Home | Contact | Links       
Antonie Pannekoek Archives


Thema: Theorieën over kapitalistische crises


De economische noodzakelijkheid van het imperialisme / Ant[on]. Pannekoek, 1916


Bron:  De ekonomische noodzakelijkheid van het imperialisme / Ant[on]. Pannekoek. – In: De Nieuwe Tijd, 21e Jg. (1916), no. 5 (5 mei), p. 268-285.


I.

Wanneer gezegd wordt, dat de ineenstorting van de socialistische arbeidersbeweging bij het uitbreken van de wereldoorlog in de eerste plaats een gevolg was van gemis aan inzicht in het imperialisme, dan lijkt dat een sterke overschatting van de betekenis van theoretisch inzicht. Maar de gehele geschiedenis van de arbeidersbeweging toont, hoe nauw theoretisch inzicht en praktisch handelen steeds samenhangen. Natuurlijk is de theorie in de hoofden niet de primaire kracht, die de sociale bewegingen drijft; in de materiële toestanden, de economische structuur, de conjunctuur, de klassenverhoudingen ligt de kracht, die uit onbewuste diepte van instinctief voelen opborrelend, de massa’s tot daden drijft. Maar tussen klasse en partij moet onderscheid gemaakt worden. De socialistische partij-geschiedenis is niet deze geschiedenis der massadaden zelf; zij is het bewuste deel ervan; de “partij” tracht als bewuste, overlegde organisatiedaad te verrichten, wat zij door haar inzicht weet, dat door de klasse moet geschieden. Zij vervult dan haar taak in ideale volkomenheid, wanneer zij steeds vooraan gaat, door haar daad den weg wijst aan de massa’s, en ook daar, waar deze of apathisch berusten, of menen door een enkele stormloop alles te winnen, of verkeerde wegen inslaan, zich niet in de war laat brengen! Dit zou kunnen, als zij door volkomen klaar inzicht geleid werd. In de werkelijkheid ontbreekt hieraan veel: ook de partij is aan dezelfde onbewust werkende invloeden onderworpen, en haar engere partij-belangen kunnen haar in tegenstelling met de grote klassenbelangen brengen. Maar in elk geval: voor haar daden is het duidelijk, dat het theoretisch inzicht een van de belangrijkste primaire krachten is, die de praktijk bepalen.

De keten van oorzaken en gevolgen in de tegenwoordige catastrofe van de arbeidersbeweging is ook duidelijk genoeg. Primair in de massastemming was de ontzenuwende werking van de prosperiteit [welvaart], die alle actie in het rustige bed van parlementaire en van geordende vakstrijd bande. Deze werkte op de partij terug als een afkeer van groter strijd, geloof in voortgaande verbetering en toenadering tot de bourgeoisie. Het belang van de partij als organisatie bracht mede, zich niet aan een massastrijd op leven en dood tegen de staatsmacht te wagen. In dit milieu kwam nu het gemis aan theoretisch inzicht in het imperialisme. Daardoor ontbrak bij de leiders alle begrip dat men voor een zware onafwendbare strijd stond; dwaze utopieën werden gepropageerd als middelen tegen het militarisme; alle voorbereiding bleef uit; en toen de oorlog kwam vond hij de partij onvoorbereid, om er met kracht tegen op te treden. Haar onmacht dreef grote massa’s naar de kant van de bourgeoisie, bewerkte, dat haar imperialistisch gezind deel de leiding nam, en maakte de nederlaag tot een catastrofe en een vernietiging.

En ook nu zien wij niet minder sterk de betekenis van de theorie. Fel staan de voormalige sociaaldemocraten tegenover elkaar; de een wekt de arbeiders tot nieuwen onverzoenlijke strijd tegen het imperialisme, de ander maant hen aan, met de bourgeoisie samen te werken, de derde tracht aan hun opkomende ontevredenheid door een uiterlijke schijn van oppositie tegemoet te komen. Ieder tracht de massa’s, dat wil zeggen eerst nog slechts de vooraanstaanden onder de massa’s te winnen, door zijn gelijk te bewijzen; dat is slechts mogelijk door theorie. In den theoretische strijd over betekenis en wezen van het imperialisme worden de wapenen gesmeed, die moeten dienen in den strijd der richtingen in de arbeidersbeweging. Een klaar theoretisch standpunt is nodig om voor den praktische strijd de weg te wijzen; theoretische discussie is nodig, om in te zien, waar de principiële verkeerdheid van de andere standpunten ligt. Daarbij doet zich echter het curieuse feit voor, dat ogenschijnlijk de grenslijnen in de praktische en de theoretische strijd niet samenvallen. Aan de ene kant zien wij Rosa Luxemburg, die met de uiterste sociaal-imperialisten, die zij het felst en krachtigst bestrijdt, overeenstemt in de theoretische opvatting, dat het imperialisme een economische noodzakelijkheid is voor het kapitalisme; haar vroegere medestander Lensch is dan ook naast de centrum-man Cunow een van de ijverigste verdedigers van de oorlogssolidariteit tussen bourgeoisie en proletariaat geworden. Haar theoretische uiteenzetting is niet slechts bestreden door Otto Bauer, die het dichtst bij Kautsky staat, maar ook door schrijver dezes, die op het punt van praktische strijd tegen het imperialisme geheel aan haar zijde stond. Zulk een verwarring in de theoretisch-praktische lijnen van strijd bewijst natuurlijk, dat in elk van de richtingen zelf nog onklaarheid heerst omtrent de theoretische grondslagen, waarop zij haar tactiek moet opbouwen.

II.

In haar in januari 1913 verschenen werk De accumulatie van het kapitaal. Een bijdrage tot de economische verklaring van het imperialisme gaat Rosa Luxemburg uit van de schema’s, waarin Marx het reproductieproces van het kapitaal op vereenvoudigde wijze voorstelde. Zij had gevonden, dat daar een fout in zat, een probleem, dat Marx ontgaan was en waarvan de oplossing juist een verklaring opleverde voor de geweldige expansiedrang van het moderne kapitalisme. In een bespreking van dit werk in de Bremer Burgerzeitung van 29-30 januari 1913 hebben wij in den brede aangetoond, en in de Neue Zeit van 28 februari kort er op gewezen, dat haar berekeningen en redeneringen geheel foutief zijn. Kort daarop wees in de Neue Zeit op enigszins andere wijze Otto Bauer hetzelfde aan. Wij moeten hier de hoofdpunten, waar het om gaat, nog eens uiteenzetten, en wij zullen daarbij het gebruik van de reproductieschema’s niet geheel kunnen vermijden. Zij oefenen weliswaar op de gewone lezer licht dezelfde invloed uit als meetkundige figuren op den niet-wiskundige: hij houdt het voor te geleerd; en vooral als op deze schema’s bladzijden vol berekeningen opgebouwd worden, gaat er geen overtuigingskracht van zelf-begrijpen, hoogstens een geloven-op-gezag van uit. Wie echter de moeite neemt, in hun eenvoudigste vorm hun zin te bestuderen, zal zien, hoe daarin de belangrijkste grondwetten van het kapitalisme uitkomen. Wij geven dus hier de eenvoudigste schema’s van Marx weer (*).

De waarde van het product van een kapitalistisch bedrijf (bijvoorbeeld over een jaar) is in drie delen te verdelen; een gedeelte is de waarde van de grondstoffen en de slijtage van machines, die in de waarde van het product weer te voorschijn komt (Marx noemt dit constant kapitaal, c); het overige, de nieuwe waarde die er door de arbeid aan is toegevoegd, is te verdelen in 1ste de waarde, die de arbeiders zelf verbruikt hebben om te kunnen leven en die de kapitalist hun dus als arbeidsloon betaalt (Marx noemt dit variabel kapitaal, v) en 2de, hetgeen dan overblijft, de meerwaarde, waaruit de winst van den kapitalist is gevormd. Is de gehele maatschappij kapitalistisch ingericht, dan moeten zowel de grondstoffen en machines (naarmate ze verslijten) als ook de levensmiddelen voor de arbeiders als producten van kapitalistische bedrijven te koop zijn. Nemen wij aan, dat de meerwaarde geheel verteerd wordt, dan worden ook daarvoor verbruiksartikelen gekocht. Maar dan moet ook, zal alles kloppen, een bepaalde verhouding tussen alle bedrijfstakken moeten bestaan.

Is (gemiddeld in alle bedrijven) bijvoorbeeld de slijtage aan machines 1/6 van de waarde van het totale product, de waarde der grondstoffen de helft, de waarde van arbeidsloon en de meerwaarde ieder 1/6, dan moet ook van de totale productie de helft productie van grondstoffen, het zesde deel productie van machines, het derde deel productie van verbruiksartikelen zijn. Dan kan alles gekocht worden wat nodig is en iedere onderneming kan haar product plaatsen.

Marx onderscheidt twee gebieden: de productie van productiemiddelen (I) en de productie van verbruiksartikelen (II). Is het totale product van alles tezamen 9000, dan is daarvan 6000 waarde van grondstoffen en machines, 1500 arbeidsloon en 1500 meerwaarde. Er moet dan voor 3000 verbruiksartikelen gekocht kunnen worden en voor 6000 productiemiddelen. Wij hebben dus:

in I 4000 productiemiddelen + 1000 arbeidsloon + 1000 meerwaarde = 6000 productiemiddelen.
in II 2000 productiemiddelen + 500 arbeidsloon + 500 meerwaarde = 3000 verbruiksartikelen.

De kapitalisten in I verkopen aan elkaar 4000 aan productiemiddelen, en aan de andere groep de overige 2000, die deze juist nodig hebben. De kapitalisten in II verkopen van hun verbruiksartikelen 1000 aan de arbeiders in I , 1000 aan de kapitalisten in I , 500 aan de arbeiders in II, 500 aan elkaar. Zo moet dus in dit eenvoudige geval de verhouding zijn, opdat niemand met zijn waren blijft zitten en ieder krijgen kan wat hij nodig heeft. De kapitalistische productie is dan een kringloop, een eindeloze herhaling, een reproductie op steeds dezelfde schaal van hetzelfde proces.

Natuurlijk is dit een zo abstract-eenvoudig geval, dat het in de praktijk niet voorkomt. In de beide afdelingen zal bijvoorbeeld de verhouding van de waarde der productiemiddelen tot het arbeidsloon niet hetzelfde zijn; maar de cijfers zijn gemakkelijk zo te wijzigen, dat dit in rekening gebracht wordt. Belangrijker is het feit, dat de kapitalisten niet hun gehele meerwaarde verteren; een deel zamelen ze op tot nieuw kapitaal om hun zaak uit te breiden of in nieuwe ondernemingen te steken. Daardoor wordt de omvang van de kapitalistische productie steeds groter; de reproductie vindt op steeds breder basis plaats, de kringloop verwijdt zich voortdurend. Wat moet er nu in de productieschema’s veranderd worden? Marx’ behandeling van dit geval 1) is onvolkomen en verwarrend; maar het is gemakkelijk in te zien, dat in elk geval de omvang van I in verhouding tot II groter moet zijn, dan in onze eerste veronderstelling.

Kent men in elk productiegebied de verhouding van arbeidsloon en meerwaarde tot de waarde der productiemiddelen en weet men, welk deel van de meerwaarde ieder accumuleert, dan is daaruit te berekenen, wat de omvang van beide gebieden moet zijn. Neemt men bijvoorbeeld aan dat in I het arbeidsloon 1/4, van de waarde der productiemiddelen is, in II de helft, dat in beide de meerwaarde = arbeidsloon is, en dat de kapitalisten in I de helft, in II 30% van hun meerwaarde accumuleren, dan vindt men dat de productenmassa’s in I en II zich verhouden moeten als 33 : 16. Dat het dan uitkomt blijkt uit het volgende schema.

In I 4400 productiemiddelen + 1100 arbeidsloon + 1100 meerwaarde = 6600 product.
In II 1600 productiemiddelen + 800 arbeidsloon + 800 meerwaarde = 3200 product.

Van de meerwaarde 1100 wordt 550 verteerd en 550 geaccumuleerd, als kapitaal belegd, dat wil zeggen 440 wordt voor productiemiddelen en 110 voor arbeidsloon bestemd; van de meerwaarde 800 wordt 560 verteerd en 240 geaccumuleerd, dat wil zeggen 160 voor de aankoop van productiemiddelen en 80 voor arbeidsloon bestemd. Er is dus behoefte aan 4400 + 44 0 (in I) + 1600 + 160 (in II ) = 6600 productiemiddelen, en aan 1100 + 550 + 110 (in I) + 800 + 560 + 80 (in II ) = 3200 verbruiksartikelen: juist zoveel als er geproduceerd is. Het volgend jaar vindt de productie nu op 10% grotere schaal plaats: alle getallen zijn 10% groter geworden: de maatschappij heeft minder verbruikt dan geproduceerd.

I 4840 productiemiddelen + 1210 arbeidsloon + 1210 meerwaarde = 7260 product.
II 1760 productiemiddelen + 880 arbeidsloon + 880 meerwaarde = 3520 product.

Hier knoopt nu de kritiek van Rosa Luxemburg aan. Waarschijnlijk door een rekenfout in de war gebracht, spreekt zij haar twijfel uit, of de wil om te accumuleren wel voldoende is. “Zal er werkelijk geaccumuleerd, dat wil zeggen de schaal van de productie uitgebreid worden, dan is nog een voorwaarde nodig; een uitbreiding van de koopkrachtige vraag naar waren. Waar komt nu die steeds groeiende vraag vandaan, die als grondslag in Marx’ schema van de productie op wassende schaal opgesloten ligt?” Waar gaan de producten heen, waarvan de waarde het geaccumuleerde, dus het niet geconsumeerde deel van de meerwaarde voorstelt? Afdeling I produceert meer productiemiddelen. Wie heeft die nodig? Het schema antwoordt: Afdeling II , om meer verbruiksartikelen te produceren. “Wie heeft echter deze meerdere verbruiksartikelen nodig? Het schema antwoordt: Afdeling I, omdat die nu meer arbeiders aan het werk heeft. Wij draaien dus blijkbaar in een kringetje rond. Enkel daarom meer verbruiksartikelen voortbrengen, om meer arbeiders te onderhouden, en enkel daarom meer productiemiddelen voortbrengen, om dit groter aantal arbeiders mee aan het werk te houden, is van[uit] kapitalistisch standpunt een absurditeit” (**) . Daar komt dan nog bij, dat dit schema geen rekening houdt met de toenemende productiviteit van de arbeid – Rosa Luxemburg geeft hiervan een schema, waar het niet uitkomt en aan de ene zijde een tekort, aan de andere een teveel ontstaat – en dat allerlei andere factoren niet in aanmerking genomen zijn. Kort en goed: de schema’s komen niet uit en tonen, dat er ergens een koopkrachtige vraag moet bestaan, om ze sluitend te maken.

Dat wil dus zeggen: een kapitalistische maatschappij, die op steeds ruimere schaal produceert, kan op zichzelf, alleen op de wereld, niet bestaan. De meerwaarde zou niet gerealiseerd, het kapitaal dus niet geaccumuleerd kunnen worden door gemis aan een zich steeds uitbreidende vraag naar waren. Een kapitalistische productie op zich vergrotende schaal is onbestaanbaar zonder een omgevende wereld, waarin zij producten afzet en die dus de vraag vormt, nodig om de productieschema’s sluitend te maken. Dit is de diepste economische oorzaak voor de nimmer rustende expansie van het kapitaal; de gewelddadige uitbreiding van het kapitalisme over de wereld, dat wil zeggen de politiek van het imperialisme, vindt hierin zijn economische noodzakelijkheid. Het is dus een absolute, als ’t ware mechanische noodzakelijkheid, een dwangwet van de kapitalistische reproductie, die de bourgeoisie dwingt den weg van het imperialisme op te gaan.

III.

Dit is de grondgedachte van het werk van Rosa Luxemburg. Het wil de economische grondslagen en de economische noodzakelijkheid van het imperialisme blootleggen. Maar juist in dit hoofdpunt – ondanks verdienstelijke detailbeschrijvingen – is het mislukt. Het geeft twee redenen, waarom een kapitalistische maatschappij op zich zelf niet bestaan kan. Daarvan berust de een op een reken- en de ander op een redeneerfout. Wat de eerste betreft, is het niet waar, dat de schema’s niet uitkomen; wanneer men goed rekent, blijkt steeds, ook in gecompliceerder gevallen, dat zulke verhoudingen te kiezen zijn, dat het uitkomt. Wij hebben indertijd, om dit aan te tonen, het geval van langzaam stijgende productiviteit van arbeid in onze bespreking in d e Bremer Bürger-Zeitung uitgewerkt.

Natuurlijk beantwoordt het werkelijke kapitalisme in zijn oneindige ingewikkeldheid nooit precies aan een nog zo breed opgezet rekenschema; in de werkelijkheid wordt hier te veel, daar te weinig geproduceerd en blijft allerlei waar onverkocht liggen. Dat doet hier echter weinig ter zake; de vraag is hier niet of het door de praktische toevalligheden soms niet sluit, maar of het theoretisch-noodzakelijk niet sluiten kan. En daarin blijkt Rosa Luxemburg’s bevestigend antwoord onjuist te zijn.

De tweede reden, waarom het kapitalisme ondanks sluitende rekenschema’s op zichzelf, zonder afzet naar buiten, niet zou kunnen bestaan, is vervat in de geciteerde zinnen van p. 104. Hier is echter op te antwoorden: wat de schrijfster een absurditeit van[uit] kapitalistisch standpunt noemt – altijd maar meer verbruiksartikelen produceren, om meer arbeiders levensmiddelen te verschaffen, die dan steeds meer productiemiddelen kunnen fabriceren, die nodig zijn om de meerdere verbruiksartikelen te produceren – lijkt alleen maar een doelloze beweging in een kring rond, omdat de drijvende kracht van dat proces niet genoemd wordt. Steeds meer produceren betekent steeds meer meerwaarde, steeds meer winst maken en ophopen; maar die opgezamelde winst kan zijn doel slechts vervullen, als hij aldoor opnieuw in de maalstroom van de productie wordt geworpen. Het doel van het kapitaal is winst, het doel van de winst is nieuw, groter kapitaal: dat is de stuwende kracht in de schijnbaar doelloze kringloop. Noem het absurditeit; maar dat is het leven, het wezen van het kapitalisme; daarin komt nog eens duidelijk uit, dat in het kapitalisme de productie niet doel is maar middel in dienst van het hogere doel, de winst.

Op de vraag, wie de afnemers zijn van de producten, waarin de geaccumuleerde meerwaarde zit, geeft het schema direct antwoord: alle waren, die achter het =teken als producten staan, staan ergens voor het =teken als noodzakelijke elementen van de productie, die gekocht moeten worden. Een kapitalistische maatschappij kan bestaan, zonder dat er kopers of markten nodig zijn, die buiten deze maatschappij staan. Men koopt eenvoudig alles van elkaar.

Dit geldt voor een steeds zich vergrotende productie onder accumulatie evengoed als voor een op gelijke omvang blijvende productie. Natuurlijk is daarbij verondersteld, dat de stoffelijke voorwaarden voor uitbreiding van de productie voorhanden zijn. De grondstoffen moeten in de natuur in zo onbeperkte hoeveelheid voorhanden zijn, dat daaraan geen gebrek kan komen, want dan was verdere uitbreiding onmogelijk; en ook moet er een voldoend reservoir van mensen zijn, om bij het steeds uitbreiden van het getal arbeiders niet op een tekort te stuiten. Het spreekt ook vanzelf, dat een kapitalistische maatschappij, die alle mensen reeds omvat, zich niet verder kan uitbreiden. Theoretisch eist dit dat het kapitalisme opgroeit in een veel groter mensenwereld, waaruit het de nodige arbeiders, die dan tevoren als producenten-voor-eigen-gebruik niets met het kapitalisme te maken hadden, naar behoeve kan nemen. Deze worden dan in de kringloop opgenomen, als producenten en verbruikers tegelijk ().

Nu verschilt de werkelijkheid nog daarin van dit eenvoudige beeld, dat het kapitalisme vermengd is met en omgeven door een groot gebied van kleinproductie voor de markt. Terwijl de voor eigen gebruik producerende mensen voor het kapitalisme niets betekenen dan een reservoir voor eventueel nodige arbeiders, staan de kleinproducenten met het kapitalisme in warenverkeer. Zij leveren waren (meest grondstoffen) aan het kapitalisme en ontvangen waren (meest verbruiksartikelen). Het kapitalisme bevredigt zichzelf niet. Dit is geen theoretische, economische noodzakelijkheid, zoals Rosa Luxemburg meende te kunnen afleiden, maar eenvoudig een praktisch feit, dat berust op de historische wording en het groeien van het kapitalisme. In de productieschema’s moeten nog regels bijgevoegd worden voor de productie en het verbruik van de kleinproducenten: daarmee samen moet het totaal van de productie in elke productiesfeer met het totaal van het verbruik sluiten. Breidt het kapitalisme zich voortdurend uit (doordat relatief meer productiemiddelen geproduceerd worden en betaald met een deel van de meerwaarde, die daardoor geaccumuleerd wordt), dan moet ook de kleinproductie, waarmee het in wisselwerking staat, zich verruimen, – wat voor een deel daardoor gecompenseerd wordt, dat in alle productiesferen kapitalistische productie als de technisch volmaaktere voor de kleinproductie in de plaats treedt. Daarom moet er voortdurend aan het verruimen van de markten gewerkt worden; daarom is uitbreiding van de markten zulk een belangrijk grondelement in de ontwikkeling.

Deze expansie van het kapitalisme is niet een nieuw verschijnsel; de elementen van zijn groei: meer grondstoffen, meer arbeiders, meer afzet onder kleinproducenten, eisten onophoudelijke expansie. Het kapitalisme was steeds expansie, innerlijk en uiterlijk. Innerlijk in de verdringing van eigen productie en kleinproductie door industrie, in het binnendringen van kapitaal in de landbouw, in het concentreren van mensenmassa’s in industriecentra; uiterlijk in het wereldverkeer, dat grondstoffen aan- en afvoert, in de koloniseering of onderwerping van de productieve gebieden in andere werelddeelen, in het indringen van kapitaal in de productie van tropische of minerale grondstoffen, in de ontsluiting van het grote reservoir van gekleurde mensenrassen. Dit alles maakt daarom ook een deel uit van het moderne imperialisme. Maar het is toch het imperialisme zelf niet.

IV.

Rosa Luxemburg heeft gemeend, in haar werk een economische verklaring van het imperialisme te geven. Waren haar berekeningen juist geweest, dan had zij toch niet anders verklaard, dan de expansie, die voor het kapitalisme in alle eeuwen van zijn; bestaan nodig was; deze expansienoodzaak moet echter, zoals boven blijkt, anders opgevat worden. Zij heeft met haar beschouwingen en conclusies de economische noodzakelijkheid van het imperialisme willen aantonen. Het is dus niet meer dan natuurlijk, dat, waar de sociaal-utopisten van het partijcentrum haar betoog bestrijden en weerleggen, daarin de bedoeling en de betekenis zit, dat het imperialisme dus niet noodzakelijk is. Zij leggen er de nadruk op, dat het imperialisme de politiek is van de “zware” industrie, die productiemiddelen produceert, de politiek van de heren van de kartellen en syndicaten, in tegenstelling tot de overige industrie, die verbruiksartikelen produceert, aan vreedzame markten behoefte heeft en door de imperialistische geweldpolitiek in het gedrang komt. Het imperialisme is dus, naar de opvatting van het partijcentrum, niet noodzakelijk voor het kapitalisme als geheel, maar een eenzijdige belangenpolitiek van een deel, een groep, ten koste van de overigen en daarom onnatuurlijk. Daarom moet het mogelijk zijn, deze politiek te verhinderen en een “natuurlijke” kapitalistische politiek er voor in plaats te stellen, die in het belang van de andere groepen is, en nog veel meer in het belang van de arbeiders. Dus samengaan met anti-imperialistische groepen uit de bourgeoisie, om tot vrede en ontwapening te komen.

De strijd van de richtingen draait dus over de vraag of het imperialisme noodzakelijk is. Wij zeggen evenals Rosa Luxemburg: het is noodzakelijk. Eveneens zeggen de imperialisten uit de bourgeoisie en hun aanhangers onder de sociaaldemocraten: het is noodzakelijk. Wat verstaan wij en wat verstaan zij hier onder? De laatsten zeggen: het is een noodzakelijke fase in de ontwikkeling naar het socialisme: daarom mogen wij er ons niet tegen verzetten; het verhoogt de productiviteit van de arbeid en brengt een hogere ontplooiing van de productiekrachten; daarom is het noodzakelijk. Daartegenover zegt de richting-Kautsky: het is niet noodzakelijk.

Aan het slot van zijn artikelen in De Nieuwe Tijd van 1915 zegt S. de Wolf: “Zolang de kapitalistische klasse de politieke macht in handen heeft, zullen de beheersers uit hun voornaamste sfeer (namelijk de productie van de productiemiddelen) tegen de beste ontplooiing van de productiekrachten in, dat wil zeggen – wat daarvoor slechts een ander woord is – de “economische noodzakelijkheid” in, hare belangenpolitiek weten door te zetten”. Hier wordt dus, evenals door de sociaal-imperialisten het woord “noodzakelijk” in de zin van “wenselijk” gebruikt; en het verschil ligt slechts daarin, dat hij een niet-imperialistisch kapitalisme wenselijker en nuttiger acht met het oog op de toekomst.

De verwarring, die in het gebruik van deze termen ligt, is een erfstuk uit de propaganda en de denkwijzen van de IIe Internationale. Haar grote theoretische vooruitgang tegenover het kleinburgerlijk utopisme uit de tijden van Owen, Louis Blanc en Lassalle lag in het klaar doorzien van de noodzakelijkheid van de kapitalistische ontwikkeling, die het kleinbedrijf vernietigde. Deze noodzakelijkheid had meerdere betekenissen tegelijk: zij betekende, dat de ondergang van het kleinbedrijf onvermijdelijk was; dat dat goed was door de reusachtige vooruitgang in de productiviteit van de arbeid; dat dat nodig was als voorbereiding van het socialisme, niet alleen omdat dit een hoge productiviteit van de arbeid eiste, maar ook omdat het kapitalisme, door de arbeiders te concentreren, te organiseren en te scholen in den strijd de mensen zó maakte, dat ze het socialisme konden verwezenlijken. Dit alles lag in het begrip noodzakelijk. Wanneer dan nu hetzelfde woord voor de nieuwe ontwikkelingsvorm, het imperialisme wordt gebruikt, is het wel begrijpelijk, dat deze verschillende betekenissen gedachteloos dooreengehaspeld werden; maar des te nodiger is het voor ons, ze te onderscheiden. En dan moeten wij , terugziende op die vroegste kapitalistische tijd, dit zeggen: wanneer het socialisme toen niets wilde doen, om het kleinbedrijf tegen de grootindustrie te helpen, was het niet – al werd dit in de propaganda soms gezegd en leek het de socialisten in hun eigen bewustzijn soms zo toe – omdat het kapitalisme groter productiviteit bracht: de voordelen daarvan vielen toch bijna geheel aan het kapitaal ten deel. Ook niet om die concentratie en scholing van de arbeiders – geen klasse legt zichzelf willens en wetens zwaarder last , onmenswaardiger verhoudingen op, alleen om “beter” dat wil zeggen geschikter voor haar toekomstige taak te worden. Het was eenvoudig, omdat die ontwikkeling onvermijdelijk was, omdat het hopeloos en utopisch was , de ontwikkeling tegen te willen houden. Men kon er niets tegen doen; dat wa s afdoende. Al het andere waren beschouwingen, om zich daarin te schikken. Hadden de kleinburgerlijk voelende volksmassa’s uit die tijden de heerschappij van de bourgeoisie kunnen omverwerpen, zij hadden het niet gelaten; ook dan was er op andere wijze een ontwikkeling in de richting van het socialisme uit voortgekomen; en de Marxisten hadden dit toegejuicht: zie hun houding tegenover de Commune. Maar zij konden dit niet: de bourgeoisie was te machtig. Dat wordt uitgedrukt door de stelling, dat de ontwikkeling van het kapitalisme noodzakelijk was. Het sluit geen waardeschatting, geen wenselijkheid van hoger productiviteit in, maar een moeten, een niet-anders-kunnen.

Hiermee is dus dit verwarring stichtende ethische gebruik van het begrip noodzakelijkheid van de baan – ook voor het imperialisme. Of het een “hogere” productiewijze voorstelt en dé “productiviteit” verhoogt, kan ons hier onverschillig laten – dat te beweren, laten wij aan de sociaal-imperialisten over, terwijl wij daarover alleen spreken, als het gaat om de verdere consequenties en de vooruitzichten van de toekomst. Voor ons standpunt is het voldoende, maar ook nodig, dat deze ontwikkeling noodzakelijk is in de zin, dat het niet anders kan. Dat is het, wat de sociaal-utopisten betwijfelen. Dat is het, wat Rosa Luxemburg wilde bewijzen. Wanneer nu echter tegenover haar bewezen kan worden, dat het imperialisme niet economisch noodzakelijk is – in den zin, dat zonder imperialistische expansie het kapitalisme niet zou kunnen bestaan –, krijgen dan de sociaal-utopisten niet gelijk? Of bestaat er een andere noodzakelijkheid, ook een dwingende, een moeten, die niet zulk een economische noodzaak is?

V .

Het theoretisch vraagstuk, dat hier optreedt, raakt de kern van de historisch-materialistische denkwijze, het is de bron van eeuwig misverstand tussen Marxisten en hun tegenstanders, en het is ook al vroeger bij andere strijdpunten te pas gekomen. Het algemene probleem, wat “noodzakelijkheid” beduidt en kan zijn in een mensenmaatschappij, had vroeger slechts één voorbeeld van toepassing: de bewering van de Marxisten, dat het socialisme “noodzakelijk” (naturnotwendig) uit het kapitalisme moest ontstaan.

Natuurlijk bedoelen wij hier niet die zinloze opvatting, die bij burgerlijk-professorale Marxvernietigers herhaaldelijk optreedt, dat het socialisme volgens de Marxisten “vanzelf”, zonder toedoen van de mensen zou komen. Het gaat om de vraag of het kapitalisme door zijn eigen krachten economisch onmogelijk zou worden, en daardoor de mensen dwingen, tot een andere productiewijze over te gaan.

Deze gedachtengang speelde in het begin van het parlementair-Marxistische tijdvak een belangrijke rol. Zo vinden wij in de “catechismus” van de sociaaldemocratie, in Kautsky’s werk Het Erfurter program een hoofdstukje, getiteld “De chronische overproductie”, waarin men leest:

“Naast de periodieke krisissen […] ontwikkelt zich steeds sterker de blijvende (chronische) overproductie en de blijvende krachtverspilling. […] Reeds sinds enige tijd vindt de uitbreiding van de markt veel te langzaam voor de behoeften van de kapitalistische productie plaats; deze vindt steeds meer hindernis, het wordt aldoor onmogelijker, haar productiekrachten ten volle te ontplooien. […]
De tijden van opbloei worden steeds korter, de tijden van krisis steeds langer. […]
Daardoor groeit de massa van de productiemiddelen, die niet voldoende of in het geheel niet gebruikt worden, de massa van de rijkdommen, die nutteloos verloren gaan, de massa arbeidskrachten, die braak moeten liggen. […]”
De kapitalistische maatschappij begint in haar eigen overvloed te stikken; zij is steeds minder in staat, de volle ontplooiing van de productiekrachten, die zij schiep, te verdragen. Steeds meer productiekrachten moeten braakliggen, steeds meer producten nutteloos verbruikt worden, zal zij niet in de war raken. […]
Zo verandert het privaatbezit van productiemiddelen niet slechts voor de kleinproducenten, maar voor de gehele maatschappij zijn oorspronkelijk wezen in het tegendeel daarvan. Uit een drijfkracht van de maatschappelijke ontwikkeling wordt het tot een oorzaak van maatschappelijke stagnatie en ontaarding (Versumpfung), van maatschappelijk bankroet.”

In deze zinnen evenals in de slotconclusie “moet het privaatbezit de maatschappij met zich in de afgrond sleuren […]?” klinkt duidelijk de grondgedachte: het kapitalisme wordt economisch onmogelijk. Afgezien nog van de overweging, dat de toestand van het proletariaat in het kapitalisme ondragelijk is, treedt de veel dwingender grond: het raderwerk van het economisch leven wil niet meer lopen. Dan moet de machine wel door een betere vervangen worden. Het socialisme is economisch noodzakelijk, in deze zin, dat het oude kapitalisme economisch niet kan blijven bestaan.

Vanwaar die pessimistische beschouwing, die zo weinig strookt met onze eigen ervaring van het kapitalisme? Zij is eenvoudig een weerspiegeling van de economische toestand uit de jaren 1880-1890. Toen drukte de lange depressie, die in 1875 begonnen was, loodzwaar op de maatschappij (1); toen scheen het kapitalisme aan het eind van zijn krachten te zijn; en de uitdrukking van deze tijdelijke toestand is in Kautsky’s werk tot algemene theorie verheven en tot in de nieuwste drukken van zijn boek aldoor herdrukt. Maar intussen was de toestand zelf geheel veranderd. Een nieuwe bloeitijd brak in 1894 aan; het kapitalisme toonde ineens een nieuwe geweldige levenskracht. Toen kwam ook de nieuwe theorie, die naar de andere kant omslaande, deze nieuwe toestand als de enig normale en blijvende beschouwde, het revisionisme. Bij de theoretici van het revisionisme moeten wij dus de tegenovergestelde theorie zoeken. Het consequentst, tot in het onzinnige consequent, vinden wij die bij den Russische staathuishoudkundige Toegan-Baranofski (2).

Toegan beroept zich op dezelfde soort productieschema’s, als wij hierboven aanvoerden. Terwijl Kautsky, Cunow, en andere Marxisten altijd, wanneer zij over crises spreken, op het gebrek aan voldoende nieuwe afzetmarkten wijzen – wat blijkbaar aan de praktijk ontleend is – wijst Toegan op de theoretische schema’s die aantonen, dat het kapitalisme zichzelf geheel voldoet en geen vreemde markten nodig heeft. (Aan de samenhang met kleinproductie denkt hij niet). Meer nog: het kapitalisme kan zich volgens hem voortdurend reusachtig uitbreiden, zonder dat het verbruik van verbruiksartikelen toeneemt, zelfs wanneer dit afneemt. Dat kan zo, dat een steeds groter deel van de productie dient voor de productie van nieuwe productiemiddelen, die op hun beurt een nog reusachtiger massa productiemiddelen produceren, die weer hetzelfde doen, enzovoort tot in het oneindige, dat wil zeggen tot de ijzer- en kolenvoorraad van de aarde op is. Deze absurde voorstelling dient Toegan, om de stelling t e illustreren: “De betrekkelijke teruggang van de vraag naar verbruiksartikelen stoort het productieproces van het kapitaal niet en kan dus in geen geval de ineenstorting van het kapitalisme en een dwang tot overgang naar het socialisme veroorzaken”. Zij drukt in abstract-mateloze vorm de waarheid uit, dat sinds 1894 het kapitalisme reusachtig is uitgebreid, en deze uitbreiding vooral op rekening van de ijzer- en staalindustrie, dus van de productie van productiemiddelen komt. Tegenover Kautsky, die in het zoeken naar markten en in de crises de afhankelijkheid van de productie van vreemde markten ziet, zegt Toegan, dat de productie van de vraag naar verbruiksartikelen onafhankelijk is, en dat de crises slechts toevallige storingen van de nodige juiste verhoudingen in de productie zijn. Hij verwerpt dus de economische noodzakelijkheid van het socialisme: “de kapitalistische productie bevat geen elementen, die haar op een zekere ontwikkelingstrap onmogelijk zouden maken”. Wel is hij op zijn manier socialist; het socialisme is voor hem een ethische noodzakelijkheid, omdat het kapitalisme in strijd is met de grondwet van de zedenleer, dat de mens zelfdoel is en niet als middel voor een vreemd doel mag gebruikt worden, en dit steeds meer tot het bewustzijn van de mensen zal doordringen.

Welke van deze beide opvattingen is nu juist? De radicale ineenstortingsleer, dat de chronische crisis de kapitalistische productie onmogelijk zal maken, of de revisionistische evolutieleer, die onder een steeds bloeiend kapitalisme het socialisme van het ontwakende zedelijke bewustzijn van de mensen verwacht? Geen van beide.

Het Marxisme leert, dat het denken, het willen, het handelen der mensen bepaald wordt door de economische verhoudingen, waaronder zij leven. De algemene toestand, waarin het kapitalisme de arbeiders brengt, drijft hen tot strijd ter verbetering en wekt de voorstelling van een socialistische productiewijze als doel van hun strijd. Niet hun zedelijk bewustzijn van mensenwaarde – al vermengt zich dat, onbewust, hier en daar met de overige grieven – maar de materiële nood, de zorg, de ellende, de levensonzekerheid dwingt hen tot strijd. De kapitalistische ontwikkeling wekt in het proletariaat de wens, de wil tot socialisme, zoals zij in de bourgeoisie de wens en de wil tot behoud van het bestaande wekt. Wil staat tegenover wil in de klassenstrijd, en de macht beslist. Maar deze ontwikkeling doet de macht van de arbeiders steeds hoger stijgen: het concentreert en organiseert ze, vergroot hun inzicht, hun zelfbewustzijn, hun samenhang, hun strijdlust – en groeit eindelijk deze macht boven die van de heersende klasse uit, dan kan het proletariaat de politieke macht veroveren en het socialisme verwezenlijken.

Speelt dan in de komst van het socialisme het economisch element van crisis en ineenstorting helemaal geen rol? Deze revisionistische opvatting ware onjuist. Had Toegan in zijn economische beschouwingen gelijk, kon het kapitalisme op een onbeperkte bloei rekenen, waarin crises slechts als toevallige storingen optraden, dan zou de groei van het socialistisch willen en van de macht van het proletariaat zéér veel langzamer gaan. Maar zijn harmonieleer is even onjuist als de leer van de economische eindcatastrofe, die hij als Marxistisch bestrijdt. Wel zal het socialisme niet opgedrongen worden door de fantastische grote eindcrisis, waarin de kapitalistische productie voorgoed hopeloos vastloopt; maar het wordt telkens een eindje voorbereid en opgebouwd door de werkelijke tijdelijke crises, waarin deze productie telkens vastloopt. Elke crisis geeft de arbeiders een stoot, doet hen de onhoudbaarheid sterker voelen, dwingt hen tot sterker verzet en wekt sterker strijdlust. Deze crises zijn geen toevallige storingen, maar liggen in het mechanisme van de kapitalistische productie zelf. Groeien zij aan tot een lange hopeloze depressie, dan komt een revolutionair tijdperk met felle klassenstrijd, die nog lang nawerkt in de politieke omvormingen van de latere jaren.

In deze uiteenzetting van de bekende betrekkingen tussen economie en politiek kan blijken, wat onder “noodzakelijkheid” in de maatschappelijke ontwikkeling moet worden verstaan. Maatschappelijke noodzakelijkheid is heel wat anders dan economische dwang; het is niet anders dan wat op het gebied van de natuur de causaliteit, het verband tusschen oorzaak en gevolg heet, het feit, dat alles volgens vaste wetten gebeurt. De verwarring komt daar vandaan, dat men zich nog zo weinig in het denkbeeld van causaliteit, van oorzakelijke samenhang in de mensenmaatschappij kan indenken, die de grondslag van het Marxisme is; altijd komt weer de oude opvatting boven, die een “moeten” in de mensenwereld alleen kent als een dwang tegen het willen in.

De mensen, dat wil zeggen de arbeiders zullen het socialisme willen, niet omdat ethische overwegingen hen daarvan overtuigen, ook niet, omdat een economische dwang hen daartoe ondanks zichzelf noodzaakt, maar eenvoudig, omdat de economische omstandigheden hun wil bepalen. En zij zullen het socialisme verwezenlijken, omdat door de economische ontwikkeling hun wil tenslotte sterker, machtiger wordt, dan de wil en de macht der bezittende klasse.

Dus: wanneer wij van een maatschappelijke noodzakelijkheid spreken, bedoelen wij daarmee niet een economische noodzakelijkheid, die geen andere keus overlaat, maar het oorzakelijk verband, dat tussen de economische toestanden en het willen en handelen van de mensen bestaat.

VI.

Hiermee is ook reeds de vraag beantwoord, wat wij onder de noodzakelijkheid van het imperialisme hebben te verstaan. Om tegenover de sociaal-utopisten deze noodzakelijkheid aan te tonen is het in het geheel niet nodig, te betogen, dat het kapitalisme zonder expansie niet kan blijven bestaan. Deze expansie, het ontsluiten van andere werelddelen als markt, leverancier van grondstoffen en ten slotte als reservoir van arbeiders, bestond in alle tijdperken van het kapitalisme en neemt nu slechts een steeds intensiever reusachtiger karakter aan. Het imperialisme is de bijzondere expansievorm van het tijdperk, waarin de productie van productiemiddelen de belangrijkste, alles beheersende tak van industrie is geworden. De heerschappij van ijzer en staal brengt een andere politiek mee dan de vroegere heerschappij der textielindustrie. IJzererts delven in Marokko eist grootkapitalistisch bedrijf, en dit eist politieke heerschappij van de Franse regering in Marokko. Locomotieven, rails, kanonnen exporteren naar Turkije eist spoorwegaanleg en daardoor weer politieke heerschappij – middelijk of onmiddellijk – van het Duitse kapitaal in die landen. Ook om de concurrenten te kunnen uitsluiten. Deze politieke heerschappij kan niet anders dan door machtsontwikkeling, dwang, wapening, militarisme, vlootbouw gekregen of verdedigd worden.

Waarom is dit imperialisme nu noodzakelijk? Niet, omdat het kapitalisme economisch te gronde zou gaan, niet verder zou kunnen draaien zonder imperialisme, ook niet omdat er nu eenmaal heerszuchtige feodaal-militaristische klieken zijn. Maar eenvoudig, omdat de grootkapitalisten dit imperialisme willen. Zij willen het, omdat hun belang het meebrengt; omdat zij er kolossaal bij verdienen. En zij kunnen het, omdat zij de machtigsten zijn en het gehele kapitalisme beheersen.

Kautsky heeft eens gezegd, dat het imperialisme een kwestie van macht was. Dit is juist, maar niet in de zin, als hij bedoelde. Hij zei: een kwestie, niet van noodzakelijkheid, maar van macht – en hij bedoelde er mee, dat de andere kapitalisten, die geen belang bij het imperialisme hadden, zodra zij hun macht tegenover de imperialisten stelden, er in eens een eind aan konden maken. Theoretisch was dat zeker denkbaar; maar dat het in de praktijk niet gebeurde, dat integendeel het imperialisme steeds veld won, bewijst reeds, dat er aan de theorie wat haperde. Hij stelde weer twee dingen tegenover elkaar, die hier bijeen horen. Hij zei: het imperialisme is niet noodzakelijk, maar een machtskwestie. Wij zeggen: het imperialisme is een kwestie van macht, en daarom noodzakelijk. De kapitalistische ontwikkeling heeft de macht van het grootkapitaal, dat het imperialisme wil, steeds sterker en groter gemaakt, en de tegenstand onder de bourgeoisie – en zelfs onder de arbeiders! – aldoor teruggedrongen. Daarom is het imperialisme nu oppermachtig, dat wil zeggen noodzakelijk.

Want deze macht en haar groei is geen toeval – evenmin als de langzamere en in de toekomst liggende groei van de macht van het proletariaat, waarvan het socialisme afhangt. Zij wortelen in de economische ontwikkeling van het moderne kapitalisme. Hier ligt de hoofdfout van de sociaal-utopisten en pacifisten van het partij-centrum, dat zij niet zien, hoe het denken en willen van de bourgeoisie door de moderne economische verhoudingen bepaald wordt. Zij hebben jaar in jaar uit aan de bourgeoisie voorgerekend en betoogd, dat het imperialisme toch zo dom was, zo onprak tisch en niet loonde, en dat dus ontwapening, sociale hervorming en samengaan met de arbeiders tegen de ijzer- en staalmagnaten veel verstandiger zou zijn. De bourgeoisie luisterde er niet naar, ging haar eigen weg, en bewees daardoor, dat de theorie niet in den haak was.

Wij zullen niet beweren, dat de berekeningen foutief waren en dat dus het imperialisme ook voor de massa der bourgeoisie de voordeligste politiek is. Dat laat zich moeilijk vaststellen. Zeker is alleen, dat machtige economische krachten, die duidelijk in het oog springen, de meerderheid van deze klasse naar de zijde van het imperialisme hebben getrokken.

Om de tegenstelling tussen het imperialisme en de oude vrijhandels-politiek scherp uit te laten komen, betitelt men terecht het eerste als de export-politiek van de ijzer- en staalmagnaten. Maar dat is toch te eng en te beperkt. Ook de producenten van verbruiksartikelen hebben belang bij deze politiek. Zij konden, zeker, hun katoentjes en spiegeltjes en Haarlemmerolie vroeger aan de kusten van Afrika laten verhandelen tegen enige primitieve producten van de negers. Maar de koopkracht van die negers was toch maar uiterst gering. Komen er echter spoorwegen in hun land, havens, plantages, fabrieken, dan worden diezelfde negers van producenten-voor-eigen-gebruik tot warenproducenten en arbeiders gemaakt, die geld ontvangen en daardoor Europese verbruiksartikelen kopen. Hun koopkracht stijgt buitengewoon, doordat zij met het indringen van warenproductie in de kringloop van het kapitalisme worden opgenomen. Gaat ook de “zware” industrie met het leeuwendeel der miljoenen strijken: de producenten van verbruiksartikelen zien toch tegelijk hun markt ruimer en koopkrachtiger worden. Dit geldt echter ook voor het binnenland. Onder het kapitalisme is de prosperiteit van elke bedrijfsgroep ten nauwste aan de bloei van de anderen verbonden: dat volgt, theoretisch, uit hun samenhang in de productieschema’s, dat bewijst ook hun gezamenlijk op- en neergaan tussen crisis en bloei. Neemt de zware industrie een hoge vlucht, dan leeft ook de verbruiksartikelen producerende industrie op, en omgekeerd. Elke politiek die de export-mogelijkheid van de eerste vergroot, zal daarom voor de anderen een voordelige zijde hebben, die te meer in het oog valt, naarmate de nadelige zijden – waar de belangen der beide kapitalisten-soorten in strijd met elkaar zijn – door de grote politieke macht van de ijzermagnaten toch onafwendbaar zijn.

Bij deze vergaande solidariteit van belangen komt nog de persoonlijke verbinding door middel van de banken. De ijzer- en staalpolitiek zou niet zo overwegend machtig zijn, als zij niet tegelijk de politiek van het bankkapitaal was. De beheersers van de ijzer- en staalindustrie zijn merendeels tegelijk de beheersers van de grote banken; hun belangen zijn op velerlei wijze ineengestrengeld. Deze banken zijn de dragers van de politiek van kapitaal-export, door het financeeren van productieve ondernemingen, spoorwegen, havens, plantages, door het plaatsen van staatsleningen en het aanvragen van concessies.

Deze politiek is slechts de andere zijde van de politiek van de zware industrie; want het kapitaal wordt vooral in de vorm van ijzer- en staalproducten geëxporteerd. Maar als bankpolitiek heeft zij een veel groter kring van geïnteresseerden. De banken zitten met hun geld en hun beheer in talloze industriële ondernemingen van de meest verschillende soort, die zij met elkaar tot een belangen-gemeenschap verbinden; alle kapitalisten, die in deze ondernemingen geïnteresseerd zijn, zijn er daardoor indirect ook bij geïnteresseerd, hoe de andere zaken van deze gemeenschap gaan; bijna alle kleine ondernemertjes voelen zich in hun zaken afhankelijk van het grote bankkapitaal, dat het gehele economische leven beheerst. Daar komt dan nog bij, dat de rol van de geldbezittende bourgeoisie – terwijl de banken steeds meer de ondernemers worden en de fabrieksdirecteuren steeds meer hun gesalarieerden – steeds meer teruggebracht wordt tot die van renteniers en speculanten in papieren. Van alle binnenlandse en overzeese ondernemingen, die de banken oprichten en financeren, worden de aandeden op de markt gebracht; zo wordt het grote geldbezittende publiek direct geïnteresseerd bij de imperialistische politiek.

De belangen-tegenstelling, die sommige theoretici tussen de industrie van de productiemiddelen en de overige industrie construeren, als waren zij onafhankelijk van elkaar, ziet er op papier dus wel heel geleerd uit, maar berust op een geheel verouderde opvatting van de structuur van het kapitalisme. Zij houdt helemaal geen rekening met de werkelijke moderne ontwikkeling, die al deze verschillende kapitalisten – ondanks onderlinge strijd – steeds meer tot één alzijdig samenhangende en van elkaar afhankelijke klasse maakt. Eerst door hiermee rekening te houden, wordt het duidelijk, waarom de wil van het geconcentreerde grootkapitaal van bank en staalwerk ook de wil is van de massa van de bourgeoisie; waarom tegenover de macht van dit grootkapitaal, dat het imperialisme wil en moet willen, in de burgerlijke wereld geen andere macht van betekenis staat; dus waarom het imperialisme noodzakelijk is.

Maar dan is het ook duidelijk – wat de sociaal-imperialisten niet zien – dat het imperialisme slechts zolang noodzakelijk, dat wil zeggen onvermijdelijk is, als de macht van het proletariaat niet groot genoeg is om de macht van het kapitaal te overwinnen. Zodra de wil en de macht van het proletariaat stijgt boven de macht van de bourgeoisie, is het uit met het imperialisme, is het niet meer noodzakelijk.


Noten

*) Das Kapital, Bd. II, p. 487.

**) Die Akkumulation des Kapitals, p. 104.

†) Bauer gaat in zijn kritiek op Rosa Luxemburgs werk uit van de natuurlijke aanwas van de bevolking als basis van de uitbreiding van de productie. Daarmee beperkt hij het vraagstuk onnodig en kunstmatig; praktisch vindt de uitbreiding van het kapitalisme veel sneller plaats dan de groei van de bevolking.

Redactionele noten

1. Dit was de eerste structurele crisis van het kapitalisme, die begon na de Franco-Pruisische oorlog en de Commune van Parijs in 1870-1871, wat de “normale” economische cyclus verstoorde, en die voor Europa meer dan twintig jaar standhield (1873-1896), “opgelost”, maar ook verlengd door imperialistische gebiedsuitbreiding waarvan de winsten door een parasitaire klasse werden opgesoupeerd in plaats van geïnvesteerd.

2. Mykhailo Tuhan-Baranovskyi (1865-1919).


© Hoewel de Communistische Linkerzijde in het algemeen afzag van het opeisen van kopierechten of rechten op “intellectueel eigendom” kunnen sommige publicaties onder dat recht vallen; mocht dat het geval zijn, dan is het gebruik alleen gratis voor persoonlijke raadpleging. Materiaal vrij van kopierechten, uitsluitend op voorwaarde van niet commercieel gebruik, kan vrij worden verspreid. Een verwijzing naar deze bron wordt op prijs gesteld, net als een verwittiging. Aangaande handelsgebruik kunt u contact met ons opnemen.


Compiled by Vico, 21 May 2020



















Overzicht