven.

We zullen trachten een beoordeling te geven van de wijze van uitbeelding en van de naar voren gebrachte oplossingen.

I. Het uitgangspunt

De oorzaak van de uitbuiting van de arbeiders in het kapitalistische stelsel is daarin gelegen, dat de arbeider gescheiden is van de productiemiddelen. Aan de éne kant hebben we de productiemiddelen, eigendom van de kapitalisten, aan de andere kant de arbeider, die beschikt over zijn arbeidskracht, maar die deze arbeidskracht niet direct voor productieve doeleinde kan aanwenden. Om dit te doen is hij gedwongen deze arbeidskracht te verkopen (tegen een loon) aan de eigenaar van de productiemiddelen, heeft de kapitalist tevens de beschikking over de voortbrengselen van de productieve arbeid van de arbeider, die hij als prijs voor zijn arbeid slechts een deel van de opbrengst van zijn arbeid terug geeft, terwijl hij de rest voor zich behoudt. Het is dus doordat de productiemiddelen (werktuigen, machines, fabrieken zowel als grondstoffen) zich in handen van de kapitalisten bevinden, dat er een economische onderwerping van de arbeidersklasse bestaat en dat, ondanks de zo dikwijls geproclameerde politieke gelijkheid, er een rechteloze klasse blijft bestaan, uitgebuit en overheerst. Wil de arbeidersklasse zich bevrijden, dan moet dus deze scheiding tussen de arbeid en de productiemiddelen worden opgeheven. Men moet de productiemiddelen in handen stellen van hen die er mee werken, de arbeiders.

Toch is het nodig onmiddellijk op te merken dat “een stelsel van gemeenschappelijk bezit van de productiemiddelen dat aan de massa’s niet ook het recht om over deze productiemiddelen te beschikken zou garanderen zijn doel volkomen zou missen.”

Het is slechts het middel om de arbeiders de beschikking over de productiemiddelen en daardoor over het product van de maatschappelijke arbeid mogelijk te maken. Het is nodig op dit feit de nadruk te leggen. Een wijd verbreide misvatting bestaat daarin, dat men meent dat de opheffing van het privaatbezit aan productiemiddelen van het proletariaat vanzelf moet leiden tot het verdwijnen van elke uitbuiting. Om de uitbuiting op te heffen is het nodig, dat het in gemeenschappelijk bezit brengen van de productiemiddelen gepaard gaat met het recht voor de arbeiders om over de productiemiddelen te beschikken en daardoor over de voortbrengselen van de arbeid. Daardoor alleen wordt het mogelijk te spreken van de opheffing van de loonarbeid. De noodzakelijke voorwaarde om de gemeenschappelijke beschikking over het productieapparaat te houden is, dat de productie moet verlopen volgens algemeen geldende regels, die kunnen worden aangewend op elke vorm van maatschappelijke arbeid. Zo alleen is het mogelijk gemeenschappelijk te handelen en te besluiten. Alleen op deze wijze is het mogelijk de grondslag te leggen voor de “associatie van vrije en gelijke producenten”. Een dergelijke revolutie kan slechts worden volbracht door de arbeidersklasse, georganiseerd op de grondslag van de bedrijfsorganisaties en hun samenvatting de arbeidersraden.

II. Hoe de sociaal-democratie het Marxisme “herziet”

Het Marxisme ziet de vermaatschappelijking van de arbeid in het feit, dat de “warenproductie” de meest verbreide productievorm is geworden. Het aantal producenten (ook in de landbouw) dat voor de markt werkt groeit steeds meer. Iedereen produceert waren die hij niet zelf verbruikt. Men werkt dus niet meer voor zichzelf, maar voor anderen, of beter gezegd, men werkt voor de maatschappij.

Dit, en niets meer, is de “vermaatschappelijking van de arbeid” zoals die onder het kapitalisme ontstaat. Dit, en niets anders, is de “rijp”-making van de maatschappij voor het communisme.

Het kapitalisme organiseert deze vermaatschappelijkte arbeid in de vorm van trusts, kartels en syndicaten. Deze trustvorming nu hebben de sociaal-democraten (en de Hollandse G.I.C. beschouwt de Bolsjewiki als een radicale twijg van de sociaal-democratie) aangezien voor de “vermaatschappelijking van de arbeid”.

Deze verwarring vinden we terug in de opvattingen van de sociaal-democratie over de productie in het communisme. De verticale trust werd de ideale vorm van deze productie. Lenin drukte zich als volgt uit: “De gehele economie georganiseerd naar het voorbeeld van de post [...], dat is onze eerste taak” (Staat en revolutie). Hij kwam op dit punt overeen met Parvus, Hilferding en anderen die de socialistische productie als het eindresultaat van de ontwikkeling die naar algemene vertrusting dreef beschouwden, waarbij het voldoende zou zijn als men de kapitalistische leiding kon omstoten en er een socialistische voor in de plaats te stellen, hetgeen men meende dat moest gebeuren doordat de getrusteerde productie onder controle van het parlement (de reformisten) of van de proletarische staat, zoals die door een partij wordt gevormd (de bolsjewiki) wordt geplaatst.

Dat zou de productie veranderen in een organisme dat voor rekening van de gemeenschap arbeidt.

Hoewel Marx zich niet heeft opgehouden met het beschrijven van de communistische productie is het bekend dat hij de reglementering van de productie “niet alsn een functie van de staat, maar als iets dat moet worden verwezenlijkt door het verband tussen de vrije associaties en de socialistische maatschappij”. De reformist Cunow meende, dat Marx dit aan de liberaal-anarchistisch stromingen van zijn tijd had ontleend.

Volgens Marx zouden het beheer van de productie en van de distributie vervallen aan de producenten en consumenten zelf (zonder bemiddeling van de staat).

Het was overigens op dat standpunt dat de sociaal-democratie omstreeks 1880-1890 zich plaatste. Eerst later, omstreeks 1900, werd dit standpunt onder invloed van de strijd voor de hervormingen gewijzigd en verscheen de “nationalisatie” van de productiemiddelen op het socialistisch program.

Uitvoerig wordt dan ingegaan op de wijze waarop men in de Russische revolutie dit beeld heeft trachten te verwerkelijken. Men dacht het kapitalisme en de uitbuiting op te heffen door productie en distributie door de staat te laten leiden. Deze zou, naar door de statistiek verkregen gegevens, planmatig produceren, zonder maatstaf om de waarde der producten te berekenen, dus zonder rekeneenheid.

De moeilijke omstandigheden waaronder het Russische staatsbedrijf zich moest ontwikkelen, werkten deze opvatting als het ware in de hand. Bij de algehele ontreddering van het economische leven als gevolg van de voortdurende burgeroorlog was men genoodzaakt aldoor meer papiergeld in omloop te brengen, waardoor de waarde van de roebel met grote snelheid naar beneden ging, totdat deze maatstaf nagenoeg geheel verdwenen was. Zo werd hier uit de nood een deugd gemaakt en tenslotte doelbewust op de vernietiging van deze maatstaf aangestuurd (zie memorandum van het Russische Finanzkommissariat op het derde congres van de IIIe Internationale).

Echter, de plannen voor de productie stonden op de basis van de roebel. Om deze plannen niet enkel een papieren leven te laten leiden moest de roebel op een vast waarde gesteld worden. In 1921 werd de roebel waardevast en kon nu als rekeneenheid gebruikt worden.

III. De rekeneenheid in de communisme

Het werkelijke vraagstuk van het communisme is dus de scheiding, die bestaat tussen de arbeider en de maatschappelijke productie, te laten verdwijnen.

Niet de één of andere Opperste Economische Raad, maar de arbeiders zélf moeten, met behulp van hun bedrijfsorganisaties, kunnen beschikken over het product van hun arbeid. Zoals de moderne techniek de verschillende bedrijven van elkaar afhankelijk maakt, moet de revolutie tot resultaat hebben, hen met elkaar te doen samensmelten, maar dat kan zij slechts door middel van één algemene economische wet, die toepasselijk is op de gehele productie. Dan pas komt de vraag aan de orde, welke bedrijven precies moeten worden samengevoegd in een organisatorisch verband, zodat ze zo voordelig mogelijk kunnen samenwerken.

De maatstaf voor de arbeid van iedere arbeider afzonderlijk is het arbeidsuur. Evenzo moet de maatstaf voor het meten van de hoeveelheid arbeid die in het één of ander product steekt, de gemiddelde productietijd zijn, die het voorwerp nodig heeft om vervaardigd te worden. Deze maatstaf kan gebruikt worden om de gehele rijkdom waarover de gemeenschap beschikt vast te stellen, tevens om de verhoudingen van de verschillende bedrijven onder elkaar te regelen, en tenslotte om het gedeelte van deze rijkdommen dat terugkomt bij iedere producent te bepalen. De rekeneenheid in het communisme is dus de gemiddelde productietijd, dat is het gemiddelde aantal arbeidsuren dat nodig is voor de vervaardiging van een product.

Zo beschouwden Marx en Engels het overigens ook. En in tegenstelling met wat sommigen zich voorstellen is deze manier van verrekening niet alleen toepasselijk op de communistisch gemeenschap, die een zeer hoog peil van ontwikkeling heeft bereikt, maar is toepasselijk op elke communistische gemeenschap, dus vanaf het moment, dat de arbeiders de productiemiddelen in gemeenschapsbezit hebben gebracht.

IV. De communistische productie

Vóór alles is het noodzakelijk uit te leggen, waarom er in de communistische economie niet gesproken wordt van ruil en waarde.

Goederen ruilen kan men enkel als men ze bezit. Ruilen is dan ook een goederenbeweging op grondslag van het privaatbezit. Ook in het communisme gaan de goederen van het ene bedrijf naar het andere, totdat ze voltooid zijn, en dan in de gemeenschap gaan om verbruikt te worden. Daar het privaatbezit echter verdwenen is in het communisme, is het beter te spreken van het doorgeven van goederen.

Onder het kapitalisme spreekt men van de waarde der producten. Echter de arbeider ruil daar zijn waar, dat is zijn arbeidskracht tegen een loon, dus tegen een hoeveelheid producten. In het communisme komt de arbeidskracht niet meer in het privaatbezit van de kapitalist, daar wordt geen arbeidskracht meer geruild. Daarom is het beter een nieuw woord te gebruiken en te spreken van de productietijd van de goederen.

In het communisme worden dus goederen doorgegeven op grondslag van hun productietijd.

Elk bedrijf berekent het aantal arbeidsuren, die in haar vast productie-middelen (gebouwen, machines) steken. Zij berekent tevens de hoeveelheid arbeidsuren die de circulerende productiemiddelen vertegenwoordigen. Tenslotte boekt zij de levende arbeid die zij er aan toevoegt. Telt men dan het aantal arbeidsuren op dat steekt in vaste en circulerende productiemiddelen die in een bepaalde tijdsruimte verbruikt zijn, en voegt men daar nog bij het aantal direct bestede arbeidsuren in dat tijdvak, dan komt men zo tot de totale productietijd van de producten, die in die tijd vervaardigd zijn. Het zou er dus als volgt voor een schoenfabriek uit kunnen zien:

P (gebouwen, enz.) + G (grondstoffen) + A (arbeidskracht) = productietijd.

Nemen we nu voor de duidelijkheid getallen, dan krijgen we bijvoorbeeld:

P (1.250 uur) + G (61.250 uur) + A (62.500) = productietijd (125.000 uur).

Heeft deze schoenenfabriek bijvoorbeeld 40.000 paar schoenen gemaakt in die tijd, dan is de productietijd voor één paar schoenen gemiddeld 3,125 arbeidsuur.

Alle bedrijven, zelfs de transportbedrijven en administratieve lichamen, die geen “producten” leveren, maar “diensten” verrichten, kunnen op deze wijze berekenen wat hun bedrijf, hun dienst aan de gemeenschap kost. Ook voor het totale bedrijfsleven kan deze formule gebruikt worden. Dan zouden we dus bijvoorbeeld krijgen (de index t wil zeggen: totaal):

P.t.+G.t.+A.t.=totale productietijd
108 miljoen+650 miljoen+650 miljoen=1.408 miljoen arbeidsuren

In de gehele productie-massa zit dan dus 1.408 miljoen arbeidsuren. Deze productie-massa moet nu zijn weg vinden. Wil men dan een nieuw productie-tijdvak beginnen (waarin men de productie op dezelfde voet zou willen voortzetten), dan moet alles weer aangevuld worden, wat in het voorgaande tijdvak verbruikt werd of verloren ging.

Dus moet men de slijtage aan productiemiddelen weer herstellen; dat is dan voor 108 miljoen arbeidsuren. Verder moet men opnieuw grondstoffen hebben, wat dus weer voor 650 miljoen arbeidsuren is. Nu blijven nog in totaal 650 miljoen arbeidsuren aan producten over. Deze dienen dus voor het verbruik van de arbeiders. Zodat ook hun arbeidskracht hersteld wordt.

Na deze verdeling kan dus het hele bedrijfsleven weer zijn gang gaan.

Hier moet echter nog iets gezegd worden over de verdeling van de verbruiksartikelen. Men zou bijvoorbeeld best ongeschoolde, geschoolde in intellectuele arbeid verschillend kunnen “waarderen”. Men zou bijvoorbeeld een ongeschoolde ¾ uur aan productie kunnen geven voor één uur arbeid, de geschoolde juist één uur en de intellectuele arbeider 1½ uur. Voedingsspecialisten zouden dan kunnen vaststellen hoe groot het “minimum-inkomen” van een ongeschoolde arbeider mag zijn.

Verschillende socialistische economen vonden dergelijk loonverschillen noodzakelijk, want “men kan voor licht en aangenaam werk niet hetzelfde loon betalen als voor zware, ongezonde arbeid” (Kautsky).

Het is nodig hier vast te stellen, dat dergelijke loonverschillen geen einde zouden maken aan de strijd om verbeteringen der arbeidsvoorwaarden in het communisme.

Deze opvatting vindt haar oorsprong in de toestand onder het kapitalisme, waar de kosten om van een kind en ongeschoolde arbeider te maken geringer zijn dan om van dat kind een geschoolde arbeider te maken. De ongeschoolden reproduceren dan ongeschoolden, de geschoolden reproduceren geschoolden, enzovoort.

Onder het communisme kan het bezoeken van onderwijsinrichtingen niet gebonden zijn aan de portemonnee van papa, maar enkel aan de geestelijke eigenschappen van het kind. Het heeft dus geen enkele zin verschil in loon onder het communisme te handhaven.

V. De gemiddelde productietijd, grondslag van de productie

In zijn werk “De proletarische revolutie en haar program” bewijst Kautsky dat de productie in de socialistische maatschappij niet georganiseerd kan worden zonder de kosten van de producten nauwkeurig te berekenen. Daaruit strekt hij dan de conclusie dat het geld moet dienen als rekeneenheid in de boekhouding en in het ruilverkeer.

Echter zou men zich kunnen indenken, meent hij, “dat iedere arbeider voor ieder arbeidsuur dat hij gewerkt heeft, een bewijs krijgt. Hiervoor krijgt hij recht op het product van een arbeidsuur. Voor ieder product zou dan berekend moeten worden hoeveel arbeid het gekost heeft” (blz. 318). Kautsky meent echter dat dit in de praktijk niet uitvoerbaar is. Omdat het, zelfs met het meest volmaakte statistische apparaat, een onmogelijk arbeid zou zijn, om van ieder product de productietijd te berekenen. En indien men dit dan berekend zou hebben, zou men weer van voren af aan moeten beginnen, omdat door technische veranderingen, enzovoort, de berekeningen dan al niet meer zouden kloppen.

Echter, reeds onder het kapitalisme moeten de kartelmagnaten (om de rationaliteit te kunnen nagaan) nauwkeurig weten hoeveel hen in ieder bedrijf, in iedere machine elke deelarbeid aan het product kost.

Dit geeft een kijk op de manier waarop de arbeiders in hun bedrijfsorganisaties de productietijd van de goederen kunnen berekenen. Met de productieformule: P + G + A = productietijd, kunnen de arbeiders van ieder bedrijf nauwkeurig uitrekenen hoeveel arbeidsuren er aan “hun” product besteed werd. Als dan het laatste bedrijf tenslotte haar eindproduct klaar heef voor het verbruik, dan weet deze laatste bedrijfsorganisatie meteen hoeveel arbeidsuren er in dat product steken; berekend vanaf het begin tot volledig eindproduct, transport enzovoort, inbegrepen.

De berekening bouwt zich zelf dus op, terwijl het product steeds verder wordt vervaardigd. De berekening ligt dan net zo duidelijk in de hand van de arbeiders zelf als het vervaardigen van de producten.

Niet alle bedrijven werken even productief, dat wil zeggen tegen dezelfde productietijd. Door betere machines, gunstiger ligging, enzovoort, kan het, dat bijvoorbeeld de éne schoenfabriek tegen gemiddeld 3,125 arbeidsuur een paar schoenen kan fabriceren, terwijl een andere fabriek daarvoor 3½ uur en weer een andere 3 uur per paar nodig heeft. Het gaat er nu om te berekenen hoeveel alle schoenen gemiddeld kosten. Tegen die productietijd. de maatschappelijk gemiddelde productietijd van een paar schoenen, gaan ze dan alle in de consumptie.

De berekening zou ongeveer hierop neerkomen:

Bedrijf nr. 1 produceert 40.000 paar schoenen à 3,125 uur is 125.000 uren.
Bedrijf nr. 2 produceert 65.000 paar schoenen à 3½ uur is 227.000 uren.
Bedrijf nr. 3 produceert 100.000 paar schoenen à 3 uur is 300.000 uren.
In de gehele branche dus 205.000 paar schoenen bevattende 652.500 arbeidsuren.
Dat zou per paar zijn 625.500 : 205.000 = 3,18 arbeidsuur.


Het is duidelijk, dat voor dergelijke berekeningen een boekhoudkundige verbinding tussen de verschillende bedrijven nodig is. Anders is het onmogelijk planmatig te produceren, op grondslag van de gemiddelde productietijd.

Een vooruitgang in de techniek, zodat er sneller geproduceerd kan worden, wordt geboekt, en als het product in de consumptie gaat is het eenvoudig “goedkoper”.

VI. De gemiddelde productietijd grondslag van de consumptie

Varga, de vroegere volkscommissaris van Sovjet-Hongarije, heeft in zijn boek “De economische problemen van de proletarische dictatuur” zijn ervaringen uiteengezet. Door de revolutie kwam de productie en de regeling van de consumptie in handen van de staat. Hij meent dat een gelijkmatige verdeling van de producten het meest rechtvaardig is. Deze verdeling zou dan zonder rekeneenheid, in natura moeten geschieden. Maar “daar voorlopig nog geldprijzen en geldlonen bestaan” moeten we ons bezig houden met “het vaststellen van de prijzen door de staat”.

Maar hoe hoog moeten deze prijzen vastgesteld worden? Dezen prijzen moeten hoger zijn dan wat de producten aan de staat kosten; anders zou er immer niets over zijn voor soldaten, beambten, onderwijzers, enzovoort. En ook zou er dan niets beschikbaar zijn voor het uitbreiden van de productie, wat toch zeer nodig is.

In de praktijk kwam men aan de bedragen door een indirecte belasting op de verschillende producten te leggen, Zo wil Varga bijvoorbeeld op brood en suiker, die voor de arbeiders van groot belang zijn, weinig belasting leggen. Hij verklaart echter zelf dat dit van weinig betekenis is, omdat de ontzaglijke bedragen die de staat verslindt toch van de arbeidersmassa’s moeten komen.

Het is duidelijk dat door deze prijzenpolitiek de arbeider niet kan nagaan of hij ontvangt wat hem toekomt. Er is geen direct verband tussen zijn arbeid en de producten die hij ontvangt. Alle prijzen worden vastgesteld in de “hogere regionen”.

Maar ook is het duidelijk, dat hier onherroepelijk weer een machtsstrijd moet ontstaan om de regeringsposten. Immers op deze posten wordt over de prijzen van de producten beslist! Als we verder weten dat door dezelfde mensen de lonen vastgesteld worden, dan krijgen we een duidelijk, hoewel niet volledig, beeld van de verslaving [bedoeld: slavernij].

De enige oplossing ligt hierin, dat de arbeider voor ieder uur dat hij werkt, ook een arbeidsuur aan producten ontvangt.

Wat betreft de sociale onkosten, ook deze moeten berekend worden; en gelijk door de gehele arbeidersklasse gedragen worden, doordat hen allen een gelijk deel van hun recht op producten wordt afgetrokken. Deze oplossing is de enige die doorzien kan worden en daarmee ook de enige waardoor de arbeidersklasse haar beschikkingsrecht over de producten kan behouden.

Hoe deze berekening van de sociale onkosten en deze aftrek kan plaatsvinden zullen we verderop zien.

VII. De openbare bedrijven

Behalve de gewone bedrijven, die producten vervaardigen, zijn er ook bedrijven nodig die geen producten afleveren. Dat zijn bijvoorbeeld: de bedrijfsorganisaties voor de boekhouding, ziekenzorg, het onderwijs, parken, enzovoort. Zij leveren geen producten, maar verrichten een dienst voor de gemeenschap. Zonder de diensten van deze openbare bedrijven kan de samenleving niet functioneren (1).

Van deze diensten kan iedereen gebruik maken. Het is niet nodig of niet mogelijk om de arbeiders voor deze diensten in arbeidsgeld te laten betalen.

Hier kan dus iedereen “gratis” en naar behoeften nemen. Het eigenaardige is nu, dat deze openbare bedrijven wel machines, grondstoffen en direct bestede arbeidsuren verbruiken, maar geen producten teruggeven. De kosten van deze bedrijven moeten op alle arbeiders verhaald worden. Maar hoe? Soms door prijzenpolitiek? We hebben gezien, dat de enige weg is: allen een gelijk deel van hun recht op producten aftrekken. Maar dan moeten we weten hoeveel er afgetrokken moet worden. We moeten dus eerst al deze sociale onkosten kunnen berekenen.

Ook hierbij komt weer de bekende productie-formule te pas. Immers als we het aantal arbeidsuren dat in deze bedrijven in de verbruikte machines en grondstoffen steekt bijeentellen, en daarbij voegen het aantal direct bestede arbeidsuren, dan hebben we het aantal arbeidsuren dat ons deze bedrijven tezamen kosten.

Dat zou dan bijvoorbeeld over een bepaald tijdvak kunnen zijn (de index o. betekent: openbare bedrijven):

P.o.+G.o.+A.o.=arbeidsuren van de “diensten”
8 miljoen+50 miljoen+50 miljoen=108 miljoen arbeidsuren

Deze 108 miljoen arbeidsuren moeten dus door alle arbeiders in gelijke mate gedragen worden.

Zoals we – in hoofdstuk IV – verondersteld hadden, zouden alle arbeiders in een bepaald tijdvak – laten we zeggen in hetzelfde – 650 miljoen arbeidsuren verricht hebben. Dus moest er ook 650 miljoen arbeidsuren aan producten voor het verbruik van alle arbeiders zijn. Van deze 650 miljoen moeten er dus nog 108 miljoen af. Er blijft dus voor alle arbeiders over 542 miljoen arbeidsuren aan producten. Ieder kan dan dus 542 / 650 = 0,83 deel van zijn verrichte arbeid in arbeidsgeld (2) uitbetaald krijgen. En de rest dan? Die krijgt hij in de vorm van ziekenhuizen, parken, enzovoort.

Met deze regeling is iedere “toewijzing” overbodig geworden. Alles is nauwkeurig bepaald door de productie zelf.

Hier moet echter nog de groei in het communisme besproken worden. Onder deze groei wordt verstaan dat steeds meer bedrijven “gratis” gaan werken, dus openbare bedrijven worden. Als een bepaald bedrijf goed werkt, is hier geen bezwaar tegen. Enkel dat gedeelte, dat de arbeiders in arbeidsgeld ontvangen wordt zo steeds kleiner.

Zo zou men dus geleidelijk aan in het voldragen communisme kunnen komen, waar het “nemen naar behoefte” werkelijkheid is geworden. De weg erheen is duidelijk afgebakend. Of in de praktijk alle bedrijven tot openbare bedrijven kunnen worden is een vraag van de praktijk en van niet zo wezenlijke betekenis.

Ook kunnen de arbeiders van verschillende districten het communisme met verschillende snelheid doorvoeren. Zo kunnen de arbeiders van een bepaald district besluiten om meer leeszalen te openen. Dat kan zonder bezwaar gebeuren. Immers de arbeiders van dit district kunnen dan zoveel minder ontvangen aan arbeidsgeld dat de kosten van deze leeszalen er uit zijn.

VIII. Boekhouding als samenvatting

Een boekhouding is een nauwkeurige beschrijving van hetgeen er in een bedrijf omgaat. Ze wil dus een overzicht op papier geven. Als we nu beschrijven wat er in een bedrijf onder het communisme gebeurt, krijgen we ongeveer:

Uit de gemeenschap opgenomen:
zoveel productiemiddelen
zoveel grondstoffen
zoveel verbruiksgeld (voor de consumptie)
In de gemeenschap doorgegeven:
zoveel afgeleverde producten

Als nu een bedrijf haar producten doorgeeft aan een volgend bedrijf, hoe moet men dit dan verrekenen? Het zou kunnen door betaling in arbeidsgeld. Toch lijkt de oplossing van alles enkel “overboeken” juister.

We zouden dus een soort van “girokantoor” krijgen, waar dan een overzicht onstaat over alles wat er in het gehele communistische bedrijfsleven gebeurt. Uit deze boekhouding zou door vergelijking van getallen blijken, hoeveel de productietijden van de verschillende bedrijven uiteenlopen. Als nu de productietijd van een paar schoenen bij de ene schoenenfabriek veel hoger ligt dan bij de ander, dan kan de bedrijfsorganisatie van deze schoenfabriek ter verantwoording geroepen worden.

Hiermee zijn we aan de taak van de communistische boekhouding toegekomen: een verantwoording van ieder bedrijf over zijn beheer over de maatschappelijke goederen.

Deze boekhouding is geen spitsvondige ontdekking, doch ze ontstaat noodzakelijk en “vanzelf” doordat van elke soort producten de gemiddelde productietijd berekend moet worden uit de verschillende productietijden van de verschillende bedrijven.

De bedrijfsorganisatie van de boekhouding heeft slechts in één bedrijf iets te beslissen: in haar eigen. Als zij aanmerkingen heeft op het beheer van andere bedrijfsorganisaties heeft, kan ze dit – als alle andere – doen op een Radencongres.

IX. De opheffing van de markt

De markt is de plaats waar de bezitters van producten elkaar ontmoeten om hun waren te ruilen. Deze markt moest volgens de opvattingen van Marx in het communisme verdwijnen.

De bolsjewiki met hun idee van verticale-trust-communisme hebben in de eerste jaren de markt willen opheffen. Dat dit niet gelukte kan door de voorstanders van deze “opheffing van de markt” geweten worden aan de ongunstige omstandigheden als burgeroorlog en slechte graanleveringen door de boeren. Daarom bespreken we hier enkel hun theorie.

De Opperste Economische Raad moest vaststellen hoeveel brood, vlees, suiker, textielwaren enzovoort nodig waren om de behoeften van de bevolking te bevredigen. De O.E.R. had ook een overzicht over de productiekrachten. Zo zou dan, door een nauwkeurige productie- en verbruiksstatistiek, de O.E.R. weten wat er geproduceerd kon worden en hoe dit verdeeld moest worden in “natura”. Daarmee kon de markt verdwijnen. Wilde deze statistiek goed kloppen, dan moest de leiding van het hele bedrijfsleven in handen van de O.E.R. liggen. Echter, dan moet de O.E.R. ook zonder meer de beschikking over de arbeidskracht, dus over het mensenmateriaal hebben. Trotski, toen voorzitter van het hoofdcomité voor arbeidsplicht, meende dat: “Als we ernstig van een planmatige productie willen spreken, als de arbeidskracht in overeenstemming met het productieplan in een gegeven ontwikkelingsstadium verdeeld moet worden, mag de arbeidersklasse geen nomadenleven leiden. Ze moet, net als de soldaten, vertransporteerd, verdeeld, afgecommandeerd worden” (Russische Korrespondenz, 1920, nr. 10, blz. 12). Duidelijk is hier, dat iedere stap in de richting van verzorging in natura een stap verder in de richting van de volkomen verslaving betekend. Hier is de dictatuur van het proletariaat verworden tot een dictatuur óver het proletariaat.

Een ander bezwaar tegen deze statistieken is, dat ze nooit de eigenaardige behoeften van iedere arbeider kunnen weergeven. Men komt als niet veel verder dan eenheidsbrood, een eenheids-confectiepakje, enzovoort. Bovendien veranderen de behoeften voortdurend, wat nooit door een statistiek met haar starheid ondervangen kan worden.

Burgerlijke critici vonden deze “opheffing van de markt” een dankbaar onderwerp. Hun markt deed het nog altijd beter. Daar werden de behoeften spelenderwijs op de productie aangepast, door vraag en aanbod. Immers stijgt de vraag naar een bepaald product dat stijgt de prijs. Onmiddellijk wordt dan de productie in dat artikel vergroot. Wordt de vraag geringer, dan dalen de prijzen, en de productie wordt dan beperkt. Nu is dit “aanpassen aan behoeften” alleen waar in kapitalistische zin. Immers hoe de productie ook vergroot wordt, en hoe de behoeften van de arbeiders ook groeien, nooit krijgt de arbeider meer dan een loon dat schommelt om de waarde van zijn arbeidskracht, dat is ongeveer de hoogte van het loon, maar kent niet de behoeften van de arbeiders. Er is onder het kapitalisme dus ook geheel geen aanpassing aan behoeften.

Deze burgerlijke kritiek kunnen we dan ook veilig terzijde leggen. Maar de theorie van de bolsjewiki? Dat kan onze oplossing niet zijn, trouwens het is ook niet de marxistische oplossing.

De markt is de plaats waar de bezitters van producten elkaar ontmoeten om hun waren te ruilen. Goederenbeweging vindt in het communisme ook plaats, daarin kan dus het opheffen van de markt niet zitten. Maar er gebeurt op de markt meer; men ruilt er goederen, die in privaatbezit zijn! Dáárom moet in het communisme, waar het privaatbezit verdwijnt, ook noodzakelijk de markt verdwijnen. De markt verdwijnt: “omdat onder de veranderde omstandigheden niemand iets geven kan, behalve zijn arbeid en omdat anderzijds niets in het eigendom van enkelingen over kan gaan, behalve individuele consumptiegoederen” (Marx, “Randglossen”, blz. 25).

Zoals gezien blijft de goederenbeweging. De goederen worden doorgegeven op grondslag van de productietijd. Als deze producten klaar zijn komen ze in coöperaties, waar ze tegen arbeidsgeld in handen van de consumenten komen. Hier schijnt het dat de markt is blijven bestaan. Toch is dit niet zo, het privaatbezit is verdwenen, en daarmee ook de oude wetten van vraag en aanbod.

Maar hoe moet nu, als de markt verdwenen is, de productie naar de behoeften geregeld worden? Zoals er dan een “associatie van vrije en gelijke producenten” bestaat, kan er ook een “associatie van vrije en gelijke producenten” ontstaan. In deze coöperaties kunnen alle individuele wensen naar voren komen, en hier tevens samengevat worden. Deze coöperaties worden direct met de bedrijfsorganisaties, dus met de productie verbonden. Zo worden de behoeften direct, en samengevat op de productie overgedragen.

X. Het uitbreiden van de productie

Tot nu toe hebben we het vraagstuk van de uitbreiding van de bedrijven verwaarloosd. Wel hebben we de slijtage aan machines, enzovoort berekend, maar hebben in de berekeningen nooit méér uitgetrokken, dan nodig was om de productie op dezelfde voet voort te zetten. Toch zal uitbreiding zeer noodzakelijk zijn, en zijn eigenaardige moeilijkheden meebrengen.

We zullen hier nog even de productieformule voor het totale bedrijfsleven neerzetten:

P.t+G.t+A.t=totale productietijd
108 miljoen+650 miljoen+650 miljoen=1.408 miljoen arbeidsuren

Er zijn dus (108 en 650) 758 miljoen arbeidsuren noodzakelijk voor herstel van de productie. Terwijl er 650 miljoen arbeidsuren voor de consumptie beschikbaar zijn.

Maar dan is er niet meer over voor uitbreiding!

Willen we toch uitbreiden, dan kan dit alleen ten koste van de consumptie van de arbeiders. Daarom zal ook de snelheid waarmee uitgebreid wordt zeker een belangrijk punt van bespreking vormen in het communisme.

Zou ieder bedrijf kunnen uitbreiden zoveel als het maar nodig achttte, dan zou het kunnen gebeuren dat sommige bedrijven daardoor niet konden uitbreiden, óf dat de consumptie voor de arbeiders te gering werd. Het is nodig regels te vinden die voor alle bedrijven gelden, om dit te voorkomen. Deze algemeen geldende regel kan bijvoorbeeld bestaan in het besluit van een Algemeen Radencongres, om elk bedrijf het recht te geven op 10% uitbreiding. Elk bedrijf kan dan een hoeveelheid materialen gelijk aan 10% van haar productiemiddelen en grondstoffen uit de gemeenschap trekken voor haar uitbreiding zonder dat er storingen ontstaan.

Herinneren we ons de productieformule van onze reeds overbekende schoenfabriek:

P+G+A=productietijd
1.250+61.250+62.500=125.000 arbeidsuren

Deze schoenfabriek zou dan in dit geval met 10% van (1.250 + 61.250 arbeidsuren is) 62.500 arbeidsuren, dus met 6.250 arbeidsuren aan materialen kunnen uitbreiden.

Nu kan het gebeuren dat er bedrijven zijn die méér dan 10% uitbreiding nodig hebben, terwijl er andere zijn die met minder ruim voldoende hebben. Deze laatste bedrijven kunnen zonder bezwaar hun recht aan andere bedrijven overdoen. Hoofdzaak is dat er in het totaal niet boven de vastgestelde norm wordt uitgebreid.

Wat de bedrijven betreft is de zaak nu in orde, maar hoe moeten deze uitbreidingen op de concumptie van de arbeiders verhaald worden? Ook hier liggen weer mogelijkheden voor prijzenpolitiek, die natuurlijk afgewezen moeten worden. De enige “doorzichtige” oplossing is weer die van de aftrek.

In onze veronderstelde totale productie (zie in het eerste gedeelte van dit hoofdstuk) werd voor 758 miljoen arbeidsuren aan materialen besteed voor het herstel van productiemiddelen en grondstoffen. Zouden nu alle bedrijven van hun recht gebruik maken, dan zouden ze dus 75,8 miljoen arbeidsuren gebruiken voor uitbreiden. Deze 75,8 miljoen arbeidsuren moeten nu verkregen worden door directe aftrek van de consumptie. De totale consumptie was 650 miljoen arbeidsuren. Iedere arbeider moet dus 75,8 / 650 =&nbsol0,12 deel van zijn arbeidsgeld missen voor de uitbreiding van de productie. Hij ontving door de aftrek voor de openbare bedrijven reeds nog 0,83 gedeelte, nu nog 0,83 - 0,12 = 0,71 gedeelte van zijn arbeidsgeld.

XI. controle op het bedrijfsleven

In de praktijk van de Russische revolutie ontstonden arbeidersraden die de kapitalisten controleerden, en zelfs vaak directeuren en ambtenaren ontsloegen. De bolsjewiki namen hun leuzen over en wilden na het aan de macht komen deze raden handhaven. Bij het decreet van 14 november 1917 werd hun macht afgepaald. De oude specialisten en bezitters, die op hun posten gehandhaafd moesten worden weigerden onder deze controle te werken. Sabotage van de productie, bedrijfssluiting, enzovoort, waren het gevolg. De bolsjewiki moesten nu de arbeiderscontrole onschadelijk maken. Deze arbeiderscontrole kon door het geringe en zwakke proletariaat trouwens niet gehandhaafd blijven. Deze arbeidersraden werden onder andere tot onderdelen van de vakverenigingen gemaakt, en daarmee werd hun zelfstandigheid beknot.

In het communisme is ieder bedrijf een rechtseenheid, en dus verantwoording schuldig aan de samenleving. De gemiddelde productietijd van ieder bedrijf is de onverbiddelijke controleeur, die precies laat zien hoe voordelig elk bedrijf werkt. Mochten er berekeningen fout zijn, dan moeten er noodzakelijk ergens goederen te kort of te veel komen.

Het is dus geen controle door personen of leidende instanties, maar een controle door de gang van de productie zelf en haar afspiegeling in de boekhouding.

XII. Het boerenbedrijf en het communisme

Volgens de economen die de vertrusting aanzien voor de vermaatschappelijking van de arbeid ontwikkelt het boerenbedrijf zich slechts langzaam naar deze vermaatschappelijking. Immers de middel- en kleinboeren handhaven zich nog best. Bezien we echter het produceren van waren voor de markt, dus voor anderen, als vermaatschappelijking van de arbeid, dan is dit totaal anders. Daar de boer steeds meer geld nodig had om zijn verplichtingen (hypotheken, belastingen) te voldoen, en tevens om kunstmesten, enzovoort te kopen, moet hij steeds meer producten op de markt gooien. Veel bedrijven gingen over tot produceren van slechts enkele producten of tot het houden van haast enkel veestapels. Deze bedrijven werken helemaal voor de markt. Door deze ontwikkeling is het boerenland even afhankelijk van de stad, als de stad van het boerenland. Daarom zullen, als de proletarische revolutie zich energiek doorzet, de boeren ook mee moeten.

Het half-proletariaat (het proletariaat van het land, dat in zijn vrije tijd ook nog een stuk grond bewerkt) kan hier – zoals in de Duitse revolutie – een drijvende kracht zijn in de richting van de proletarische revolutie.


Noten van de uitgever

1. Het onderscheid tussen openbaar en niet-openbaar, net als tussen diensten en producten, zoals hier geformuleerd, is vals: openbare bedrijven leveren wel degelijk “producten”, zoals onderwijs en gezondheidszorg, die bovendien zelf heel goed verrekend kunnen worden. De beslissing of iets “gratis” is dan wel verrekend wordt is geen administratieve, maar een politieke beslissing; is iets “gratis” (voor de hele bevolking) dan werken de arbeiders ook voor wie zelf niet werkt (zoals kinderen, zieken, bejaarden), een aspect dat hier niet aan bod komt; de “openbare sector” is bovendien ook geen “staatssector”. De verwarring staat niet in de oorspronkelijke samenvatting door Adhémar Hennaut.

2. “Arbeidsgeld”: een ongelukkige, en ook verkeerde uitdrukking die verderop nog een paar keer herhaald wordt, ook “verbruiksgeld” genoemd: het is geen “geld”, het gaat om consumptiebonnen.


© Hoewel de Communistische Linkerzijde in het algemeen afzag van het opeisen van kopierechten of rechten op “intellectueel eigendom” kunnen sommige publicaties onder dat recht vallen; mocht dat het geval zijn, dan is het gebruik alleen gratis voor persoonlijke raadpleging. Materiaal vrij van kopierechten, uitsluitend op voorwaarde van niet commercieel gebruik, kan vrij worden verspreid. Een verwijzing naar deze bron wordt op prijs gesteld, net als een verwittiging. Aangaande handelsgebruik kunt u contact met ons opnemen.


Compiled by Vico, 29 January 2016