Home | Contact | Links       
Antonie Pannekoek Archives
 

Thema: De economische oplossing voor de overgangsperiode van kapitalisme naar communisme


Marxisme en staatscommunisme
Het afsterven van de staat


Marxisme en staatscommunisme ; Het afsterven van de staat. – Amsterdam : Groepen van Internationale Communisten, 1932. – 18 p.
Bron: Collectie a.a.a.p.
English


Overzicht


Met de verovering van de productiemiddelen zet de economische revolutie in

Is de heerschappij van de arbeidersklasse in een industrieel land tot werkelijkheid geworden, dan staat het proletariaat voor de taak, de omvorming van het economisch leven op nieuwe grondslagen, op die van de gemeenschappelijke arbeid, te beginnen. De opheffing van het privaatbezit is gemakkelijk uitgesproken: het zal de eerste maatregel van de politieke heerschappij van de arbeidersklasse zijn. Maar dit is slechts een rechtskundige daad, die de grondslag voor het werkelijk economisch gebeuren zal leggen. De werkelijke omvorming en het werkelijk revolutionaire werk begint dan eerst.


Het Leninistische staatscommunisme
De loonarbeider blijft loonarbeider

Voor zover dit probleem door de officiële communisten behandeld wordt, geldt het als een uitgemaakte zaak, dat de staat deze taak te volbrengen heeft.

De Russische bolsjewistische partij heeft de gedachte van het aan de staat brengen van de productiemiddelen consequent doorgevoerd, sinds de revolutie van 1917. Dat dit slechts op beperkte schaal gelukt is, ligt aan de achterlijke toestand van de maatschappelijke productie in Rusland; tot op zekere hoogte een natuurlijke grens, die aan het aan de staat brengen van de productiemiddelen gesteld is. Het is daarom dan ook niet de vraag, of en tot welke omvang het doorvoerbaar is, maar veeleer, of het aan de staat brengen der productiemiddelen door de overwinnende arbeidersklasse, zoals dit in de bolsjewistische theorie en praktijk naar voren komt, de weg is, die naar het communisme voert.

Hierop heeft de ontwikkeling van het Russisch bedrijfsleven onder bolsjewistisch bestuur een duidelijk antwoord gegeven. Het staat heden vast dat de arbeiders in het aan de staat gebrachte deel van het bedrijfsleven loonarbeider gebleven zijn. De staat is in de plaats van de vroegere privaatkapitalisten gekomen, en aan deze verkoopt hij zijn arbeidskracht. De staat stelt daarbij dit loon bij de wet vast en laat door de vakvereniging, die zelf staatsorgaan geworden is, de uitvoering van de arbeidswetten regelen. De loonwetten, die op het ogenblik in Rusland in werking zijn geven 17 loonklassen te zien, verder stukloon, premies, enz. In een woord: de aan de staat gebrachte industrie berust evenals de privaatkapitalistische productie op de uitbuiting van de arbeidskracht.


De staatsbureaucratie wordt heersende klasse
Sovjetverkiezingen zijn in dit systeem een wassen neus
De “vrije” arbeiders veroveren ten slotte “medezeggenschap” der arbeiders

De staat zelf – die men in Rusland de staat van arbeiders en boeren noemt – staat als bezitter der productiemiddelen tegenover de klasse van de loonarbeiders. De gecentraliseerde bovenste spits van de staatsbureaucratie is wetgevend en uitvoerend orgaan van de staat en tegelijk leider der productie. Ze neemt de plaats in, die het monopoliekapitaal in het privaatkapitalisme heeft, en ze vertegenwoordigt feitelijk de nieuwe heersende klasse: staatsbureaucratie en boerenklasse. De arbeiders verkopen aan deze staat hun arbeidskracht, maar kunnen dat alleen volgens de arbeidswetten, waarin de prijs en de arbeidsvoorwaarden door de staatsbureaucratie is vastgesteld. Een ongehoord scherpe uitbuiting wordt zo door de wet voorgeschreven en tegenstand in principe als contrarevolutionair onderdrukt. Discipline en het zich onderschikken aan de staat voltooien verder deze dwangorganisatie. Men vraagt zich vergeefs af, waar hier de eerste eis van het communisme, “bevrijding van loonarbeid” verwezenlijkt is.

Anderzijds worden de arbeiders, zoals trouwens de hele bevolking, naar de sovjetverkiezingen en de deelname aan partij en vakverenigingsleven verwezen voor het beďnvloeden van economie en politiek van de staat. Als men echter bedenkt dat de sovjetverkiezingen door de almachtige staatsbureaucratie (en de bezittende boerenklasse) beslissend beďnvloed worden, dat partij en vakorganisatie een mach-tig instrument van de bureaucratie zijn, zal men erkennen dat de invloed van het proletariaat zich langs deze weg niet kan doorzetten. Er blijft praktisch niet meer van over dan de door de sociaaldemocraten ook in het kapitalisme geëiste “medezeggenschap” der arbeiders.


De “associatie van vrije en gelijke producenten”

Volgens Marx is de staat een speciaal onderdrukkingsinstrument:
– in het kapitalisme: tot onderdrukking van de arbeidersklasse
– onder de proletarische dictatuur: tot het neerhouden van de bourgeoisie en van de contrarevolutie.
Daaruit volgt echter nog lang niet dat de staat in een communistische maatschappij door centrale leiding en concentratie van het hele economische leven tot uitsluitende macht in de samenleving moet worden. Juist integendeel hebben zowel Marx als Engels het standpunt ingenomen dat het kenmerk van een communistische samenleving in “de associatie van vrije en gelijke producenten” bestaat, en dat de staat, als er niets meer te onderdrukken is, – dus als de tegenstand der bourgeoisie en de ideologische beďnvloeding van de arbeiders door deze overwonnen is, moet verdwijnen. De “associatie van vrije en gelijke producenten” heeft geen klassentegenstelling meer en daarmee is in zulk een samenleving de staat als machtsinstrument overbodig geworden.

Lenin is de grondlegger van het staatscommunisme. Waar hij in Staat en revolutie de grondpeiler voor deze theorie opricht, beroept hij zich op Marx en Engels. Weliswaar is dit geschrift als verdediging van de proletarische dictatuur tegen het mensjewisme geschreven en in dit opzicht een blijvende verdienste, maar de vorm, die deze dictatuur volgens Lenin aan moet nemen, is in strijd met de opvattingen, die de grondleggers van het wetenschappelijk communisme erover hadden. Dat is zelfs te zien aan de citaten, die Lenin uit de geschriften van Marx en EngeIs maakt. Zo citeert Lenin o.a. Engels:

“De staat bestaat dus niet sinds eeuwig. Er hebben maatschappijen bestaan, die van staat en staatsmacht geen begrip hadden. Op een bepaalde trap van de economische ontwikkeling, die met een splitsing van de maatschappij in klassen noodzakelijk verbonden was, werd door deze splitsing de staat een noodzakelijkheid. Wij naderen nu met rasse schreden een trap van ontwikkeling van de productie, waarop het bestaan van deze klassen niet alleen opgehouden heeft een noodzakelijkheid te zijn, maar waarop het een bepaalde hindernis der productie wordt. Zij zullen vallen, even onvermijdelijk, als ze vroeger zijn ontstaan. Met hem valt onvermijdelijk de staat. De maatschappij, die de productie op de grondslag van vrije en gelijke producenten organiseert, zet de hele staatsmachine daar, waar ze dan behoren zal: in het museum van oudheden, naast het spinnewiel en de bronzen bijl.”
(Staat en revolutie, blz. 17) (1).

Engels zegt op een andere plaats, dat de productiemiddelen staatseigendom zullen worden. Daarom grondvest Lenin zijn theorie op deze uitspraak.

Maar het moet een eigenaardige staat zijn, want hij wordt alleen geschapen (dictatuur van het proletariaat), om slag op slag alle macht weg te geven, zich langzamerhand overbodig te maken.

Hoe nu echter, als de staat “het bestuur van zaken en de leiding der productieprocessen” in zijn hand concentreert, en zo door middel van de beschikking over het productieapparaat de arbeiders des te zekerder beheerst?

Als het bestuursapparaat in handen ligt van een kleine partij die ook over de politieke macht beschikt, gaat het in werkelijkheid om de beheersing van de brede massa’s. Ook de uitvlucht dat deze partij “de partij ven het proletariaat” is, verandert hieraan niets. Men moet altijd bedenken, dat dit bestuursapparaat, zoals het Russische voorbeeld leert, als centraal organisatorisch apparaat alléén van het centrum uit beheerd kan worden. Binnen dit apparaat is voor “vrije producenten” (de arbeiders) geen plaats. Het zou niet overeen komen met een centrale leiding. Daardoor zien we dan ook dat straffe discipline, het zich onderschikken aan de bevelen der bovenste leiding tot een geloofsdogma van de Russische economie en politiek geworden is.

De Sovjetverkiezingen moeten – in de theorie – de waarborg leveren, dat de staat, die “in naam van de samenleving” de productiemiddelen overneemt, ook werkelijk in naam van de maatschappij de zaken beheert, en het productieapparaat leidt. De praktijk wijst uit, dat de staatsbureaucratie haar plannen met alle machtsmiddelen doorzet, en dat ervan de sovjetverkiezingen niets terecht komt. Dus een beďnvloeding van het staatsbeheer door door sovjetverkiezingen vindt niet plaats, ook niet in de staatspartij (K.P.R.) en de vakvereniging. De staatsbureaucratie laat een andere dan haar eigen politiek niet opkomen. Het hoeft niet nog gezegd te worden, dat de democratie in dit staatscommunisme, namelijk partij en vakverenigingsorganisatie en sovjetverkiezingen geen waarborg kan leveren, dat de staat afsterft, zoals Marx en Engels dat eisten en ook Lenin het voorstelde.


De in één hand gecentraliseerde productie bepaalt een nieuwe vorm van overheersing
De staat kan daardoor niet afsterven
De democratie kan evenmin afsterven
De democratie blijft het vijgenblad om de onderdrukking te versluieren

Wij maken de gevolgtrekking, dat deze regering of centrale leiding niet afsterven kan, maar juist integendeel zich steeds meer moet bevestigen, als gevolg van het op deze wijze in bezit nemen van de productiemiddelen. Het betekent metterdaad het ondergeschikt maken van de producenten, die vrij willen zijn, aan de regering, hun economische afhankelijkheid van haar en daarmee ook hun beheersing. Als troost hebben ze dan het uitzicht dat ze hun eigen overheersing in overeenstemming met hun belangen kunnen vormen. Deze weg ligt echter buiten hun functie als producenten, het is de weg van de democratie.

Ongetwijfeld: als producenten vormen de arbeiders een macht, maar als zodanig moeten ze zich schikken onder de centrale leiding. Buiten de bedrijven zouden ze alleen dan een beslissende macht zijn als ze de wapens in handen hadden. We zien echter in Rusland, dat de arbeiders ontwapend werden en dat daarentegen een rood leger gevormd werd, dat ter beschikking van de centrale regering staat. Daardoor is in deze democratie niet de minste invloed van de arbeiders. In wezen onderscheidt ze zich in niets van de burgerlijke democratie en valt er tegen een stevig zittende bestuursbureaucratie niets mee te beginnen. (Dat dit in Rusland zo gekomen is, ligt allereerst aan de sociale verhoudingen in dat land. Deze hebben dan ook het Russische staatscommunisme de overwinning bezorgd. Tegelijk kan men echter hieruit zien, wat een slag het voor de arbeidersklasse moet zijn, als in hoogkapitalistische landen geprobeerd wordt, het staatscommunisme naar Russisch model door te voeren).

Het resultaat van het in bezit nemen van de productiemiddelen door de staat volgens de theorie van Lenin, dus hun centrale organisatorische leiding en beheer, zal daardoor een nieuwe, sterker wordende staat en wel een onderdrukkingslnstrument der heersende bureaucratie zijn. De democratie is dan net als in de burgerlijke maatschappij het vijgenblad, dat de nieuwe overheersing der arbeiders moet bedekken.

Ondanks dat heeft Lenin in Staat en revolutie uitgesproken, dat deze staat afsterven moet, ja, hij komt zelfs tot de juiste gevolgtrekking, dat de democratie eveneens moet afsterven.

“Het “afsterven”, of zelfs nog plastischer en dieper op de zaak ingaande – het “inslapen”, heeft bij Engels volkomen duidelijk en bepaald betrekking op het tijdstip na “het in bezit nemen der productiemiddeLen door de staat in naam der geheele maatschappij”, dat wil zeggen na de sociale revolutie. We weten alle, dat de politieke vorm van de staat dan de volkomenste democratie is. Maar bij geen der opportunisten, die schaamteloos het marxisme verdorren en verstenen, komt het op, dat Engels hier dus van het “afsterven” en “inslapen” van de democratie spreekt.”
(Staat en revolutie, blz. 20) (2).

Ongetwijfeld bedoelt Lenin daarmee de democratie in het staatscommunisme. Afgezien van de werkelijke ontwikkeling in Rusland, die een tegenovergestelde is, rest ons niets dan de woordelijke herhaling van de woorden van Engels daar tegenover te stellen:

“In plaats van de regering over personen komt het beheer over zaken en het leiden van productieprocessen. De staat wordt niet ‘afgeschaft’, hij sterft af.” (3).

Het is duidelijk, dat de theorie van Lenin hier met zichzelf in tegenspraak is.


De tegenstelling in de Leninistische staatstheorie

Zaak is dus, de tegenspraak in de Leninistische staatstheorle bloot te leggen. Wanneer het afsterven van de proletarische staat en met haar van haar democratie, bereikt moet worden, kan men niet tegelijkertijd de maatschappij politiek en economische onder de strafste centrale leiding van de regering dwingen. Want dit komt neer op het bestaan van een nieuwe staat met grotere en verdergaande machtsbevoegdheid dan de burgerlijke staat in het kapitalisme heeft. Dat deze echter op een gegeven tijdstip haar macht vanzelf loslaten zou, ja, ook maar zelfs in staat daartoe zou kunnen zijn, zonder ineenstorting van het gehele centraal opgebouwde productie- en bestuursapparaat, dat kunnen slechts politieke zuigelingen geloven. Integendeel zal hij proberen zijn macht te bevestigen en tot een geweldig onderdrukkingsinstrument groeien, zoals nog geen samenleving er een gezien heeft.

Ook een nieuwe heerserskaste groeit in dit nieuwe staatscommunisme op. Het zijn de uit de arbeiders omhoog gestegen leiders en de overlopers uit de bourgeoisie, die zich in dienst stellen van het staatscommunisme en zich meester maken van het centrale bestuursapparaat. Juist dit komt in het hedendaagse Rusland duidelijk aan het licht. Slechts een verdwijnend klein deel van de Russische arbeiders was in staat een leidende functie in te nemen in het bestuursapparaat van de aan de staat getrokken productie. Men moet om de zaak aan de gang te krijgen, de beambten en de leiders van het kapitalistische systeem overnemen. Deze nu, als communisten gelegitimeerd door opname in de Communistische Partij, beheersen te zamen met de bevoegde arbeiders, – de leiders –, de productie van het land. Ze vormen een nieuwe heerserskaste en gebruiken hun machtspositie ook heden reeds om materieel een veel betere plaats in te nemen dan de arbeiders. Roerende klachten der Russische arbeiders, die tot in de officiële kranten – zoals de “Pravda” – doordringen (dat wil heel wat zeggen in het huidige Rusland) vestigen de aandacht er op, dat de bureaucraten slechts voor henzelf zorgen, zonder acht te slaan op de meest krasse noodtoestanden van de arbeiders. Daarom is het ook niet verwonderlijk, dat in Rusland zelf het woord “sovjet-bourgeoisie” ontstaan is.

Het staatscomrnunisme staat in tegenstelling tot de stelling, dat de staat in het communisme afsterven moet. Slechts één van twee kan mogelijk zijn: ňf staatscommunisme, d.w.z. centrale organisatorische leiding en bestuur van de productie door de staat – dan blijft de staat, en versterkt zijn macht – óf het afsterven van de staat en de democratie, terwijl de maatschappij tot de associatie van vrije en gelijke producenten overgaat en daardoor een staatsonderdrukkingsmacht overbodig wordt. Dan echter moet het centrale apparaat van de leiding der productie door de staat vallen.


Lenin als staatscommunist

“Een geestig Duits sociaal-democraat uit de jaren 1870-1880 noemde de post het voorbeeld van de socialistische maatschappelijke orde. Dat klopt. Tegenwoordig is de post een bedrijf, dat naar het voorbeeld van het kapitalistische monopolie van de staat is georganiseerd. Het imperialisme veranderd gaandeweg alle trusts in organisaties van deze soort. Boven de ‘eenvoudige’ werkenden, die zich afjakkeren en gebrek lijden, staat hier de burgerlijke democratie. Maar het mechanisme van het algemeen openbaar bedrijf staat hier reeds gereed. De kapitalisten ter neder werpen, door de ijzeren vuist van de gewapende arbeiders de tegenstand van deze uitbuiters breken, de bureaucatische machine van de tegenwoordige staat vernietigen, – en we hebben een van het ‘parasietendom’ bevrijd, technisch hoog toegerust mechanisme voor ons, dat de verenigde arbeiders zelf volkomen in beweging kunnen zetten, wanneer zij technici, opzichters en boekhouders aanstellen en hun alle arbeid, evenals de arbeid van alle staatsambtenaren in ’t algemeen, met het arbeidsloon betalen. Dit is een geheel concrete praktische taak, die, wat alle trusts betreft, terstond te verwezenlijken is en de werkenden voor uitbuiting beschermt.”
“De gehele volkshuishouding georganiseerd naar het voorbeeld van de post, zodat de technici, boekhouders en alle ambtenaren niet meer tractementen krijgen dan de arbeider loon krijgt, onder controle en onder leiding van het gewapende proletariaat ”– dat is onze eerste taak.”
(Staat en revolutie, blz. 50) (4).

Onomwonden zegt Lenin hier, dat de centrale leiding en het beheer van de productie in het staatscommunisme naar het voorbeeld van de post, of liever, op de wijze van een staatskapitalistisch monopolie geschieden zal. “technici, opzichters en boekhouders, alsmede alle ambtenaren” zijn dan juist staatsbeambten, beambten in het staats-productie-monopolie, dat de gehele productie beheerst.”“een mechanisme van het algemeen openbaar bedrijf, dat naar het voorbeeld van het kapitalistische monopolie van de staat is georganiseerd”, dat is de kenmerkende beschrijving voor het Staatscommunisme, zoals Lenin dat ontwikkelt.

Het is hier noodzakelijk erop te wijzen, dat Engels (en ook Marx op een andere plaats) gezegd heeft: “Het proletariaat maakt zich meester van de staatsmacht en maakt van de productiemiddelen allereerst staatseigendom.”

Het heeft de schijn alsof hij hetzelfde zegt als Lenin, maar hij legt er de nadruk op, dat de productiemiddelen “allereerst” in staatseigendom gebracht zullen worden en hij beweert verder, dat de in bezitname van de productiemiddelen in naam van de maatschappij tegelijkertijd de “laatste zelfstandige daad” van de proletarische staat is.

Hieruit blijkt duidelijk, dat de inbezitname der productiemiddelen slechts een andere daad moet inleiden en deze kan slechts wanneer men ten minste de leer van Marx en Engels niet op zijn kop wil zetten “de associatie van vrije en gelijke producenten” zijn. Leidt de inbezitname der productiemiddelen door de proletarische staat deze associatie in, dan groeit een “beheer van zaken” en een “leiding van productieprocessen”, terwijl de geassocieerde maatschappij van vrije en gelijke producenten haar leven op vrije economische grondslag zelf regelen zal. Slechts in de mate, waarin deze associatie om zich heen grijpt, wordt de onderdrukkingsmacht van de staat overbodig, kan en zal de staat afsterven. Tegelijkertijd echter is het in het leven roepen van deze associatie, die het afsterven van de staat bewerkt, de enige taak van de proletarische dictatuur. Slechts in deze zin kan de uitspraak van Marx en Engels begrepen worden. Marx en Engels hebben er zich wel voor gewacht het in bezit nemen der productiemiddelen door de staat voor te stellen als een “mechanisme van het algemeen openbaar bedrijf, dat naar het voorbeeld van het kapitalistische monopolie van de staat is georganiseerd”.

Zo’n opvatting is slechts het product van “een geestige sociaal-democraat”, maar heeft met Marx en Engels niets uit te staan. Lenin heeft hier de wijze waarop de “geestige sociaal-democraat” de Marxistische leer uitlegt, tot de zijne gemaakt en moest zo noodzakelijk tot de starre, mechanistische opvatting van de socialistische maatschappij komen, zoals hij zich in het staatskapitalisme toont. De staat, die het monopolie der productie in handen heeft, vertegenwoordigt hier de maatschappij, - in dit opzicht is niet het geringste onderscheid met de sociaal-democratische theorie van de nationalisatie.


“Nationaliseren” en “vermaatschappelijken” (5)

Ofschoon Marx geen “schildering” van het communistisch bedrijfsleven gegeven heeft, mag het bekend worden geacht, dat volgens hem de regeling van de productie “niet door de staat, maar door de verbinding van de vrije associaties van de socialistische samenleving” tot stand zou komen, een opvatting, die Marx volgens de reformist Cunow aan de liberaal-anarchistische stromingen van zijn tijd zou ontlenen (H. Cunow, Die marxsche Geschichts-, Gesellschafts- und Staatstheorie, I, blz. 309).

Het beheer en de leiding van productie en distributie zouden direct aan de producenten en consumenten zelf toevallen en niet langs de omweg van de staat.

De gelijkstelling van staat en samenleving is pas een uitvinding van latere jaren.

Omstreeks 1880-1890 werd dit standpunt dan ook nog door de sociaal-democratie ingenomen, wat bijvoorbeeld heel duidelijk tot uitdrukking komt in een rede, die de oude Liebknecht hield naar aanleiding van de pogingen, om de spoorwegen, de kolenmijnen en andere grote industrieën in handen van de staat te brengen. Hij zei:

“Hoe meer de burgerlijke maatschappij inziet, dat ze zich op den duur niet tegen de stormloop van de socialistische ideeën verdedigen kan, des te dichter zijn we bij het tijdstip, dat het staatssocialisme in volle ernst geproclameerd zal worden en de laatste strijd, die de sociaal-democratie te strijden heeft, zal uitgevochten worden onder het parool: ‘Hier sociaal-democratie – Daar staatssocialisme!’”

Cunow tekent hier bij aan:

“Dienovereenkomstig verklaarde ook het congres (van de sociaal-democratische partij) zich tegen het aan de staat brengen van de bedrijven; want sociaal-democratie en staatssocialisme werden ‘onverzoenlijke tegenstellingen’ genoemd.”
(Cunow, als boven, blz. 340).

In de strijd om “sociale hervormingen” werd dit standpunt echter reeds omstreeks 1900 opgegeven en werd het “nationaliseren”, het aan de staat of gemeente brengen van verschillende takken van bedrijf, als een steeds verder opschuiven naar het socialisme voorgesteld. In sociaal-democratische terminologie heten zulke be-drijven dan ook “gemeenschapsbedrijven” ofschoon de producenten met het beheer en de leiding niets te maken hebben.

Ook de Russische revolutie verliep volkomen volgens het schema van de “nationalisatie” van de industrie. Ook hier werden de takken van bedrijf, die daartoe “rijp” waren, in het centrale staatsapparaat gevoegd. In 1917 begonnen de producenten de bezitters in verschillende bedrijven te onteigenen, tot groot ongemak van hen, die het bedrijfsleven “van boven af” wilden leiden en beheren. De arbeiders wilden de productie op nieuwe grondslagen volgens communistische regels organiseren.

In plaats van deze regels kregen ze stenen voor brood: de Communistische Partij gaf richtsnoeren, waarnaar de bedrijven zich tot trusts moesten verenigen, om ze onder centrale leiding te krijgen. Wat niet in het centrale beschikkingsplan opgenomen kon worden, werd aan de bezitters teruggegeven, omdat deze bedrijven nog niet “rijp” waren. Zo zien we dan, hoe al direct op het eerste Al-Russische Congres van de Economische Raden het volgende besluit werd gevat:

“Op het gebied van de organisatie van de productie is een algehele nationalisatie noodzakelijk. Het is noodzakelijk, van de doorvoering van de nationalisatie van afzonderlijke ondernemingen (waarvan er 304 genationaliseerd en in beslag genomen zijn) tot een doelmatige nationalisatie van de industrie over te gaan. De nationalisatie mag geen “gelegenheids”-nationalisatie zijn en slechts door de Opperste Economische Raad der Gevolmachtigden, onder goedkeuring van de Opperste Economische Raad, tot stand komen.”
(A. Goldschmidt, Wirtschaftsorganisation in Sowjet-Russland, blz. 228).

De Communistische Partij gaf dus geen richtsnoer, waarnaar de arbeiders zelf hun bedrijf in het communistische bedrijfsleven voegden, ze gaf geen richtlijnen, waarnaar het beheer en de leiding van het productieproces inderdaad aan de samenleving overging, voor haar was de bevrijding van de arbeiders niet het werk van de arbeiders zelf, maar voor haar was de doorvoering van het communisme een functie van de “mannen van de wetenschap”, van de “intellectuelen”, van de “statistici” en hoe al die geleerde heren nog meer mogen heten. De Communistische Partij meende, dat het voldoende was, de oude industriegeneraals te verjagen en het Recht van Commando over de arbeid zelf in de hand te nemen, om alles in de veilige haven van het communisme te leiden! De arbeidersklasse was juist goed genoeg, de oude beheersers van de arbeid weg te vagen – en er nieuwe voor in de plaats te zetten. Verder reikte haar functie niet en verder kon ze ook niet reiken, omdat de basis voor de zelf-organisatie niet door het geven van algemeen geldende productieregels gegeven was.


Hoe Lenin de moeilijkheid “eenvoudig” weet op te lossen

Lenin is het zich zeker bewust geweest, dat de concentratie van de hele productie in handen van de staat zijn monopolie, dat op het meest strenge organisatorische centralisme berust, een versterking van de staatsmacht betekent. Toen “Staat en revolutie” geschreven werd, heeft hij echter niet de feitelijke ontwikkeling in Rusland in ieder opzicht vooruit kunnen zien. Hier bleef het noodzakelijk – als de bolsjewiki aan de macht wilden blijven –, de staatsmacht zoveel mogelijk te versterken, dus het monopolie over de productie te funderen, zonder rekening te houden met een ander doel. Het waren dus de verhoudingen in Rusland zelf, die Lenin’s theorie van het staatscommunisme ontwikkeld hebben. De weg, om de staat steeds steviger, hechter te maken, werd stap voor stap voorgeschreven aan hen, die over de Russische staatsmacht beschikten. Dit proces, dat begonnen werd als een “mechanisme van het algemeen openbaar bedrijf, dat naar het voorbeeld van het kapitalistisch monopolie van de staat georganiseerd is” moet in steeds groter tegenstelling tot de “vrije en gelijke producenten” geraken.

Rusland heeft het beste voorbeeld van het Leninistische staatscommunisme in de werkelijkheid ontwikkeld, niet zoals zijn dragers dit wensten maar zoals het komen moest.

Kon Lenin het werkelijke resultaat ook niet in alle bijzonderheden vooruit zien, zo was het hem toch duidelijk, dat ook de proletarische staat een dwanginstituut is. Hij stelt dit overigens meermalen op de voorgrond. Lenin probeert nu op originele wijze de tegenstelling op te lossen, hoe deze staat, die toch volgens de theorie van Lenin een blijvend instituut van centrale leiding en beheer der totale productie heet, zichzelf overbodig zal maken, zal afsterven. Op blz. 49 en 50 van “Staat en revolutie” staat:

“Wij zelf, wij, arbeiders, willen de grote bedrijven organiseren op de basis van datgene, wat door het kapitalisme reeds geschapen is, gesteund op onze arbeidservaring, met hulp der strengste ijzeren discipline, die door de staatsmacht van de gewapende arbeiders gehandhaafd wordt; wij willen de beambten van de staat tot eenvoudige uitvoerders van onze opdrachten maken, tot verantwoordelijke, afzetbare, met een bescheiden loon gehonoreerde “opzichters en boekhouders” (natuurlijk iedere soort technici er bij ingesloten) – dat is onze taak, de proletarische taak, daarmee kan en moet begonnen worden, dadelijk bij de volvoering van de proletarische revolutie. Zulk een begin op de grondslag van de massaproductie leidt op zichzelf reeds tot het geleidelijhe “afsterven” van elk beambtendom, tot de langzame schepping van die orde – orde zonder aanhalingstekens, een orde, die met loonslavernij niets te maken heeft –, die orde, waarin alle zich steeds vereenvoudigende functies van opzicht en controle door allen op de rij af vervuld worden, dan tot gewoonte worden, en eindelijk als bijzondere functies van een bepaalde kaste van mensen wegvallen.” (6).

Men herkent hier duidelijk de op de spits gedreven mechanische organisatie: op economisch gebied – als producenten – moeten de arbeiders zich naar de strafste discipline van het staats-productie-monopolie voegen, en de staatsbeambten gehoorzamen. Deze staatsbeambten zijn de ‘werkgevers’ die in de regering hun opperste leiding vinden. Ook de arbeiders hebben hun opperste vertegenwoordiging in de regering. Door de politieke democratie (Sovjet-verkiezingen-partijwerk) kunnen zij de regering beďnvloeden en daardoor de productie met haar staatsbeambten controleren.

Wij herhalen nog eens, dat in zo'n systeem alle macht in de regering geconcentreerd is, dat de arbeiders in deze maatschappij strenger onderdrukt worden, dan onder het kapitalisme, dat de democratie hier weer eens tot grap wordt gemaakt en dat de welvaart van zo'n maatschappij ten slotte van de goede wil en het kunnen van de regeringsmannen en hun bestuursapparaat afhangt. Onder zulke omstandigheden moet de staat met zijn democratie zich steviger grondvesten, in plaats van overbodig te worden en af te sterven, zoals ook Lenin verlangt. Lenin verzekert ons dat ondanks dat, de staat afsterven zal, ja, juist door die straffe ordening zou dat gebeuren. Maar hij geeft daarvoor niets dan de geciteerde duistere redenering, dat “alle zich steeds meer vereenvoudigende functies van toezicht en controle door ieder om de beurt vervuld worden, dan tot gewoonte worden en tenslotte als bijzondere functies van een bijzondere groep mensen wegvallen.”

Zoals reeds gezegd: dit is duister, want zo men zich daar in het algemeen een voorstelling van kan maken, dan louter in fantasie. De leiding van het staats-productie-monopolie (systeem post of trust) als functies van toezicht en afrekening, die zeer eenvoudig te maken zijn, voor te stellen, is de dingen op z'n kop zetten.

Daarom moeten we deze redenering van Lenin brandmerken als een frase zonder inhoud, waarmee hij zich lastige conclusies, die ook voor hem uit de leer van Marx en Engels over het afsterven van de staat volgen, van de hals schoof.


Het staatscommunisme vloekt met de radengedachte

Als men probeert zich met de gedachten in 't staatscommunisme te verplaatsen, zal men spoedig twee eigenaardigheden bemerken.

Ten eerste ziet het staatscommunisme alle problemen alleen mechanisch. Het beschouwt alles uitsluitend vanuit de gezichtshoek, hoe het dit en dat gebied door organisatie beheersen en bij een centrale leiding en beheer inrijen kan.

Dat brengt hen ertoe, de doorvoering van het communisme te zien als het voortzetten van de concentratie van het bedrijfsleven, zoals dat al onder het kapitalisme gebeurt. Wat betekent echter de door de concentratie van het kapitaal geschapen productie-organisatie? Wat betekent het enerzijds uit de gezichtshoek van de loonarbeiders gezien en anderzijds vanuit het standpunt van de kapitalisten? Het is de beheersing van de arbeid, de georganiseerde beheersing van de loonarbeiders. De Marxistische ontleding van het kapitalisme laat daaromtrent niet de geringste twijfel. Bij Marx is de maatschappelijke plaats van de kapitalist tegenover de loonarbeider daardoor gekarakteriseerd, dat hij de beschikking over de arbeid, over de arbeiders in de productie heeft.

De socialisatietheorieën van alle richtingen der sociaal-democratie draaien ook alle om hetzelfde punt van de beheersing der arbeidersklasse. Dat de arbeid beheerst moet worden, is voor haar vanzelfsprekend en dat daartoe (omdat het om een maatschappelijk, onverbrekelijk verbonden systeem gaat) een straf centrale organisatie nodig is, is even “natuurlijk”. Maar even belangrijk is dat het Staatscommunisme beslissend gewicht legt op de bekwaamheid der leiders. Zeer zeker is dit een gevolg van centrale organisatorische samenvatting, want nu hangt alles van de bekwaamheid en vastheid van beginsel van de in 't middelpunt geplaatste leiders af, waarbij de massa zich bij strengste discipline moet onderschikken.

Men moet de bolsjewiki toegeven, dat de arbeidersklasse alleen de macht verovert, als ze een gesloten, tot de strijd bereide Eenheid is. Of dit echter langs de weg der organisatorische discipline en het zich onderschikken onder een centraal commando te bereiken is, is een andere vraag die nu niet onderzocht zal worden.

We vestigen de aandacht op dit verschijnsel, omdat het laat zien, hoe het staatscommunisme begrepen kan worden. Beslissend is, dat alle “leiders”-problemen hier in tegenstelling tot de radengedachte worden gesteld.


Een bedenkelijke afwijking van het Marxisme

De hele tactiek van de arbeidersorganisaties, die deel uitmaken van de Derde Internationale die dus in het Staatscommunisme hun doel zien, gaat uit van het gezichtspunt, grote massa’s door organisatie te omvatten en deze onder centrale leiding te stellen. Is eenmaal de organisatie geschapen, dan is de leider de hoofdzaak. Daarmee wordt echter het slagen der proletarische revolutie in hoge mate afhankelijk gesteld van de bekwaamheid van de leiders – een bedenkelijke afwijking van het Marxisme.

Deze leiderskwestie, die we in de tactiek van de partijen en organisaties van de Derde Internationale iedere dag tegen komen (we noemen slechts de vakverenigingskwestie, het parlementarisme en de organisatorische kwesties in de C.P. zelf), is in het staatscommunisme ook op economisch terrein overgebracht. Van de bekwaamheid en de gezindheid van de leider hangt volgens deze zienswijze voor een groot deel het lot van zo'n maatschappij af. Zo is ook de ophemeling van Lenin en anderen, een misselijke persoonsverering, te verklaren. “De bevrijding der arbeiders moet het werk der arbeiders zelf zijn.” Deze woorden verliezen hun recht niet bij het beschouwen van de economische bevrijding der arbeiders. De meest bekwame leiders, zelfs wanneer de arbeiders deze in absolute discipline volgen, kunnen vŕn het proletariaat niet zijn eigen bevrijdingsarbeid overnemen. Verstart dan nog de proletarische dictatuur tot de verhouding van leider tot massa, zoals die in 't Staatscommunisme tot uitdrukking komt, dan ontwikkelt dit leiderschap, alle democratie ten spijt, een nieuwe heersersklasse, waarvan de maatschappij afhankelijk wordt.


De verenigde macht van de arbeiders is nodig

Wanneer Rusland, het land met een vastberaden, hemelbestormende, revolutionaire voorhoede, die een miljoenen-hoofdige doffe, matte massa in de revolutie voerde, de leer van het Staatscommunisme heeft doen geboren worden, wanneer deze leer, als het vlammend vuursignaaI van de eerste succesvolle, proletarische revolutie, de geestdrift van de arbeiders in alle landen wekte, dan brengt het in zijn starre bureaucratie, in zijn door het monopoliseren van productie opnieuw gevestigde staatsmacht, het bewijs dat de definitieve bevrijding van de arbeidersklasse niet door het staatscommunisme, niet door leiders, aan wie de massa disciplinair gehoorzaam is, gebeuren kan, maar slechts door de eigen kracht van de arbeiders zelf.

Natuurlijk moet de verenigde macht van gewapende arbeiders de bourgeoisie neerslaan, omdat slechts zo de geconcentreerde macht van de burgerlijke staat overwonnen kan worden. Maar hier zijn het dan ook de arbeiders zelf, die volgens de bedrijven gewapend, de nieuwe staatsmacht vormen.

De politieke eenheid van de arbeidersstaat, onder leiding van Raden of Sovjets, wier hoofd de Radenregering vormt, is een noodzakelijk gevolg van deze strijd. Ook de opheffing van het privaat-eigendom aan productiemiddelen en het verklaren tot “Staats”- beter gezegd, maatschappelijk eigendom, moet door de proletarische Staat, dus door de regering geschieden.


De lessen van de Parijse Commune (1871)

Maar nu buigt het staatscommunisme zich van het Marxisme af, want het organiseert het staatsbezit order de centraal organisatorische leiding der regering, ontneemt de beschikking over de productiemiddelen aan de onmiddellijke producenten en legt ze in handen van de regering.

Marx en Engels echter verlangden het overbrengen van de productiemiddelen in maatschappelijk bezit, maatschappelijke productie door associatie, dat wil dus zeggen: associatie van vrije en gelijke producenten. Dat dit echter heel iets anders is, dan de centrale organisatie van de door de staat tot zich getrokken productie, zullen we hier onder aantonen.

Marx heeft in zijn Burgeroorlog in Frankrijk lering getrokken uit de Parijse Commune (1871), deze eerste poging, om de macht dar arbeiders op te richten. Lenin bedient zich in Staat en revolutie van verschillende citaten daaruit, om de dictatuur van het proletariaat tegen de sociaal-democratische Marxvervalsers te verdedigen. Dezelfde citaten, die Lenin daar gebruikt willen wij benutten, om te bewijzen dat Marx onder de “dictatuur van het proletariaat” heel iets anders verstond, dan het in Rusland geworden is.

“Het eerste besluit van de Commune was […] de opheffing van het staande leger en zijn vervangen door het gewapende volk.”
“De Commune vormde zich uit de door algemeen stemrecht in de verschillende districten van Parijs gekozen gemeenteraadsleden. Zij waren verantwoordelijk en ten allen tijde afzetbaar.”
(Staat en revolutie, blz. 46) (7).
“De Commune moest niet een parlementair, maar een werkend lichaam zijn, voltrekkende en wetgevend tegelijk.”
“In de plaats van eenmaal in de drie of zes jaren te beslissen, welk lid van de heersende klasse het volk in het parlement vertegenwoordigen en onderdrukken moet, moest het algemeen stemrecht het in Communes samengevatte volk dienen – evenals het individuele stemrecht iedere andere werkgever ertoe dient –, arbeiders en opzichter en boekhouders voor zijn zaak uit te zoeken.”
(Staat en revolutie, blz. 50) (8).

Het radenstelsel bij Marx

Marx heeft daarmee een treffende karakteristiek van het proletarische radenstelsel gegeven, zoals het heden tot vaste grondstelling van alle revolutionaire arbeiderspartijen is geworden.

Goed moet in het oog gehouden worden, dat volgens deze uiteenzetting de aangestelde Raad ieder ogenblik door haar kiezers direct afgezet kan worden, zo ongeveer, als werkgevers arbeider, opzichters en boekhouders aanstellen of ontslaan. De kiezers, dat zijn de arbeiders, zijn in dit geval volkomen meester in hun “zaak”! Hoe geheel verschillend de opbouw der Commune in tegenstelling tot het centrale Russische Staatscommunisme gedacht was, blijkt uit de volgende zinnen van Marx:

“In een korte schets der nationale organisatie, die de Commune niet de tijd had uit te werken, heet het uitdrukkelijk, dat de Commune de politieke vorm zelfs van het kleinste dorp zijn moest.”
“De weinige, maar gewichtige functies, die dan nog voor een centrale regering overgebleven, moesten niet, zoals dit opzettelijk vervalst is geworden, afgeschaft, maar an communale, dat wil zeggen streng verantwoordelijke beambten, overgedragen worden.”
“De eenheid van de natie moest niet gebroken, maar integendeel georganiseerd worden, door de vernietiging van die staatsmacht, die zich voor de belichaming van deze eenheid uitgaf, maar in werkelijkheid onafhankelijk en overheersend zijn wil tegenover de natie, aan wier lichaam zij toch slechts een parasiterende uitwas vormde. Terwijl het gold, de alleen onderdrukkende organen van de oude regeringsmacht af te snijden, moesten haar terecht bestaande functies aan een macht, die er aanspraak op maakte, boven de maatschappij te staan, ontrukt, en aan de verantwoordlijke dienaren van de maatschappij teruggegeven worden.”
(Staat en revolutie, p. 56) (9).

Door deze communes moest ook de ‘nationale afvaardiging’ in Parijs worden gekozen.

“De weinige maar belangrijke functies, die dan nog voor een centrale regering overbleven, moesten niet, zoals met opzet valselijk is voorgesteld, worden afgeschaft, maar aan communale, d.w.z. strikt verantwoordelijke ambtenaren worden overgedragen. De eenheid der natie moest niet worden verbroken, maar integendeel door de Commune-inrichting georganiseerd; ze moest werkelijkheid worden door de vernietiging van die staatsmacht, die zich voor de belichaming van deze eenheid uitgaf, maar onafhankelijk van en de meerdere wilde zijn tegenover de natie, aan welker lichaam zij evenwel slechts een parasitaire uitwas vormde. Terwijl het er op aankwam de enkel maar onderdrukkende organen van de oude regeringsmacht af te snijden, moesten haar rechtmatige functies worden ontrukt aan een macht, die er aanspraak op maakte boven de maatschappij te staan, en aan de verantwoordelijke dienaren der maatschappij worden teruggegeven’.”
(Staat en revolutie, blz. 56).

De kwestie van massa en leiders in de communes

Ondubbelzinnig en duidelijk wordt hier gezegd, dat de “weinige maar gewichtige functies van een centrale regering” door communale beambten, die aan hun directe kiezers ieder ogenblik streng verantwoordelijk zijn, uitgeoefend moeten worden. De uitvoerende beambten der centrale regering zijn dus niet staatsbeambten, maar communale beambten, niet aan de regering van de staat verantwoordelijk, maar aan hun directe kiezers in de Commune. De mogelijkheid van zulk een orde veronderstellende (d.w.z. dat door communale en bijgevolg aan de Commune verantwoordelijk beambten, die de eenheid van het land of de maatschappij garanderen, de centrale, maatschappelijke functies uitgeoefend worden), dan is ook een afsterven van de staat denkbaar. Doch bij zo’n orde bestaat er al in 't geheel geen “Staat” meer, want wat men dan nog een centrale regering noemen kan, heeft geen afzonderlijke macht meer, omdat deze in handen der Communes ligt. Het doorgevoerde commune- of radenstelsel in het gehele land zou daarmee tegelijk opheffing van de parasitaire staat zijn. De “alleen onderdrukkende organen van de oude regeringsmacht” zijn terzijde gesteld en “de terecht bestaande functies van een centrale macht” zijn aan de verantwoordelijke dienaren der maatschappij, aan communale beambten, die niet meer “boven de maatschappij staan” kunnen, overgedragen. Is zo'n orde werkelijk doorgevoerd, dan is de staat werkelijk afgestorven, terwijl de maatschappij hem niet meer nodig heeft.


De voorwaarden tot het afsterven van de staat

’t Is duidelijk, dat deze toestand niet bestaan kan onder de dictatuur van het proletariaat. Eerst wanneer de vroegere, terecht bestaande functies van een staatsmacht, nu te noemen, de centrale functies der samenleving, aan de communale beambten kunnen worden overgedragen, zal een Staatsmacht – hier proletarische dictatuur – overbodig zijn. Of deze functies overgedragen kunnen worden, hangt daarvan af, of de commune deze centrale functies vrijwillig uitoefent en of deze functies en maatregelen, om de samenleving aaneen te smeden, geen verzet zullen vinden. De vroegere staatsmacht moet als het ware in de communes tot leven komen, om door uitoefening van de centrale functies en opvolging van de daaruit voortvloeiende maatregelen, een vrijwillige centralisatie te scheppen.

Daar echter de belangrijkste centrale functies der proletarische dictatuur bestaat uit de opheffing van het privaatbezit en alle voorrechten, zomede uit het overbrengen van de productiemiddelen in maatschappelijk bezit (door associatie van vrije en gelijke producenten), zullen alle personen die voorrechten of privaateigendom of zelfs maar hun ideologie te verliezen hebben, aan deze centrale functies tegenstand bieden. De functies van de nieuwe maatschappelijke orde kunnen daarom niet op deze personen of klassen overgedragen worden; zolang deze tegenstand bestaat is proletarische dictatuur noodzakelijk. Evenwel kunnen communes, waarmee deze tegenstand overwonnen is, (wanneer bijvoorbeeld de grote meerderheid uit arbeiders bestaat, die het communisme toe gedaan zijn), deze functies zelf overnemen. Anders is ook het langzamerhand afsterven van de staat ondenkbaar.

Daaruit volgt echter ook, dat de proletarische staat van het begin af er op bedacht moet zijn, zichzelf van alle macht te ontdoen, doordat hij deze in vrijwillige centralisatie omzet dus op de communes overdraagt. De mogelijkheid voor deze voorwaarden te scheppen is de taak van de dictatuur, zichzelf overbodig te maken haar doel.


Tegenstelling van de beide systemen

Volgens Marx zullen de weinige, maar gewichtige functies der centrale regering aan communale beambten (streng verantwoordelijk aan de commune) worden overgedragen. Zo is de plaatselijke communale zelfregering een vanzelfsprekendheid geworden, doordat de centrale staatsmacht door de vrijwillige centralisatie der communes overbodig wordt. Lenin onderschrijft deze gedachtegang en maakt zich haar zelfs eigen. Volgens de theorie van het staatscommunisme (ook door Lenin ontwikkeld) zullen echter alle productiemiddelen staatseigendom worden, gecentraliseerd op “de wijze van een Staatskapitalistisch Monopolie”. Deze organisatorische “mechanisatie van het algemeen openbaar bedrijf” veronderstelt de leiding van de regering. Het is dus een machtsinstrument van de staat en niet van de communes.

En de functies in dit Monopolie, dit organisatorisch “mechanisme van het algemeen openbaar bedrijf”, worden uitgeoefend door beambten, die aan de centrale regering en niet aan de communes verantwoordelijk zijn. Een krasser tegenstelling, dan die, welke tussen de beide systemen tot uitdrukking komt, is niet denkbaar.

Beide opvattingen echter, dacht Lenin in zijn geschrift Staat en revolutie te kunnen verenigen en dat dit mogelijk is gelooft nog heden de hele aanhang van de Derde Internationale.


Redactionele noten

1. De G.I.C. citeert Marx, Engels en Lenin naar de vertaling door Herman Gorter van Lenin’s Staat en revolutie die we niet ter beschikking hebben. Een alternatieve vertaling, waarin de naam van Herman Gorter ontbreekt: “De staat is dus niet van alle eeuwigheid. Er zijn maatschappijen geweest die het zonder hem klaarspeelden, die van staat en staatsmacht geen begrip hadden. Op een bepaalde trap van de economische ontwikkeling, die noodzakelijk met de splitsing van de maatschappij in klassen verbonden was, werd door deze splitsing de staat nodig. Wij naderen thans met rasse schreden een trap van ontwikkeling van de productie, waarop het bestaan van deze klassen niet alleen opgehouden heeft noodzakelijk te zijn, maar ook een directe belemmering voor de productie wordt. Even onvermijdelijk als zij vroeger zijn ontstaan zullen zij ten onder gaan. Met hen valt onvermijdelijk de staat. De maatschappij, die de productie op grondslag van vrije en gelijke associatie van de producenten opnieuw organiseert, zal de hele staatsmachinerie een plaats inruimen die haar dan zal toekomen: in het museum van oudheden, naast het spinnewiel en de bronzen bijl.” (Staat en Revolutie, in: Keuze uit zijn werken, deel 2 / Lenin. – Moskou : Progres, 1973. – p. 476). Bron: De oorsprong van het gezin, van de particuliere eigendom en van de staat / Friedrich Engels. – Vierde druk. – Amsterdam : Uitgeverij Pegasus, 1976. – p. 213. Zie ook: marxists.org; de benadrukking van bepaalde woorden in de Progres-uitgave is bij marxists.org weggevallen.

2. Alternatieve vertaling (hier tevens volledig weergegeven): “Over het ‘afsterven’ en nog plastischer en kleuriger over het ‘inslapen’ spreekt Engels volkomen duidelijk en ondubbelzinnig met betrekking tot het tijdperk na de ‘inbezitneming van de productiemiddelen (door de staat) in naam van de gehele maatschappij’, d.w.z. na de socialistische revolutie. Wij allen weten dat de politieke vorm van de ‘staat’ in deze tijd de meest volledige democratie is. Maar bij geen van de opportunisten die zo onbeschaamd het marxisme vervalsen komt de gedachte op dat het hier bij Engels dus over het ‘inslapen’ en ‘afsterven’ van de democratie gaat. Op het eerste gezicht mag dit vreemd lijken. Maar ‘onbegrijpelijk’ blijft het alleen voor hem die er niet over heeft nagedacht dat de democratie ook een staat is en dat bijgevolg ook de democratie zal verdwijnen zodra de staat verdwijnt. De burgerlijke staat kan slechts door de revolutie ‘opgeheven’ worden. De staat in het algemeen, dat wil zeggen de meest volkomen democratie kan alleen ‘afsterven’” (Keuze uit zijn werken, Deel 2, t.a.p., p. 479).

3. Alternatieve vertaling: “In plaats van de regering over personen komt het beheer over zaken en het leiden van productieprocessen. De staat wordt niet ‘afgeschaft’, hij sterft af.” (Anti-Dühring ; De heer Eugen Dührings omwenteling van de wetenschap / Friedrich Engels. – Moskou : Uitgeverij Progres, 1978, Deel II, II. Theoretische kwesties, p. 331-332, MEW, Bd. 20, p. 262; zie ook: marxists.org). Dit is ook te vinden in: De ontwikkeling van het socialisme van utopie tot wetenschap / Friedrich Engels. – Nijmegen : Socialistiese Uitgeverij Nijmegen, 1971. – 96 p. (afzonderlijke heruitgave van een deel van de Anti-Dühring). Engels wijst in het Voorwoord bij de Duitse uitgave van 1891 van ‘De ontwikkeling […] er op dat hij tegen het einde van deel III aanzienlijke tekst heeft toegevoegd over de “ondertussen belangrijk geworden nieuwe productievorm van de ‘Trusts’.” (MEW, Bd. 19, blz. 523).

4. Alternatieve vertaling: “Een geestige Duitse sociaaldemocraat uit de zeventiger jaren van de vorige eeuw heeft de posterijen een voorbeeld van socialistische bedrijfsvoering genoemd. Dat is zeer juist. Tegenwoordig zijn de posterijen een bedrijf dat naar het voorbeeld van het staats-kapitalistische monopolie is georganiseerd. Het imperialisme verandert gaandeweg alle trusts in organisaties van deze soort. Boven de ‘eenvoudige’ werkenden die zich afjakkeren en gebrek lijden, staat hier een eendere burgerlijke bureaucratie. Maar het mechanisme van de maatschappelijke bedrijfsvoering is hier reeds klaar voorhanden. Breng het kapitalisme ten val, breek met de ijzeren vuist van de gewapende arbeiders het verzet van deze uitbuiters, vernietig de bureaucratische machine van de tegenwoordige staat – en voor ons staat een van het ‘parasietendom’ bevrijd, technisch hoog ontwikkeld mechanisme, dat de verenigde arbeiders zelf zeer wel in beweging kunnen zetten wanneer zij technici, opzichters en boekhouders aanstellen en de arbeid van hen allen, evenals de arbeid van alle ‘staats’-ambtenaren met arbeidersloon betalen. Dit is een concrete praktische taak die, wat alle trusts betreft, terstond te verwezenlijken is en waarbij de werkenden van de uitbuiting worden bevrijd en de ervaringen worden verwerkt van wat de Commune in de praktijk reeds begon te verwezenlijken (in het bijzonder op het gebied van de staatsopbouw).
Ons naastbijliggende doel is de gehele volkshuishouding naar het voorbeeld van de posterijen te organiseren en wel zo dat de onder controle en leiding van het gewapende proletariaat staande technici, opzichters en boekhouders, alsmede alle ambtenaren niet meer salaris krijgen dan het ‘arbeidsloon’. Dat is de staat, dat is de economische grondslag van de staat die wij nodig hebben. Dat zal ons de afschaffing van het parlementarisme en het behouden van vertegenwoordigende lichamen tot stand brengen en zal de werkende klassen bevrijden van de prostituering van deze lichamen door de bourgeoisie.” (Keuze uit zijn werken, deel 2, t.a.p., p. 505).

5. Dit hoofdstuk komt overeen met het gelijkname hoofdstuk in “De grondbeginselen der communistische productie en distributie”.

6. Alternatieve vertaling: “Laten wij arbeiders zelf de productie in het groot organiseren, uitgaande van wat het kapitalisme reeds heeft geschapen, steunend op onze arbeiderservaring, met behulp van een strenge, ijzeren discipline die door de staatsmacht van de gewapende arbeiders gehandhaafd wordt; laten wij van de staatsambtenaren eenvoudige uitvoerders van onze opdrachten maken, verantwoordelijke, afzetbare, met een bescheiden loon bezoldigde ‘opzichters en boekhouders’ (met inbegrip van alle mogelijke technici) – dat is onze proletarische taak, daarmee kan en moet begonnen worden bij het ten uitvoer leggen van de proletarische revolutie. Zulk een begin, op de grondslag van de productie in het groot, leidt op zich zelf al tot het geleidelijk ‘afsterven’ van elke ambtenarij, tot het geleidelijk scheppen van een orde – orde zonder aanhalingstekens, die met loonslavernij niets te maken heeft – een orde waarin alle zich steeds meer vereenvoudigende functies van toezicht en controle door ieder om de beurt vervuld worden, dan tot gewoonte worden en tenslotte als bijzondere functies van een bijzondere groep mensen wegvallen.” (Keuze uit zijn werken, deel 2, p. 505.

7. Alternatieve vertaling: “Het eerste decreet der Commune bepaalde […] de afschaffing van het staande leger en zijn vervanging door het gewapende volk.” “De Commune bestond uit de gemeenteraadsleden, die bij algemeen kiesrecht in de verschillende districten van Parijs waren gekozen. Zij waren verantwoordelijk en te allen tijde afzetbaar.” (Keuze uit zijn werken, dl. 2, p. 498). Bron: De Burgeroorlog in Frankrijk / Karl Marx. – Tweede verbeterde en vermeerderde druk. – Amsterdam : Uitgeverij Pegasus, 1971. – p. 79.

8. Alternatieve vertaling: “De Commune”, schreef Marx, “moest geen parlementair, maar een werkend lichaam zijn, uitvoerend en wetgevend tegelijkertijd […]”. “In plaats van eenmaal in de drie of zes jaren te beslissen welk lid van de heersende klasse het volk in het parlement moet vertegenwoordigen en vertrappen (ver- und zertreten), moest het algemene kiesrecht het in communes samengevatte volk dienen op de wijze waarop het individuele kiesrecht er iedere andere werkgever toe dient arbeiders, opzichters en boekhouders voor zijn zaak uit te zoeken.” (Keuze uit zijn werken, deel. 2, p. 501). Bron: De Burgeroorlog in Frankrijk / Karl Marx. – Tweede verbeterde en vermeerderde druk. – Amsterdam : Uitgeverij Pegasus, 1971. – p. 79.

9. Alternatieve vertaling: “In een korte schets van de nationale organisatie, die de Commune uit gebrek aan tijd niet verder kon uitwerken, wordt nadrukkelijk gezegd, dat de Commune de politieke vorm zelfs van het kleinste dorp moest zijn […]” (Keuze uit zijn werken, deel 2, p. 506). Bron: De Burgeroorlog in Frankrijk / Karl Marx. – Tweede verbeterde en vermeerderde druk. – Amsterdam : Uitgeverij Pegasus, 1971. – p. 80.


Transcriptie en correcties door F.K., 18 mei 2016.


© Hoewel de Communistische Linkerzijde in het algemeen afzag van het opeisen van kopierechten of rechten op “intellectueel eigendom” kunnen sommige publicaties onder dat recht vallen; mocht dat het geval zijn, dan is het gebruik alleen gratis voor persoonlijke raadpleging. Materiaal vrij van kopierechten, uitsluitend op voorwaarde van niet commercieel gebruik, kan vrij worden verspreid. Een verwijzing naar deze bron wordt op prijs gesteld, net als een verwittiging. Aangaande handelsgebruik kunt u contact met ons opnemen.


Compiled by Vico, 20 May 2016