Home | Contact | Links       
Antonie Pannekoek Archives
 

De ontwikkeling van het boerenbedrijf, 1930


Bron: a.a.a.p.


De ontwikkeling van het boerenbedrijf [Omslagtitel] ; Ontwikkelingslijnen in de landbouw. – [Amsterdam], Bussum : Persmateriaal Internationale Communisten, 1930. – 47 p.; tevens afgedrukt in: De Nieuwe Weg, Jaargang 1930 (hier niet gebruikt); bron: a.a.a.p.; bron transcriptie: “Left Wing” Communism – an infantile disorder? , 18 april 2017, hier gecorrigeerd en verder geannoteerd.


Overzicht


I. De gang naar de “waren”-productie

Het is een bekende uitspraak, dat iedere nieuwe vorm van samenleving uit de schoot van de oude geboren wordt. Het kapitalisme schept in zijn razend snelle ontwikkeling een steeds sterker en machtiger geconcentreerd productieapparaat, waarbij het aan­tal van hen, die de beschikking er over hebben, steeds kleiner wordt. Of het bezit van dit productieapparaat daarbij in steeds minder handen komt, is een andere vraag, die we niet zo direct zouden willen beantwoorden. Met de overgang van de oude toe­stand, waarbij de eigenaar van een fabriek tegelijk de leider van de productie was, naar het Naamloze Vennootschappenkapitaal, zijn brede kringen van kleine bezitters, die over een paar duizend gulden te beschikken hebben, “medebezitters” van de ont­zaglijke fabriekscomplexen geworden. Het is voor hen echter een merkwaardig “bezit”, omdat het praktisch van het beschikkingsrecht over dit “bezit” is losgemaakt. Dit recht blijft voorbehouden aan enkele grootaandeelhouders, die de leiding van het bedrijf bepalen. De grote massa van aandeelhouders heeft niet anders dan een papier, dat recht geeft op een deel van de bedrijfswinst, terwijl ze, ook al zijn ze “medebezitter” van de industriecomplexen, niet eens enige “medezeggenschap” heeft. Willen we dus in het midden laten, of het aantal “bezitters” al dan niet toeneemt, zoveel is zeker, dat het beschikkingsrecht over het productieapparaat in steeds minder handen komt.

De bekende uitspraak van Marx, dat iedere nieuwe vorm van samenleving uit de schoot van de oude geboren wordt, wordt nu door de socialistische en communistische partijen aldus opgevat, dat ze het communisme of socialisme als een verdere uitbouw van genoemd concentratieproces zien, waarbij dan het beschikkingsrecht praktisch nog sterker wordt geconcentreerd. De industrieën zullen “gesocialiseerd”, “genationaliseerd”, of “aan de gemeenschap” gebracht worden, of minder hoogdra­vend, maar juister uitgedrukt; ze zullen in staatsbeheer genomen worden. De leiders van het economische leven beheren dan “in naam van de samenleving” het productie­apparaat, ze stellen vast, hoe, waar, wanneer en hoeveel geproduceerd en gedistri­bueerd zal worden, ze voeren prijzenpolitiek, kortom ze nemen de functies van de tegenwoordige industriebaronnen over. Zoals de tegenwoordige kapitaalmagnaten, hoewel niet de bezitters van het productieapparaat, toch de beschikking er over hebben, zo hebben de staatsfunctionarissen, ofschoon ze niet de bezitters zijn, toch de beschikking over de productiekrachten en over het maatschappelijk product.

Ook al denken we dat dit staatscommunisme direct op een fascistische dictatuur tegen de arbeidersklasse moet uitlopen (zoals in Rusland) en het de economische problemen van productie en distributie niet tot oplossing kan brengen, willen we dit soort “communisme” niet verder onderzoeken, omdat het er voor ons nu alleen op aan komt, vast te stellen dat wat heden als socialisme of communisme in de handel is, niet anders is dan het aan de staat brengen van de productiemiddelen. In dit opzicht is er tussen de sociaaldemocratie en het communisme van het Moskouse type geen verschil.

Beschouwen we naast de ontwikkeling van de industrie de ontwikkelingslijnen van de landbouw, dan krijgen we een heel ander beeld. Ondanks alle voorspellingen van gerenommeerde Marxisten, dat ook de landbouw zich zou moeten concentreren, dat de kleine en middelboer door grote landbouwconsortiums verdrongen zou worden, is van deze ontwikkeling al heel weinig waar te nemen. Niet alleen de middelboer, maar ook de kleine heeft zich weten te handhaven, terwijl van een groei van het grootbedrijf in bovenbedoelde zin geen sprake is. Ja, zelfs is een krachtige groei van het kleinbedrijf te constateren.

Deze gang van zaken is voor de theoretici van het staatscommunisme zeer teleurstellend. De arbeid in de industrie krijgt een steeds meer maatschappelijk karakter, terwijl dat van de boer volgens hen even afgesloten blijft. In de industrie worden de bedrij­ven steeds meer “rijp” voor het communisme, of wat ze daar dan onder verstaan, en in de landbouw willen ze maar niet “rijpen” voor centraal staatsbeheer! Vanuit de ge­zichtshoek van het staatscommunisme is en blijft de landbouw daarom een struikelblok voor de doorvoering van het communisme. Naar onze mening echter heeft het kapitalisme de objectieve voorwaarden voor het communisme ook in de landbouw schitterend doorgevoerd. Het hangt er slechts van af hoe men de dingen ziet, of men de productie in handen van de centrale regeringsbureau’s wil leggen, of dat men ze in handen van de producenten zelf legt.

Vatten we het huidige karakter van de landbouw in het oog, dan zien we hier niet die ontzaglijke concentratie van de productie, zoals we die in de industrie kennen. Maar ondanks dat is de landbouw door en door kapitalistisch geworden, doordat hij nu langs dezelfde vorm verloopt als de industriële productie. Eén van de kenmerken van de kapitalistische productie is, dat het een “waren”-productie is. “Waren” zijn gebruiksvoorwerpen, die de producent niet voor zichzelf maakt, maar voor anderen. Hij werkt dus voor de markt. De “waren”-producent maakt wat hij niet verbruikt, en hij verbruikt juist dat, wat hij zelf niet vervaardigt. Hij werkt dus niet voor zichzelf, maar voor anderen, voor de samenleving en zijn arbeid is daardoor maatschappelijke arbeid. In het stofwisselingsproces van de samenleving zijn zodoende alle “waren”-producenten onderling verbonden, ze leven in een volkomen onderlinge afhankelijkheidspositie en daarmee vormen ze in werkelijkheid een gesloten geheel.

Het oude boerenbedrijf kende de “waren”-productie slechts als bijkomstigheid. Het was een in zichzelf nagenoeg gesloten geheel, dat bijna alle behoeften uit eigen arbeid bevredigde. De boer werkte dus niet voor anderen, voor de samenleving, maar voor zijn eigen familiekring. Alleen dat wat niet in de eigen consumptie werd opgenomen, het overschot van zijn productie, was voor de markt bestemd, zodat deze producten de vorm van “waren” aannamen. Het boerenbedrijf was dus geen deel van de maatschappelijke arbeid en daarmee hadden de boeren een “onafhankelijk” bestaan.

De industriële “waren”-productie heeft deze geslotenheid echter doorbroken. Wist ze enerzijds een stroom van goedkope producten over de aarde te strooien, anderzijds werd door de werkingen van het kapitalisme de pacht verhoogd, terwijl tevens de staat steeds hogere belastingen verlangde. Het boerenbedrijf had daardoor steeds meer geld nodig om aan zijn verplichtingen te kunnen voldoen. Geld kan het echter alleen krijgen door als “waren”-producent op te treden, door meer product op de markt te brengen. Twee wegen lagen hierbij open: óf de boer moest bij gelijke pro­ductiviteit zelf minder verbruiken, óf hij moest de productiviteit van zijn arbeid opvoeren. Nòg minder verbruiken dan een boer van de oude stempel behoort echter tot de onmogelijkheden, zodat alleen het opvoeren van de productiviteit als uitkomst ver­scheen.

En hier ligt nu het punt waar de economen zich in hun toekomstbespiegelingen hebben vergist: Zij namen voor de landbouwbedrijven dezelfde ontwikkeling aan als voor de industrie. In de industrie werd een steeds grotere productiviteit bereikt door de aaneenvoeging van kapitalen, door steeds nieuwe productievere machines toe te voe­ren, die alleen in reuzenbedrijven konden worden aangewend. Dienovereenkomstig dachten ze, dat ditzelfde concentratieproces zich in de landbouw voltrekken moest, zodat de kleine en de middelboer in hoofdzaak verdwijnen moest, terwijl de landbouwconsortiums de beslissende rol in de agrarische productie zouden spelen.

Onze economen hebben zich tot nog toe in dat opzicht grondig vergist. En het is daarbij dan wel merkwaardig, dat de industriële ontwikkeling, die de concentratie in de landbouw tot stand zou moeten brengen, zelf de grondslag legde voor een heel andere ontwikkeling van de landbouw. Het waren in het bijzonder de motor, de kunstmeststoffen en de landbouwwetenschap, die de productiviteit van de arbeid menigvuldig wisten te doen stijgen, zonder dat daarbij tot de vormen van de industriële concentratie overgegaan behoefde te worden. Door de moderne bemesting speelt de aard van de grond niet meer de beslissende rol, de opbrengst per hectare nam aanzienlijk toe, zodat de boer veel meer “waren” op de markt kon brengen dan vroe­ger, terwijl het moderne verkeer voor een alzijdig transport zorg kon dragen.

Tegelijk met het opvoeren van de opbrengst per hectare voltrok zich echter een ander verschijnsel van grote betekenis. Zodra de productie op wetenschappelijke grondslagen komt te staan, treedt het verschijnsel van de specialisatie met dwingende kracht op. “De specialist is een holbewoner”, zegt Multatuli ergens, “hij ziet slechts een klein streepje van het heelal, maar dat ziet hij heel scherp”. Zo zien we, hoe de boeren zich inrichten, om slechts een of zeer weinige producten te verbouwen, maar om hierin dan ook het hoogste te bereiken, dat bij de huidige stand van de wetenschap en zijn financiële draagkracht te bereiken is. Naar deze specialisatie richt de boer zijn bedrijf in: hij heeft slechts die speciale gereedschappen en werktuigen, die voor zijn speciale product nodig zijn.

Zo is de toestand van het boerenbedrijf heden in West-Europa, Amerika en Australië. De boer is, in de volste betekenis van het woord, tot “waren”-producent geworden. Wat hij maakt, verbruikt hij zelf niet en wat hij zelf nodig heeft, wordt door hem niet vervaardigd. De landbouw (bij tuinbouw en veeteelt is het nog veel krachtiger ont­wikkeld) is hiermee volkomen bij de maatschappelijke arbeid ingeschakeld. Het gesloten huisbedrijf is door de specialisatie vernietigd, de landbouw, enzovoort, is overgegaan tot de “industriële productie”.

Moge de boer daarbij veelal nog de “bezitter” van zijn stukje land gebleven zijn, toch is zijn positie enorm verslechterd. Nu hij uitsluitend voor de markt werkt, is hij ook vol­komen van de wisselvalligheden van deze markt afhankelijk; zijn bestaansonzekerheid hield gelijke tred met zijn specialisatie. Deze onzekerheid was veel groter dan bij industriële ondernemingen, doordat deze niet zo sterk van de natuur afhankelijk wa­ren. Voerde de bestaansonzekerheid voor de industriële bedrijven tot steeds grotere concentratie, voor het boerenbedrijf koos ze een heel andere richting. Deze richting werd bepaald door de stand van de techniek in samenhang met de productievoorwaarden van het boerenbedrijf.

Om zo krachtig mogelijk op de markt te staan, sloten de boeren zich in landbouwcoöperaties aaneen, waardoor ze de prijszetting iets beter in de hand hadden en waardoor ze zich collectief van moderne machines konden voorzien, om de oogst te ver­werken. Tevens waren de boeren zodoende in staat zelf fabrieken op te richten, zo­dat de zuivelindustrie nu direct op het boerenbedrijf rust. De zuivelfabriek is het middelpunt geworden, dat een verre omtrek beheerst. De boeren hebben zich door hun coöperaties een orgaan geschapen, dat hen allen onverbrekelijk verbindt. Landbouw en veeteelt zijn daardoor sterk geconcentreerd, terwijl toch van een samenvatting van de bedrijven in industriële zin geen sprake is.

Vatten we het een en ander samen, dan constateren we, dat de huidige agricultuur door specialisatie gekenmerkt is en dus volkomen tot de “waren”-productie is overgegaan. Het opvoeren van de productiviteit kon door de moderne techniek tot stand komen, zonder concentratie van de bedrijven in één hand. Daarmee loopt parallel de ontwikkeling van de landbouwcoöperaties, die de bedrijven onderling verbinden door belangengemeenschappen, waarbij de boeren echter veelal hun “vrijheid” (bijvoorbeeld veelal de beschikking over hun product) verliezen.

Het is typisch, ofschoon zeer begrijpelijk dat de huidige arbeidersbeweging deze kapi­talistische ontwikkeling in de landbouw niet zien wil. Begrijpelijk, omdat deze groeilij­nen niet in hun staatscommunistische theorie passen. Het boerenbedrijf is vermaat­schappelijkt, de boerenbedrijven zijn aaneengesmeed en treden collectief op en nochtans lenen ze zich absoluut niet voor staatsbeheer. De z.g. socialistische arbeidersbeweging concludeert daaruit natuurlijk niet, dat haar staatscommunistische theorie fout is, maar ze besluit tot de onmogelijkheid van het communisme, zolang de landbouw zich niet ontwikkelt langs de lijnen, die ze deze volgens scholastisch Marxisme meent te moeten voorschrijven.

Een merkwaardig staaltje van scholastische verblindheid levert S.J. Rutgers (1), die ja­renlang als ingenieur in Sovjet-Rusland werkzaam was, in zijn beschouwingen over “Het boerenvraagstuk in Sovjet-Rusland, Europa, Amerika, India en China.” (Uitg. Brusse te Rotterdam). Rutgers is slecht te spreken over de technische ontwikkeling van de landbouw, want “het boerenbedrijf bestaat in hoofdzaak nog op eenzelfde trap van ontwikkeling als eeuwen geleden” (blz. 7) en bovendien constateert hij “In West-Europa een troosteloze inzinking van de landbouw en het ontbreken van zelfs maar enig plan tot werkelijke verbetering”. (blz. 22).


II. De ontwikkeling van de bodemopbrengst in Europa

Vragen we, wat Rutgers onder “eenzelfde ontwikkeling als eeuwen geleden” en on­der die “troosteloze inzinking van de landbouw” verstaat, dan is het antwoord daar­op, dat “het kleinbedrijf zich voor een groot deel van de landbouw gehandhaafd heeft”, terwijl “de industrialisatie zich zo goed als niet in de landbouw heeft doorgezet” (blz. 7). Onder “industrialisatie” verstaat hij dan de toepassing van landbouwma­chines in de agrarische grootbedrijven. Zeer zeker acht ook hij wetenschap en tech­niek ten behoeve van de landbouw een flink stuk vooruitgegaan, maar “niettegen­staande een groot aantal machines en verbeterde methoden in de landbouw, vordert de toepassing in de praktijk echter uiterst langzaam en handhaaft zich het primitieve kleinbedrijf, dat in de tweede helft van de 19de eeuw zelfs weer toeneemt” (blz. 15).

Dat zich hardnekkig doorzetten van het kleinbedrijf is voor Rutgers het summum van achterlijkheid, want hij beweert:

“Arbeidsbesparende machines als tractoren en dorsmachines en intensievere metho­den van landbouw als bevloeiingen, ontginningen, enzovoort zijn onverenigbaar met het kleinbedrijf” […] “In de landbouw zo goed als in de industrie” (blz. 9). Geen wonder dat Rutgers tot de conclusie moet komen: “Het proces van toename van het kleinbedrijf gaat gepaard met een achteruitgang van de technische hulpmiddelen” (blz. 21).

Zonder voorlopig op het eigenlijke doel van Rutgers geschrift in te gaan, willen we eerst onderzoeken, in hoeverre het beeld, dat hierin van de ontwikkeling, of liever van de teruggang van de agricultuur gegeven wordt, juist is. We geven daartoe allereerst onze aandacht aan de toename van het kleinbedrijf.

De toename van het kleinbedrijf

Inderdaad is dit alom te constateren, waartoe we als demonstratie alleen een paar getallen voor Holland geven.

Grootte en aantal van de land- en tuinbouwbedrijven van 1904-1921 in Nederland
 1-5 ha5-10 ha10-20 ha20-50 ha50-100 ha100 ha en meer
1921112.60748.94534.50922.6922.646250
1910109.62041.43930.82123.7983.278216
190492.63934.79829.79722.0253.089184
Toe- of afname sinds 1904+20%+40%+15%+3%-16%+35%

Voor de bedrijven beneden de 20 hectare (ha) dus een toename van gemiddeld 25% , een teruglopen van de middenbedrijven en een sterke toename van de grootbedrijven (35%). De moeilijkheden van de middenbedrijven komen ook hierin tot uitdrukking, dat het aantal pachtboeren beneden de 20 ha constant bleef, tot 10 ha toenam en voor 100 ha en meer weer afnam. De groten en de kleinen konden zich in Nederland dus het beste handhaven. Hoewel de gegeven cijfers nog tot verschillende opmerkin­gen aanleiding geven, doen we dat nu niet, omdat we niet meer willen, dan aangeven, dat het kleinbedrijf inderdaad sterk toegenomen is.

De eigenlijke grote toename van het kleinbedrijf komt echter voor Europa uit een heel andere hoek, nl. uit Rusland, Estland, Letland, Litouwen, Polen, Griekenland, Bulgarije, Joegoslavië en Tsjecho-Slowakije, waar na de oorlog tot versplintering van het grootgrondbezit werd overgegaan en het aantal kleine boeren met ettelijke miljoenen vermeerderde.

Wenden we ons nu tot de ontwikkeling van de bodemopbrengst.

De opbrengst van de bodem per hectare

Als de pessimistische beschouwingen van Rutgers, dat “het proces van toename van het kleinbedrijf gepaard gaat met een achteruitgang van de technische hulpmiddelen” juist is, zal dit zich in de bedrijfsresultaten moeten doen gevoelen. We willen daarom de opbrengst per hectare bebouwde oppervlakte over 43 jaren geven, zoals deze in Duitsland verkregen werd. De cijfers zijn ontleend aan J. Conrad: “Politische Ökono­mie” (2), IV. Teil, Jena, 1924, blz. 192.

Bodemopbrengst in Duitsland per hectare in kilogram
 roggetarwehavergerstaardappelen
18808401290113013207.100
189010101440126013708.000
1900144018701720182012.300
1910170019901840185013.200
1920115016301730150011.480
1923153019601830181011.950

Tot de wereldoorlog zien we een geregelde, krachtige toename van de opbrengst per ha. Daarna trad achter een grote terugval in, welke nog niet is hersteld. Deze hangt samen met de volkomen desorganisatie door de oorlog, alsmede met de oorlogs­schatting, die Duitsland is opgelegd. Rekenen we daarom als laatste “normale” jaar 1910, dan zien we dat in Duitsland in 30 jaar de opbrengst per ha voor rogge is toegenomen met ruim 100%, voor tarwe met bijna 55% (3), voor haver bijna 63%, voor gerst ruim 40% en voor aardappelen 86%. De hooiopbrengst per ha nam van 1893 tot 1913, dus in 20 jaar, toe met bijna 123%. (J. Conrad, blz. 198).

Om de ontwikkeling van de opbrengst per ha in de verschillende landen nader te kun­nen beschouwen, geven we de volgende tabel. Daarbij dient opgemerkt, dat de cijfers van 1901/1905 niet voor een nauwkeurige vergelijking met de andere geschikt zijn, omdat de cijfers voor 1909/1913 en 1923/1926 berekend zijn naar de tegenwoordige staatkundige indeling. Voor een globale vergelijking menen we ze echter wel te kunnen gebruiken. (zie tabel Bodemopbrengsten in 100 kilogram per hectare).

Bekijken we eerst de periode vanaf 1900 tot 1914, dan valt direct een algemene toename van de intensiteit van de landbouw in bijna alle landen van Europa waar te nemen. Deze toename is het grootst in de industriële landen, of in landen, die tussen deze in liggen (Holland, Denemarken, Duitsland, Zweden, België), waar het klein- en middenbedrijf overheersend is. Dit zegt natuurlijk nog niets over het feit, of een modern grootbedrijf per ha meer opbrengt dan een modern kleinbedrijf, wat nu niet ter discussie staat, maar toch blijkt uit de cijfers genoegzaam, dat het niet in de eerste plaats het kleinbedrijf is, dat de ontwikkeling in de landbouw tegenhoudt. Jammer genoeg kunnen we geen vergelijkende cijfers geven betreffende de bodemopbrengst in de tuinbouw, wat specifiek kleinbedrijf is. Ieder weet echter, dat de bodemopbrengst in deze branche al heel sterk opliep.

De agrarische landen met grootgrondbezit vertonen tot 1914 ook een toename in bodemopbrengst, maar de vooruitgang was in de West-Europese landen groter, zo­dat Oost-Europa nog verder achter raakte en dus betrekkelijk achteruit ging. Toch betekent de algemene toename van de bodemopbrengst voor heel Europa niet anders, dan dat de landbouw zich technisch in voorwaartse richting bewoog.

Trekken we nu de naoorlogse cijfers in de gezichtskring, dan krijgen we niet zo’n homogeen beeld. Denemarken, Duitsland, Roemenië, Hongarije en Zweden zagen hun bodemopbrengst achteruit gaan en konden nog niet tot het “vredespeil” komen. Rusland verbetert aanzienlijk zijn aardappelcultuur. Spanje verbetert zijn tarwecultuur met 25%, rogge met ongeveer 6%, terwijl aardappelen en beetwortelen sterk achteruit gaan. Verder beweegt de bodemopbrengst van de verschillende landen weer om het peil van 1913, terwijl sommige landen dit reeds overschreden hebben: België, Nederland, Frankrijk, Italië, Bulgarije. Op de ontwikkeling van de bodemopbrengst in de Oost-Europese staten komen we nog nader terug.

Bodemopbrengsten in 100 kilogram per hectare
(volgens de Statistiek van het Int. Landbouw Instituut te Rome, jaargang 1910, 1925/1926 en 1926/1927)
  tarweroggeaardappelenbeetwortelen
Denemarken1901-190527,217,2120,–267,9
1909/191333,116,8148,3306,–
1923/192628,–15,5133,5284,4
België1901-190522,921,3156,4299,9
1909/191325,322,1186,4274,9
1923/192626,423,1186,6287,7
Groot-Brittanië & Ierland1901-190521,9 132,– 
1909/191321,2 156,4164,5
1923/192622,– 153,6194,2
Nederland1901-190521,316,–129,7304,6
1909/191323,518,1142,9306,4
1923/192627,418,9193,1317,4
Duitsland1901-190519,–15,6133,9 
1909/191322,718,6137,7299,7
1923/192619,214,8127,2250,9
Zweden1901-190516,713,587,6 
1909/191321,315,5102,8307,1
1923/192620,315,9108,1277,8
Noorwegen1901-190515,316,2149,3 
1909/191316,616,4151,– 
1923/192615,916,9163,3 
Frankrijk1901-190513,610,682,5255,1
1909/191313,110,687,1239,1
1923/192613,911,188,3243,6
Roemenië1901-190512,510,–26,2189,9
1909/191312,99,250,1205,5
1923/19268,57,956,2161,2
Oostenrijk1901-190512,411,6100,–243,9
1909/191313,713,683,4204,7
1923/192613,–12,095,8255,7
Hongarije1901-190512,–11,175,–204,2
1909/191313,211,880,2254,2
1923/192612,711,–74,–203,7
Bulgarije1901-190511,411,141,5143,1
1909/19136,27,837,6128,6
1923/19269,18,741,–151,2
Italie1901-19058,9   
1909/191310,511,–57,6335,5
1923/192612,113,159,2290,8
Spanje1901-19058,77,9 226,8
1909/19139,28,7118,1241,8
1923/192611,69,286,3182,8
Europees Rusland1901-19056,97,465,9147,5
1909/19136,97,569,1161,1
1923/19267,27,585,2122,1

De naoorlogse periode vertoont dus niet zo een homogeen beeld. Uit de toe- of afname van de bodemopbrengst is daarom niet direct af te leiden, of de technische ont­wikkeling in die tijd vooruit, achteruit, of op hetzelfde peil gebleven is. We moeten dit vraagstuk daarom van een andere zijde benaderen, wat we bij de bespreking van de kunstmestindustrie en de specialisatie zullen doen. Voor we daartoe overgaan, moet echter de opmerking gemaakt worden, dat het opvoeren van de opbrengst per hecta­re nog volstrekt geen bewijs is, dat het de boeren goed gaat. Integendeel!

Afgezien van de landen, die buiten de oorlog bleven, is de financiële druk voor de boeren (en niet alleen voor de boeren) een ondraaglijke last geworden. De geweldige vermeerdering van de staatsschuld in alle landen heeft het parasitisme van de geldschieters tot ongekende hoogte opgedreven. De rentebetalingen omvatten internationaal miljarden, wat niet anders betekent, dan dat de houders van de staatspapieren jaarlijks parasitair jaarlijks voor miljarden aan product aan de samenleving onttrekken. De belastingschroef moet daarom tot het uiterste worden aangedraaid, terwijl de boer bovendien nog gebukt gaat onder de parasieten van het grond- en hypotheekkapitaal. Een aanzienlijk deel van zijn oogst moet hij daarmee offeren aan de zuiver parasitaire vormen van onze huidige samenleving.

Deze druk op de boeren werkt zich naar twee richtingen uit. Enerzijds belemmert de grote financiële last hen in de technische uitbouw van hun bedrijf, doordat ze niet voldoende moderne gereedschappen en kunstmest kunnen kopen. De druk remt dus de technische ontwikkeling. Anderzijds is de boer nu echter verplicht uit zijn land te halen, wat er uit te halen valt, hij moet zijn gesloten huisbedrijf, voor zo ver nog aanwezig, opgeven, om uitsluitend voor de markt te gaan werken. Hij moet zich gaan specialiseren, waardoor de opbrengst per hectare stijgt. Het stijgen van de bodemopbrengst is daarom niet de uitdrukking van de voorspoed van de boeren, maar juist van de nood, waarin ze leven.

Doordat de financiële last zich naar twee richtingen uitwerkt, een die de bodemopbrengst bevordert en een die deze remt, moet de politiek van de staatsbestuurders daarop gericht zijn, tussen Scylla en Charybdis door te zeilen. Ze kunnen de last op de boeren juist zo groot maken, dat nog enige ruimte voor de eigen accumulatie van de boeren overblijft, zodat deze in de mogelijkheid zijn benodigdheden om de opbrengst per hectare te doen stijgen aan te schaffen, terwijl de meerdere opbrengst dan weer bijna geheel aan het parasitaire kapitaal kan toevallen.


III. Het gebruik van kunstmest en de specialisatie in de landbouw. Het normaliseren van de producten

Nadat we hebben aangetoond, dat juist de landen, waar het klein- en middenbedrijf overheersend is, Holland, Denemarken, België, aan de spits van de landbouwontwikkeling in Europa staan, geloven we te mogen zeggen, dat de uitspraak van Rutgers, dat het primitieve kleinbedrijf zich handhaaft, volkomen fout is. We willen nu zien, hoe het staat met de achteruitgang van de technische hulpmiddelen.

Een van de belangrijkste factoren, die de opbrengst per hectare deden toenemen, is zeker het gebruik van kunstmest. Nadat in 1843 in Engeland de eerste superfosfaat/fabriek was opgericht, ontwikkelde het verbruik zich eerst langzaam, dan in steeds sneller tempo, zodat het wereldverbruik nu miljarden kilogram beloopt. Iedere technische verbetering in de kunstmestindustrie kwam direct de landbouw ten goede, zodat daarmee de voorwaarden tot het toepassen van kunstmest gunstiger werden. Hier bestaat dus een directe samenhang van de industriële ontwikkeling met de agrarische. De “primitieve” boer in Holland verbruikt, behalve zijn stikstof, kali en 400.000 ton Thomasmeel, nog 50 kilogram superfosfaat per hectare bebouwde oppervlakte. De boeren in Denemarken zijn zo “primitief”, dat slechts 7½% geen superfosfaat gebruikt! De zaak komt dus hier op neer, dat de “primitieve” boer grote delen van zijn bedrijf niet direct op zijn hof heeft staan, maar dat deze over de hele wereld verspreid zijn. Zoals de industriële productie bij het opvoeren van de productiviteit overgaat tot “bedrijfsuitbreiding”, tot het bouwen van nieuwe fabriekscomplexen en het te werk stellen van nieuwe, productievere machines, zo doet het landbouwbedrijf net zo, alleen… staan de complexen op een andere plaats en liggen de eigendomsverhoudingen anders. Maar in z’n economisch resultaat blijft dat hetzelfde en daar gaat het hier om!

Het invoegen van de landbouw in de industriële productie gaat in de laatste 25 jaar in versneld tempo, wat in de eerste plaats samenhangt met de ontwikkeling van chemie en techniek. Zo zien we bijvoorbeeld bij een verbetering van de staalbereiding een van de voornaamste kunstmeststoffen, het Thomasmeel, ontstaan. Het staal wordt uit gietijzer vervaardigd, waarbij het een zuiveringsproces ondergaan moet. De meeste soorten gietijzer bevatten als onzuiverheid een hoeveelheid fosfor, dat aanvankelijk niet daaruit te verwijderen was. Doordat Zweden en Engeland ertsen verwerkten met een zeer laag fosforgehalte, kregen zij de beste staalsoorten en beschikten ze daardoor praktisch over het staalmonopolie. Het gelukte Thomas echter een procedé te vinden, om het fosfor betrekkelijk gemakkelijk uit het gietijzer te krijgen, waarbij dan een fosforhoudende “slak” op het vloeibare materiaal kwam te drijven. Deze slak wordt nu fijngemalen en komt als fosforhoudende meststof in de handel. Zo leidde een verbetering in de staalbereiding tot een ontsluiting van nieuwe productiekrachten in de landbouw.

Bij de bereiding van stikstofhoudende meststoffen is de samenhang van landbouw en industrie ook volkomen duidelijk. Bij de gasfabricage in de gasfabrieken bevat het “ruwe” gas, zoals dit uit de steenkolen verkregen wordt, verschillende onzuiverheden , die eruit verwijderd moeten worden. Zo is het bijvoorbeeld vermengd met ammoniakgas, dat er uit gehaald wordt, door het “ruwe” gas door water te laten circuleren. Het water wordt zo tot ammoniakwater, dat als stikstofhoudende “kunst­mest” over de akkers wordt gespoten. Tegenwoordig brengt men het in vaste vorm door het met zwavelzuur te verbinden, waarbij dan het zout zwavelzure ammoniak ontstaat, dat beter voor de handel geschikt is. Hier zien we dus ook, hoe een vooruit­gang in de technische ontwikkeling, de overgang naar de gasfabricage, tegelijk nieu­we productiekrachten voor de landbouw ontsloot.

De hoeveelheid zwavelzure ammoniak, die op deze wijze verkregen werd, was na­tuurlijk beperkt, doordat het als bijproduct van de gasfabricage verscheen. De land­bouw kon echter veel meer stikstof opnemen, zodat naar middelen omgezien werd de bereiding van stikstofhoudende kunstmest onafhankelijk van de gasfabricage te maken. Reeds betrekkelijk vroeg gelukte dit (1893), hoewel het procédé pas in 1904 op enigszins grote schaal door een fabriek in Italië werd toegepast.

De eigenlijke grote ontwikkeling van de stikstofkunstmestindustrie is echt van veel jongere datum. In 1913 werd in Ludwigshafen de eerste fabriek opgericht, waar de ammoniaksynthese van Haber-Bosch werd toegepast en in 1917 ontstond het be­kende Leuna Werk, dat volgens hetzelfde procédé werkt. Hierbij gaat het er allereerst om, ammoniakgas te vervaardigen (dus hetzelfde als uit het “ruwe” lichtgas verkregen wordt), waarna het ook opgelost wordt in water en dan uitgangspunt is voor de vele soorten stikstofkunstmest, zoals die door de Leuna Werke in de handel worden gebracht. Bij dit procédé staan de hoogste veroveringen van techniek en wetenschap in dienst van de landbouw. De stikstof uit de lucht wordt bij een temperatuur van 500-600 graden Celsius onder een druk van 200 atmosfeer tot verbinding met waterstofgas gebracht, waarbij zich dan onder invloed van een katalysator ammoniakgas vormt.

Ludwigshafen en Leuna leveren op het ogenblik 600.000 ton kunstmest per jaar. Re­kent men de verschillende soorten van stikstofmest tot zwavelzure ammoniak om, dan is de productie 1 baal per seconde, of 60 balen per minuut, of 3600 balen per uur enz. (Gegevens uit “Granen, Veevoeder, Kunstmest”, 21 december 1928).

In verband met een en ander komt het ons lichtelijk onjuist voor onder deze omstan­digheden te spreken van “een achteruitgang van de technische hulpmiddelen in de landbouw” zoals Rutgers doet. Integendeel zijn deze sinds 1913 ontzaglijk vooruit­gegaan, terwijl ook hun aanwending stijgt. Sinds 1913 is het wereldverbruik aan stikstof voor bemesting verdubbeld, kali nam met 40% toe, terwijl het verbruik aan fosforzuur constant bleef.

De Verenigde Staten verbruiken 14% meer kunstmest dan in 1913, welke vermeer­dering bijna uitsluitend op rekening van de stikstof komt. In Duitsland nam het stik­stofverbruik met meer dan 100% toe, kali met 33%, terwijl het verbruik aan fosfor­zuur met 13% afnam. Frankrijk zag zijn stikstofverbruik met 100% toenemen, het kaliverbruik met 400%, fosforzuur met 16%. Nederland heeft een toename van 250% voor stikstofverbruik, kali 200% en fosforzuur 25%. Engeland hield het verbruik aan kunstmest als in 1913.

Het verbruik aan kunstmest verhoudt zich voor verschillende landen als volgt:

NederlandDuitslandFrankrijkEngelandVerenigde Staten
1005020165

(Gegevens ontleend aan “Granen” enz., 14 juni 1929).

De specialisatie

Een tweede factor, die de opbrengst van de bodem in West-Europa deed toenemen, was de specialisatie als tweede toepassing van de landbouwwetenschap. Was in 1840 door Liebig de grondslag voor de leer van de meststoffen gelegd, kwam het er nu op aan, de eigenschappen van ieder afzonderlijk gewas na te gaan, en experimen­teel vast te stellen, welke en hoeveel van iedere meststof door een bepaalde plantensoort wordt verbruikt, hoe groot het watergehalte van de bodem moet zijn, hoe diep moet worden geploegd. Dan had iedere plant zijn ziekten, welke ieder afzonder­lijk bestudeerd moest worden, om middelen te vinden, om met succes er tegen te kunnen optreden. Verder moesten de erfelijkheidseigenschappen worden nagegaan, om de soorten te kunnen verbeteren en ze op een hoog peil te houden. Kortom: de landbouwwetenschap in het algemeen en de bemestings-, de erfelijkheids- en de ziektenleer in het bijzonder kregen een eerste plaats in de toepassing van de moderne landbouw en veeteelt.

Natuurlijk is niet iedere boer met de resultaten van de onderzoekingen bekend. Dat is niet mogelijk en ook niet nodig. Om de hoogste productiviteit, die zijn middelen hem veroorloven, te bereiken, specialiseert hij zich op een bepaald product en hij eigent zich praktisch de resultaten van de wetenschap toe, voor zover deze op zijn product betrekking hebben. Daardoor kan de “primitieve” boer zoveel product van een hectare land halen, als waarvoor bij niet wetenschappelijke landbouw drie hectare nodig zouden zijn. De “primitieve” boer is dus niet alleen met machtige fabriekscomplexen, waar kunstmest gefabriceerd wordt, verbonden, maar ook met de laboratoria en proefsta­tions van de landbouwhogescholen. Men kan ook zeggen: De agricultuur heeft zich dusdanig gespecialiseerd, dat de wijze van produceren volkomen met die van de industriële productie parallel loopt. De chemici houden zich uitsluitend bezig met de leer en de vervaardiging van kunstmeststoffen, de technici van de kunstmestfabrieken met de techniek van deze industrie, de biologen met de studie van de groei- en levensvoorwaarden en de ziekten. De specialisatie is zo ver doorgevoerd, dat afzonderlijke bedrijven alleen zaai- en pootgoed fabriceren, het zijn dus “zaadfabrieken”. De eigenlijke “boer” verricht nu de volgende deelwerkzaamheid: hij brengt het zaad tot vrucht. Het proces van de deelarbeid treedt bij de veeboeren al zeer duidelijk op de voorgrond. Terwijl de melk vroeger “thuis” tot boter en kaas verwerkt werd, gaat nu de “ruwe” melk als “grondstof” naar de zuivelfabriek, die het “eindproduct” tevoorschijn brengt.

Van het oude “boerenbedrijf” is alleen de naam nog over. De boeren zijn zich dat heel goed bewust, wat aardig gedemonstreerd wordt door een gesprek, dat schrijver dezes in een locaaltreintje in Overijssel afluisterde. Een boer zei in z’n dialect tot een medereiziger: “Joa, ’t is tegenswoordig ’n roare tied. ’t Is ook al zo gelègen: A ie ’t iene doet, meu ie ’t andere willen.” En toen ze verder over de veranderingen in de “boerenstand” spraken, zei hij: “Boeren? Joa, boeren! I alk en ien [= elk een] kan tegenswoordig boer wèzen. D’r bint boeren, die geen boeren bint. A ie maar melken kunt en kannen an den diek zetten, bi je al boer. ’n Boer is tegenswoordig een stuk van een fabriek.”

Het boerenbedrijf is door techniek en wetenschap dusdanig uiteengehaald, dat de agricultuur in een keten van deelprocessen uiteen valt, waarbij “de boer” niet meer is dan een schakel in de keten, die van de toppen der menselijke kennis naar de directe bewerking van de grond loopt. Welk een ontzaglijke verandering, door de industriële productie in de laatste eeuw tot stand gebracht! De boer uit zijn isolement opgeheven en ingelijfd in het proces van de maatschappelijke arbeid! De “zelfstandige” boer, die zich eeuwen wist te handhaven, tot niet meer dan een radertje in het grote ge­heel, zoals ieder ander!

Het normaliseren van de producten

Het spreekt wel van zelf, dat de specialisatie in de landbouw niet over de hele wereld even krachtig is doorgevoerd, wat hierop neerkomt, dat de boer niet overal even in­tensief in de kring van de kapitalistische productiewijze is getrokken. Dit geldt in het bijzonder voor de boeren van Oost-Europa, die nu eerst door het veroveren van hun “vrijheid” als “zelfstandige” kleine boeren van het gesloten huisbedrijf tot de kapitalistische “waren”-productie kunnen overgaan. Maar ondanks het verschil in uitbouw van de specialisatie verloopt het proces zo snel en zo algemeen over de hele aarde, dat men hier duidelijk een wezenlijke ontwikkelingswet van de agricultuur herkent. Wat in jarenlang moeitevol proberen onder succes en tegenslag werd voorbereid, schijnt plotseling tot rijpheid te zijn gekomen, zodat in Amerika, Europa, Australië, de land­bouw dezelfde richting inslaat. Deze nieuwe richting, die weliswaar reeds jaren zoe­kend en tastend werd gevolgd, zet zich nu met kracht door: het is de weg van de specialisatie, waaruit de normalisatie van de producten als volgende stap in de ont­wikkeling voortkomt.

Na 1914 zijn steeds meer landen er toe overgegaan, wettelijke bepalingen te maken, die aangeven aan welke eisen de landbouwproducten moeten voldoen, willen ze voor export in aanmerking kunnen komen. Zuivelproducten moeten een voorgeschreven vetgehalte enz. hebben, voor eieren is veelal de grootte, de dooiermassa en het luchtgehalte voorgeschreven, enz. Typisch is, dat deze bepalingen veelal allereerst van de verenigde producenten zelf uitgingen. Zo zijn bijvoorbeeld de normen in Holland uitsluitend door de boeren zelf gesteld en oefenen ze ook zelf de controle uit op de kwaliteit van het product. Door de producten met hun kwaliteitsmerk te waarborgen, proberen ze hun afzetgebied te vergroten.

Het springt voor ieder in het oog, dat gelijkwaardige kwaliteiten alleen verkregen kunnen worden, door de arbeidsmethoden te normaliseren, wat direct leidt tot een rationalisatie van de bedrijfsmethoden in de landbouw. De rationalisatie voltrekt zich in de landbouw dus net zo goed als in de industrie, alleen niet over de weg van het gecentraliseerde grootbedrijf, maar langs de weg van de normalisatie van het pro­duct. De boeren zijn verplicht “met hun tijd mee te gaan” en de wetenschappelijke be­drijfsmethoden door te voeren. Doen ze het niet, dan verkrijgen ze een afwijkend product, het valt buiten de norm, de kwaliteit is niet gewaarborgd en het is daarmee onverkoopbaar.

Deze normalisatie is vanuit algemeen maatschappelijk oogpunt van enorme betekenis. In de eerste plaats wordt het inzamelen van de oogst zeer vereenvoudigd. Het gelijk­vormige product laat zich veel gemakkelijker als massatransport vervoeren, terwijl de goederen nu ook gemakkelijk in pakhuizen opgeslagen kunnen worden, tot ze in de consumptie gaan, want:

“Het inzamelen en opslaan van de gemakkelijk bedervende landbouwproducten in de tijd van het oogsten, ze voor bederf bewaren en ze in de tijd als dit nodig is te distribueren, vormt een noodzakelijk deel van de productie”. (Secretaris van Landbouw in de u.s.a. in een rede in 1924).

In het proces van de normalisatie van de landbouw gaat Amerika aan de spits.

“De ontwikkeling van de nationale normalisatie van de landbouwproducten voltrok zich als geleidelijke ontwikkeling […]. De werkelijke vooruitgang op dit gebied voltrok zich echter gedurende de laatste depressie die de landbouw moest doormaken, toen alle krachten in ’t werk gesteld moesten worden, om ieder deel van het verkoopapparaat voor landbouwproducten van alle verspilling te ontdoen. Deze beweging werd bevorderd door de sprongsgewijze ontwikkeling van de agricultuur tot specialiteiten-producent”.
(Circulaire van het Departement van Landbouw in de u.s.a., 1 augustus 1927).

Hoe jong deze ontwikkeling is, blijkt duidelijk uit het feit, dat pas in 1913 een “Bu­reau of Markets” opgericht werd, om de voorwaarden tot normalisatie te onderzoeken, waarvan de invoering van de eerste wet op de normalisatie in 1916 het gevolg was. In de betreffende bepalingen worden de minimumkwaliteiten vastgesteld, waarna met kleinere speelruimten de betere kwaliteiten volgen. Hoe beter de specialisatie is doorgevoerd, hoe kleiner de speelruimten genomen kunnen worden. Op het ogenblik zijn in Amerika genormaliseerd: appelen, peren, pruimen, perziken, kersen, aard­beien, druiven, meloenen, tomaten, augurken, uien, selderie, bonen, wortelen, rapen, kool, spinazie; bloemkool, asperges, rijst, aardappelen, tabak, mais, alle tarwesoor­ten, eieren, boter, kaas, honing, alle vlees en gevogelte, zowel in levende als in ge­slachte toestand, wol en katoen.

Hieruit zien we dus dat in Amerika praktisch de hele agricultuur genormaliseerd is. Het betekent dat de agricultuur volkomen tot de “waren”-productie is overgegaan, de kloof tussen landbouw en industrie is gedempt! In Amerika is alleen nog industrie!!

Nog een enkel woord over de opslag van de landbouwproducten, die direct met de normalisatie verbonden is. Naast de voorschriften, waaraan de producten moeten be­antwoorden, vinden we ook bepalingen voor het bewaren van de goederen, dat wet­telijk geregeld is. De geweldige koelpakhuizen bevatten op 1 november 1924: 264.000.000 kg vlees, 27.715.000 kg bevroren gevogelte, 62.125 kg boter, 43.600.000 kg kaas, 2.000.000.000 eieren en 5.573.000 vaten appelen. Het opslaan en bewaren van gemakkelijk bedervende goederen heeft zich hiermee tegelijk als een nieuwe tak van bedrijf ontwikkeld, die alleen wetenschappelijk bedreven kan worden en die zijn taak slechts kan vervullen door de toepassing van alle veroverin­gen van de techniek. Landbouw en techniek steunen ook hier direct op elkaar.

Het is nu maar de vraag, of dit alles specifiek Amerikaans is, of dat de ontwikkelings­lijnen voor de landbouw van de wereld hier het scherpst tot uiting komen. Het antwoord op deze vraag wordt gegeven door de wetten, die na de wereldoorlog in de verschillende landen tot stand zijn gekomen. In het algemeen valt te zeggen, dat Europa in de normalisatiewetten nog niet verder gekomen is dan de zuivelindustrie. Toch is hier het proces veel verder voortgeschreden, dan uit het aantal wetten afgeleid zou kunnen worden, doordat de boeren zelf vele producten hebben genormaliseerd, dus buiten inmenging van de staat. Dit is in het bijzonder in Holland het geval, waar nagenoeg de hele landbouw genormaliseerd is, terwijl de staat als zodanig er niets mee te maken heeft. Denemarken heeft boter, kaas, eieren en vlees genormaliseerd. Noorwegen boter en kaas. Zweden boter, kaas en vlees. Finland boter en kaas. Estland kreeg in 1924 zijn normalisatie voor zuivelproducten, alsmede die voor eieren. Letland boter en eieren. In Holland zijn reeds sinds 1904 de melkproducten genormaliseerd, waarbij tegenwoordig nog komen: suikerbieten, aardappelen, groen­ten, fruit en eieren. De controle op het product geschiedt uitsluitend door de boeren­coöperaties. Engeland kreeg in 1928 zijn normalisatievoorschriften voor melkproducten, fruit en eieren. Ierland normaliseerde reeds in 1924 de melkproducten en de eieren, terwijl in 1927 bepaalde voorschriften voor de export werden ingevoerd. In Zwitserland en Hongarije zijn normalisatiewetten in voorbereiding. In Nieuw-Zeeland en Australië is de normalisatie voor melkproducten en gedeeltelijk voor vlees doorge­voerd. Duitsland heeft geen algemene regelingen voor het hele Rijk. Verschillende producten werden echter genormaliseerd in Sleeswijk-Holstein, de Rijn-provincie, Ol­denburg, Hannover, Beieren, Wurtemberg.

Uit de enkele jaartallen, die mede vermeld zijn, komt duidelijk naar voren, dat deze ontwikkelingsgang iets van de allerlaatste tijd is. Het betekent niet anders, dan dat de specialisatie, die reeds lang werd doorgevoerd, nu ook in Europa leidt tot een ver­dere stap in de ontwikkeling naar de maatschappelijke productie: naar de normalisatie. Met Solmssen (4) kunnen we inderdaad zeggen:

“Wij staan voor een ontwikkeling, die de hele agricultuur van de wereld in haar baan trekt.”

Voor de verdere ontwikkeling van de landbouw in Europa is daarom te verwachten, dat “de industrialisatie” snel vooruit zal gaan, wat echter geenszins betekent, dat de positie van de boeren en landarbeiders verbetert. De druk, die het parasitaire kapitaal van grondbezitters en hypotheekbanken op de boeren legt, dwingt in de uiterste nood tot “rationalisatie”, die hier de vormen van de normalisatie van het product aan­neemt. De vruchten van deze rationalisatie vallen het parasitaire kapitaal toe, zodat het alleen betekent, dat de onvermijdelijke ineenstorting van de landbouw nog wordt uitgesteld, tot de landbouw in naar organisatie en productie nog hogere vormen bij de maatschappelijke arbeid is ingeschakeld.


IV. De landbouwcoöperaties

Behalve dat de ontwikkeling van de industrie de grondslag legde voor een verhoging van de productiviteit in de landbouw, bracht ze tegelijk de boer tot collectief leven. Dit geschiedde naar verschillende richtingen, welke in het woord coöperatie samen­gevat kunnen worden.

De boerencoöperaties ontwikkelen zich over de hele wereld met grote snelheid, welk proces in en na de wereldoorlog nieuwe drijfkrachten kreeg. In Amerika begon de aaneensluiting van de boeren al heel vroeg (1867), in Europa eerst omstreeks 1890. Het groeiproces blijkt in alle landen verschillend te zijn: hier zet het bij de kleine boe­ren in, daar bij de grote, in Amerika begint het in hoofdzaak met verkooporganisaties, in Europa treden de inkoopverenigingen en het coöperatief drijven van landbouwindustrieën meer op de voorgrond. Omdat het niet doenlijk is, in een kort bestek enigermate een beeld te geven van de omvang van de landbouwcoöperaties op het ogenblik, kunnen we niet anders doen dan het alom bekende verschijnsel van de coö­peratievorming met een enkel voorbeeld te demonstreren. We willen daarom eerst enige opmerkingen maken omtrent Nederland.

Omstreeks 1890-1895 zagen de boeren in Nederland zich gedwongen tegen de knoeie­rijen der kunstmestleveranciers stelling te nemen. Kunstmest is nu eenmaal een artikel, waarbij de boer “een kat in de zak” koopt: hij moet maar geloven dat hem deug­delijke waar en geen rommel verkocht wordt. Inderdaad kwamen veel vervalsingen voor! Om zich tegen deze bedriegerijen te wapenen, waren de boeren gedwongen tot gemeenschappelijk optreden, zodat ze gezamenlijk gingen inkopen en dan een monster van de partij lieten onderzoeken. Daarbij hadden ze dan behalve het rustige gevoel niet bedrogen te zijn, meteen het voordeel van goedkoper inkopen.

In Nederland is het coöperatief inkopen na de oorlog zeer sterk toegenomen, een verschijnsel, dat men in alle landen kan waarnemen. Voor Nederland was het verloop als volgt:

Coöperatieve inkopen aan mest, zaaigoed, voer, enz.
 Bedrag in GuldensAandeel deelnemende coöperatiesAantal leden
190411.880.00085556.192
191337.362.0001177104.455
192491.156.0001586156.054

Rekent men het over het totaal aan boerenbedrijven, dan werd er in 1924 reeds door 70% van de boeren coöperatief ingekocht. Naast de inkoopcoöperaties ontstonden ook verkooporganisaties als afweer tegen het handelskapitaal. Zeer duidelijk kwam dit in de allerlaatste tijd nog eens tot uiting bij het zogenaamde slachtconflict in mei 1929, dat tussen de veeboeren enerzijds en de veehandelaars anderzijds ontstaan was. In het blad van het handelskapitaal Vee- en Vleeschhandel (5) lezen we daarover het volgende:

“Bondsvoorzitter Trompetter wees terecht in de afdelingen van den Bond van Vee­handelaren op het snelgroeiende coöperatiegevaar, dat zich meester maakt van de vee-export. De coöperatieve vee-exportslachterij te Akkrum breidt haar handelsinvloed in buiten- en binnenland snel uit. […] Het wordt tijd […] dat wij weigeren koeien te kopen van de commissionair van de Friesche Coöperatie, die er te Utrecht en Rotterdam mee markt. Alle veehandelaren moeten dat vee laten staan. Dan zal het minder opbrengen en zullen de boerencoöperators voelen, wat het zegt, de handel uit te schakelen. […] Hier moet de veehandel op zelfbehoud zijn bedacht, aleer zijn kracht door de stilaan voortwoekerende coöperatie geheel is ondermijnd. […] Hier mocht de bondsvoorzitter wel waarschuwen: waak voor uw belangen door eendrachtig in de bres te staan voor de aloude rechten van de vrije veehandel”.

Een tweede richting, waarin de aaneensluiting der boeren zich voltrok, betrekt zich direct op de bewerking van het land en de oogst. Volgens Rutgers zijn “arbeidsbespa­rende machines als tractoren en dorsmachines onverenigbaar met het kleinbedrijf”. De levende werkelijkheid is echter anders. Het is hier weer de coöperatie, die de boeren aaneensluit tot gemeenschappelijk gebruik van tractors en dorsmachines.

Wie dus aan het aantal in gebruik zijnde tractors en dorsmachines wil vaststellen, in hoeverre de landbouw gemechaniseerd is, vergist zich grondig. Dit springt te meer in het oog, als we bedenken, dat het ook gebruikelijk is, dat de dorpssmid of autohersteller dergelijke machines in bezit heeft, om ze aan de kleine boeren te verhuren. In de intensieve landbouwlanden van West-Europa is dit gedeelte van de landbouw voor een heel stuk reeds gemechaniseerd. Ondanks de toename van het kleinbedrijf is er van een “achteruitgang van de technische hulpmiddelen” niets te bespeuren. We willen natuurlijk geenszins beweren, dat de mechanisatie vol uitgebouwd is. Integendeel! We staan hier per slot van rekening nog eerst aan het begin van de ontwikke­ling.

De industrie werkte echter ook op een andere richting op de aaneensluiting van de boeren. Verschillende industrieën, die direct op de landbouw rusten, zoals suiker-, aardappelmeel-, strokarton- en zuivelfabrieken, maakten van de versplintering van de boeren gebruik, om hun grondstoffen tegen schandelijk lagen prijs van de boeren af te nemen. Als tegenweer ontstonden daaruit enerzijds de verkoopscoöperaties en an­derzijds gaven deze praktijken ertoe aanleiding, dat de boeren zelf zulke fabrieken gingen oprichten. Zo zijn er op het ogenblik in Nederland 18 strokartonfabrieken, waarvan 10 coöperatieve. De Nederlandse strokartonfabrieken beheersen 90% van het aanbod op de wereldmarkt, terwijl 60% van de productie in handen van de coöperaties is. Van de suikerfabrieken is ⅓ in handen van de coöperaties. In 1925 werd 25% van alle in Nederland geproduceerde boter door coöperatieve zuivelfabrieken verwerkt en 45% van alle kaas.

Voor Nederland is de toestand nu zo, dat “de handel, in kunstmest, veevoeder en an­dere bedrijfsbenodigdheden, in eieren en kleinvee, in zuivelartikelen, zaai- en poot­goed en het landbouwkrediet is meer of minder coöperatief georganiseerd. verder kennen we coöperatieve aardappelmeel-, strokarton-, suiker-, veekoeken- en kunst­mestfabrieken”. (“Handelingen van de Groninger Maatschappij van Landbouw”, jaar­gang 1923/1924, blz. 86).

Deze toestand geldt echter geenszins uitsluitend voor Nederland. Zo schrijft bijvoor­beeld Meschernakow in een artikel over “De landbouwcoöperaties” in “Agrarprobleme” Band 1, Heft 1, 1928, op blz. 36 (6):

“Heden is het deelnemen aan de landbouwcoöperatie voor iedere boer een dwingende noodzakelijkheid. In het hoogontwikkelde kapitalisme kan de boer, die niet aan de boerencoöperatie deelneemt, bij de huidige stand van zaken zijn bedrijf niet uitoefenen.”

De normalisatie van de producten, waarover we reeds vroeger spraken, vormt een wezenlijke stimulans voor de coöperatievorming. Het is een wederkerig proces, of anders gezegd: coöperatie en normalisatie zijn functioneel afhankelijk. Normalisatie is pas mogelijk, als de coöperatie tot stand gekomen is en is de normalisatie voor be­paalde producten doorgevoerd, dan moeten de boeren die nog buiten de coöperatie bleven, zich tenslotte aansluiten.

“De normalisatie voert tot gemeenschappelijke behandeling van gelijksoortige grote hoeveelheden product. Zij veronderstelt daarom de aaneensluiting van een groot aantal producenten, die hetzelfde product vervaardigen en ze levert tegelijk hun economische grondslag. Ze voert er dus toe, de afzonderlijke boer uit zijn isolement te bevrijden en hem tot een deel van een groter geheel te maken, […] daarmee slaat de normalisatie de brug tot de aaneensluiting van de bedrijven tot eensgezind handelen en daarmee tot de gedachte van coöperatief werken.”
(“Bankierstag”, blz. 231).

Het is dan ook niet te verwonderen, dat juist de landen, die tot normalisatie van pro­ducten overgingen, een krachtig coöperatief leven hebben. Zo zijn in Denemarken 85% van de melk- en slachtveeboeren coöperatief verbonden. De melk van 86% van de Deense melkkoeien wordt in coöperatieve fabrieken verwerkt. Verder hebben de coöperaties daar bijna 100% van de varkensuitvoer en 25% van de producten van de kippenteelt in handen. Finland verwerkt 92% van de boter en 70% van de kaas coöpe­ratief. Estland 84% van de boter en 84% van de kaas. Australië 91% van de boter en 91% van de kaas. Nieuw-Zeeland 80% van de boter en 80% van de kaas. In Amerika werd in 1925 ⅙ van de totale agrarische productie langs coöperatieve weg verkocht. Voor 1928 werd het echter reeds op ¼ geschat. Hoe snel de coöperatieve beweging in het land van de normalisatie nog steeds groeit, moge blijken uit de volgende getallen:

19133099 verkoopcoöperaties met een omzet van 310.000.000 dollar.
19155424 coöperaties met een omzet van 635.000.000 dollar.
192510.803 coöperaties met totaal 2.700.000 leden. Omzet 2.400.000.000 dollar. Hierbij waren slechts 1.217 inkoopcoöperaties met totaal 247.000 leden en een omzet van 135.000.000 dollar.

We staan dus voor het wereldverschijnsel, dat het coöperatief zaken doen steeds meer om zich heen grijpt. Mogen de boeren nu ook al eigen kredietbanken hebben opgericht, de ontzaglijke bedragen, die nu bij de coöperatieve handel betrokken zijn, kunnen onmogelijk door deze gefourneerd worden, zodat ze voor miljoenen krediet bij de particuliere banken moeten opnemen. De coöperaties komen daarmee onder de invloed van het bankkapitaal, dat nu de hele agricultuur in zijn werkingssfeer gaat betrekken. Het bankkapitaal gaat nu werkelijk “politiek maken” voor het gehele economische leven, ze neemt nu dus behalve de industrie ook de agricultuur onder haar controle. Welke controlerende rol ze daarbij nu reeds speelt, is ons niet bekend. Voor de boer is in ieder geval dit zeker, dat hij de uitbuiting van het handelskapitaal ontlopende, nu in de ban raakt van het nog veel machtiger bankkapitaal. Hij heeft zich een parasiet van de hals geschoven, maar kreeg er een andere voor in de plaats.


V. De betekenis van het toenemen van het kleinbedrijf in Oost-Europa

Zoals we reeds opmerkten. komt de geweldige toename van het kleinbedrijf in de landbouw voor het grootste deel op rekening van Oost-Europa. Rusland, Estland, Letland, Litouwen, Polen, Griekenland, Bulgarije, Joegoslavië en Tsjecho-Slowakije gingen ertoe over het grootgrondbezit stuk te slaan en het onder de boeren te verdelen. Ongetwijfeld ontstaat hierdoor allereerst “een troosteloze inzinking” in de land­bouw, doordat hiermee tegelijk het bestaande productieapparaat, hoe gebrekkig het ook mocht functioneren, wordt stuk geslagen en de nieuwe bezitters, de kleine en middelboeren noch over de nodige middelen, noch over de noodzakelijke onderlinge samenhang beschikken, die nodig zijn, om de productiviteit op het oude peil te handhaven. Volgens de scholastische beschouwingswijze van Rutgers zet hiermee een regressief proces in, volgens de lessen van de West-Europese werkelijkheid worden hiermee de grondslagen gelegd voor een nieuwe progressieve cyclus.

In de geweldige gebieden, waar het hier om gaat, werken de boeren veelal nog vol­gens methoden, zoals die in West-Europa voor 1000 jaar in gebruik waren. Van de toepassing van de landbouwwetenschappen en moderne werktuigen is dan ook geen sprake, wat zijn uitdrukking vindt in het feit, dat de primitieve Hollandse boer bijvoorbeeld vier maal zoveel van een hectare land haalt als de Griekse, Bulgaarse, Roemeense of Russische. De boeren leven daar nog bijna volkomen in gesloten huisbedrijf. Wat ze voor hun levensonderhoud nodig hebben, vervaardigen ze zelf. Bij het boerenbedrijf behoort daar nog, dat ze hun eigen bakker, slager, kleermaker, timmerman, olie­fabrikant enz. zijn. Over geld beschikken ze nauwelijks, zodat ze zelfs veelal de pacht, die ze aan de grootgrondbezitters moesten opbrengen, in natura voldeden. Deze boeren zijn dus nog niet in de maatschappelijke arbeid getrokken. Ze werken nog niet in de eerste plaats voor de markt, maar voor hun familiekring. Alleen wat overblijft, na in de eigen behoeften voorzien te hebben, komt op de markt, waarna ze met het verkregen geld enige industrieproducten kunnen kopen, zij het gereedschappen of anderszins.

Het spreekt vanzelf, dat dit gesloten huisbedrijf niet overal even gaaf bewaard geble­ven is. Door de kapitalistische ontwikkeling in West-Europa werden voortdurend de fundamenten ondergraven, doordat de industriële “waren”-productie steeds goederen trachtte in te voeren, die in dat gesloten huisbedrijf werden vervaardigd. Zo doorbreken de agrarische landen, die het dichtst bij de industriële centra liggen het gesloten huisbedrijf het eerste (bijv. Estland, Letland, Finland, alsmede Tsjecho-Slowakije en Hongarije), terwijl Rusland, Bulgarije, Roemenië het het langst en volkomenst bewaren.

Voor Rusland deelt Rutgers ons mede, dat deze toestand in grote gebieden nog niet overwonnen is. Als hij over de prijzenpolitiek van de Russische regeerders spreekt, vertelt hij, dat de industrieproducten boven de kostprijs verkocht worden, zodat er een indirecte belasting op ligt. Het spreekt vanzelf, dat dit remmend moet werken op de ontwikkeling van de landbouw, omdat de prijs van de landbouwwerktuigen, metaalwaren, textielproducten daarmee stijgt. Rutgers meent echter, dat “de arme boeren er al heel weinig door getroffen worden”, omdat deze “zeer weinig industrieproducten kopen”.

“In sommige streken bestaat voor de kleine bedrijven nog vrijwel voorziening in eigen behoeften, ook op het gebied van kleding en eenvoudige werktuigen zodat de hogere industrieprijzen daar een zeer ondergeschikte rol spelen.”
(Rutgers, blz. 80).

In gewoon Hollands overgebracht betekent dat, dat deze boeren nog verstoken zijn van de vruchten van de maatschappelijke arbeid, dat de resultaten van een paar honderd jaar technische ontwikkeling voor hen niet bestaan. We menen, dat juist deze boeren, door de indirecte belastingen getroffen worden, doordat de mogelijkheid in de kring van deze maatschappelijke arbeid getrokken te worden, daarmee wordt versperd, of in ieder geval zeer wordt bemoeilijkt.

Hiermee is, menen we, voldoende het typische verschil tussen de landbouw in Oost- en West-Europa aangegeven. Bij ons een gespecialiseerd landbouwbedrijf, dat alleen werken kan met behulp van de moderne industrie en techniek, waar het bezit van een stuk grond voldoende is, om het bedrijf van “boer” uit te oefenen. Behalve grond is nog een aanzienlijk bedrag aan geld nodig voor de aankoop van kunstmest en zaaigoed, alsmede geld voor het coöperatief gebruik van moderne werktuigen. In West-Europa is daarom de primitieve leuze van “Het land aan de boer!” volkomen zinloos. Als de “boer” hier alleen grond heeft, heeft hij nog niets. In Oost-Europa kon deze leuze echter zulke psychische krachten ontketenen, omdat de landbouw nog zo primitief beoefend wordt. Heeft de boer daar een stuk grond, dan is dat praktisch voldoende, om zijn bedrijf te beoefenen. Het boerenvraagstuk werd daar dus voorlopig zeer eenvoudig opgelost, waarbij de Russische boeren dit het radicaalste deden: “De boeren verdeelden de grond en namen de productiemiddelen weg, waarbij niet de armste, maar de best-gesitueerde boeren het grootste deel kregen.” (Varga: “Wirt­schaftspolitische Probleme der proletarischen Diktatur” (7), blz. 103). Zeer zeker hadden de armste boeren een groter stuk kunnen nemen, maar dat had voor hen geen zin, omdat ze toch geen groter stuk konden bewerken. De beter gesitueerden, die voor de bewerking van de grond loonarbeiders in dienst konden nemen, hadden echter wel wat aan zo’n groot stuk; ze konden het ook in exploitatie brengen. Zo verliep de agrarische revolutie in Rusland dus in ieder opzicht “natuurlijk”.

Bij de beoordeling van de waarschijnlijk langzaam komende ontwikkeling van de land­bouw in Oost-Europa (in Rusland zal ze sneller verlopen), kunnen we niet uitgaan van de Marxistische scholastiek; die de grootte der landerijen, de groei van het aantal tractors en de vermeerdering van het landbouwproletariaat in het middelpunt van de beschouwingen trekt. Amerika, Australië en West-Europa hebben bewezen, dat de kapitalistische ontwikkeling in de landbouw over de coöperatieve samenvatting van het gehele boerenbedrijf loopt. Bij de bestudering van het landbouwvraagstuk staat daarom de coöperatie van de boeren in het middelpunt van de belangstelling. Verder moet de aandacht vallen op de opbrengst per hectare, alsook op het verbruik van kunstmest, omdat dit een van de vormen is, waarin de accumulatie in de landbouw zich voltrekt, en verder op de specialisatie en de normalisatie.

Hoe staat het nu met al deze zaken in Oost-Europa? Is met de toename van het klein­bedrijf ook een “inzinking” ingetreden? Is er een achteruitgang van de technische hulpmiddelen te constateren? Gezien de algemene economische ontreddering zijn onze verwachtingen niet al te hoog gespannen.

Bodemopbrengst in 100 kilogram per hectare
(volgens de Statistiek van het Int. Landbouw Instituut)
 tarweroggeaardappelenbeetwortelen
Rusland1901/19056,97,465,9147,5
 1909/19136,97,569,1161,1
 1923/19267,27,585,2122,1
Finland1909/191311,210,262,–115,–
 1923/192614,810,598,2110,8
Estland1909/19139,2 †11,0104,6 
 1923/19269,6 ‡10,9105,5 
Letland1909/191311,89,380,3 
 1923/192610,28,995,4 
Litouwen1909/191310,49,–66,8 
 1923/192610,69,7104,6 
Polen1909/191312,411,2103,1245,1
 1923/192611,911,2115,1200,3
Griekenland1909/19139,810,542,9 
 1923/19266,–7,–? 
Bulgarije1901/190511,411,141,6143,1
 1909/19136,–7,837,6128,6
 1923/19269,18,741,–151,2
Joegoslavië1909/191310,58,240,9208,3
 1923/192610,98,649,5170,7
Tsjecho-Slowakije192215,515,3118,6250,8
 1923/192615,615,–100,1271,7
† betekent: gemiddelde over 1922/1923
‡ betekent: gemiddelde over 1924/1926

Opmerkingen bij voorgaande tabel: Vooreerst moeten we er weer de aandacht op vestigen, dat de cijfers voor 1901/1905 weinig vergelijkende waarde hebben, doordat ze over de oude gebieden berekend zijn. De cijfers voor Tsjecho-Slowakije zijn ook niet voor vergelijking vatbaar, doordat alleen de opbrengst over één jaar ter beschikking staat en niet het gemiddelde van een paar jaar.

Rusland heeft voor tarwe en rogge reeds de “vredesopbrengst” bereikt, het komt er voor aardappelen aanzienlijk overheen, terwijl de opbrengst aan beetwortelen nog sterk achter is. Over het algemeen valt dus te zeggen, dat de verdeling van het grootgrondbezit niet remmend heeft gewerkt op de opbrengst per hectare.

Finland vertoont voor tarwe ongeveer 30% stijging en voor aardappelen ongeveer 55%, terwijl beetwortelen sterk terug lopen.

Estland beweegt zich om het vooroorlogse peil met de tendens tot stijging.

Litouwen beweegt zich over de hele linie in voorwaartse richting, in het bijzonder in de aardappelcultuur.

Polen beweegt zich om het gemiddelde van voor de oorlog. Aardappelcultuur is krachtig verbeterd. Suikerbieten liepen achteruit.

Griekenland een hopeloze ineenstorting.

Bulgarije beleefde onder het grootgrondbezit vanaf 1900-1914 een catastrofale in­eenstorting. Na de oorlog treedt een ongekende verbetering in. De tarweopbrengst verbetert met 50%, rogge met 14%, terwijl ook aardappelen en beetwortelen krach­tig vooruitgaan.

Joegoslavië verbetert de opbrengst van tarwe, rogge en aardappelen, maar loopt voor beetwortelen terug.

Het totaalbeeld is dus lang niet zo troosteloos, als wel te verwachten was. De meeste landen hebben de opbrengst per hectare alweer op het vooroorlogse peil, zelfs is ze er soms reeds aanzienlijk overheen. Afgezien van Griekenland, mogen we wel zeggen, dat de verdeling van het grootgrondbezit in Oost-Europa niet tot een daling van de opbrengst per hectare heeft gevoerd.

Laat ons nu zien, hoe het staat met de achteruitgang van de technische hulpmiddelen.

Achteruitgang van de technische hulpmiddelen?

In onze beschouwingswijze hebben we de kunstmest opgevat als een technisch hulp­middel van de landbouw, zodat we het vraagstuk enigszins benaderen, als we het verloop van het kunstmestverbruik voor de betrokken landen nagaan. Voor verschil­lende landen, die we nu beschouwen beschikken we echter niet over getallen betref­fende het stikstof- en kaliverbruik, zodat we ons moeten beperken tot die van super­fosfaat. Voor het doel, dat we voor ogen hebben, is dat ook voldoende, want we wil­len alleen maar nagaan, of er een achteruitgang van de technische hulpmiddelen is. Is deze inderdaad aanwezig, dan moet het verbruik in dalende lijn verlopen, vertoont het een stijgende lijn, dan betekent dit een toenemen van de technische hulpmidde­len.

Verbruik van kunstmest in 1000 kilogram
 PolenTsjecho-
Slowakije
EstlandLetlandLitouwenGriekenland
19199.500     
192036.000     
192199.000139.500    
1922150.000105.920    
1923334.000168.23014.10619.798  
1924369.623188.19014.63928.10628.25047.370
1925594.287215.36024.56053.51251.71567.510
1926 230.00018.777?61.40149.840
1927 250.00023.37868.044 59.477

Polen. De landen die het tegenwoordige Polen omvat, verbruikten voor de oorlog reeds 1½ miljoen ton kunstmest. Dit liep praktisch tot nul terug. Na enige stabilisatie in de verhoudingen nam het verbruik echter weer regelmatig en snel toe. Toch was het in 1925 nog pas gekomen tot 40% van het vooroorlogse verbruik. De verbruikscijfers vertonen echter een onafgebroken stijging, zodat de achterstand spoedig ingehaald schijnt. De gegeven getallen omvatten het totaal aan kunstmest, en wel aan kali, fosfaten en stikstof. Polen beschikt zelf over 15 superfosfaatfabrieken, die een regelmatige propaganda voor het kunstmestverbruik voeren.

Tsjecho-Slowakije heeft eveneens een eigen kunstmestindustrie. De stijging van het verbruik aan superfosfaat loopt parallel met de uitbreiding van de suikerbietencultuur, waaruit afgeleid kan worden, dat het verbruik aan kunstmest in de andere bran­ches niet of nauwelijks toenam.

Estland is voor kunstmest uitsluitend op invoer aangewezen. De gegeven getallen betrekken zich alleen op superfosfaat. Van 1923 tot 1927 nam het verbruik met ruim 65% toe.

Letland. De getallen betreffen alleen het verbruik aan superfosfaat. In het verloop van 4 jaren constateren we een verbruikstoename van 243%, wat op een herstel van de intensiteit van de landbouw wijst. Voor 1926 is geen verbruik opgegeven, doordat in dat jaar een “eigen” superfosfaatindustrie geopend werd. Hoeveel in dat jaar uit de nationale industrie door de landbouw werd opgenomen, is ons niet bekend.

Litouwen is uitsluitend op invoer van kunstmest aangewezen. De getallen betreffen weer alleen superfosfaat. Van 1924 tot 1926 een toename van 117%.

Griekenland heeft een “nationale” kunstmestindustrie, welke bijna uitsluitend ge­mengde meststoffen in de handel brengt. De getallen geven dan ook het verbruik aan gemengde meststoffen. De teruggang in het verbruik na 1925 ontstond, doordat 1 januari 1926 hoge invoerrechten op superfosfaat betaald moesten worden, om de staatsindustrie te beschermen.

Bulgarije werkt veelal nog volgens het twee of drie veldensysteem. Kunstmest was en is nagenoeg onbekend. Toch begint het verbruik ook hier. In 1926 werd aan alle soorten kunstmest tezamen 425 ton ingevoerd.

Rusland. Hoewel kunstmest voor 1905 in Rusland nagenoeg onbekend was, was het verbruik alleen aan fosfaten in 1914 reeds tot 600.000 ton gestegen. De nationale industrie leverde daarvan 158.300 ton. Bij de revolutie verloor het oude Tsarenrijk echter juist die gebieden, waar de kunstmestfabrieken gevestigd waren, zodat Sovjet-Rusland van voren af aan beginnen moest. In koortsachtige haast wordt daaraan nu gewerkt. Van een invoeren van superfosfaat kan geen sprake zijn, omdat Rusland zich met de hoogste tolmuur tegen dit product heeft beschermd. Of de oorzaak daar­van gezocht moet worden in de omstandigheid, dat een invoer op grote schaal de be­talingsbalans te veel zou belasten, of dat de eigen industrie veel duurder werkt, kunnen we niet beoordelen.

Aangezien het verbruik aan kunstmest in Oost-Europa regelmatig stijgt, stellen we vast dat er een vooruitgang van de technische hulpmiddelen is. De keten, die de land­bouw aan de maatschappelijke arbeid smeedt, wordt hechter. Ook hier is de land­bouw op de weg naar de industriële productie.

Het blijft echter nog een open vraag, in hoeverre de kleine boeren in dit proces ge­trokken zijn. Uit het feit, dat Estland, Letland en Finland reeds hun normalisatiewetten hebben en Hongarije ze voorbereidt, en tevens uit het feit, dat deze landen krachtige boerencoöperaties hebben, valt af te leiden, dat ook zij reeds binnen de kring van de industriële productie geraakt zijn, dat ze op de weg naar de specialisatie zijn. Het alom doorzetten van dit proces is dus een kwestie van tijd.

Rutgers vestigt in zijn boekje “Het Boerenvraagstuk” er de aandacht op dat het grootgrondbezit in zulke kleine stukken verdeeld is dat de kleine boer bij de extensie­ve landbouw, zoals die in Oost-Europa gebruikelijk is, onmogelijk van zijn grond bestaan kan, zodat hij op de grote landgoederen in loondienst moet gaan. Deze categorie van werkers kennen we in West-Europa ook: we noemen ze hier landarbeiders met een stukje grond. Uit deze toestand leidt Rutgers nu af, dat de technische ont­wikkeling van de landbouw niet vooruit komen kan door de armoede van de kleine boeren. We denken echter, dat enige voorzichtigheid bij het beoordelen wel op zijn plaats is.

Bij onze bespreking van de opbrengst per hectare in West-Europa hebben we gezien, dat de nood van de boeren zich naar twee richtingen uitwerkt, één die de technische ontwikkeling remt en één die juist tot het stijgen van de productiviteit voert. Rutgers zal toch wel niet helemaal een vreemde in Holland zijn, zodat hij kan weten, dat ook hier een opschuiving tot stand gekomen is van landarbeiders met een stukje grond naar het uitoefenen van het boerenbedrijf als “hoofdberoep”. De nood brengt de boe­ren tot coöperatie en specialisatie: tot rationalisatie van het bedrijf. Alleen als de nood zo ontzettend is, dat iedere accumulatie onmogelijk geworden is, kan ook het proces der specialisatie niet voortschrijden. Maar zo is de toestand in Oost-Europa niet! Gezien de enorme achterstand in bodemopbrengst per hectare is duidelijk, dat er niet zo heel veel nodig is, om deze met 30-40% te doen stijgen, wat de boeren een aanmerkelijke ruimte voor accumulatie geeft. Een typisch voorbeeld daarvan levert Italië, waar de boeren tot een “Battaglia del grano”, een tarweveldtocht besloten. De opbrengst voor rogge, tarwe en mais steeg met ongeveer 20% boven het vooroorlogse peil en voor haver en gerst met 30-40%. In landen met een veel lager niveau dan Italië wordt een dergelijke stijging nog gemakkelijker bereikt. In dit verband herinneren we aan Bulgarije, waar de bodemopbrengst sinds 1914 met 14-50% toenam, zonder dat kunstmest in gebruik genomen werd. Ook Polen schijnt nog ruimte te la­ten voor de eigen accumulatie van de boeren, wat we afleiden uit het feit, dat het ka­toenverbruik per hoofd van de bevolking van 2 kilogram in 1924 tot 3,3 kilogram in 1927 is gestegen.

In de Rutgerse beschouwingswijze van het verdelen van het grootgrondbezit is deze verandering in de bezitsverhoudingen vrijwel zinloos. Dit lijkt ons voor een beweging, die onder de drang van de boeren tot stand kwam en zich van de Noordelijke IJszee tot de Middellandse Zee en de Aziatische grens uitstrekt, niet houdbaar. Er is dan ook reeds een krachtige tendens aanwezig, die aangeeft, dat bij de nieuwe bezitsverhou­dingen meer uit de bodem gehaald kan worden, dan bij de oude, al zijn het dan ook niet in de eerste plaats de boeren, die daarvan de vruchten plukken.

Terwijl de landbouw in West-Europa tot de industriële productie is overgegaan en or­ganisatorisch een eenheid geworden is, staat de Duitse landbouw reeds onmiddellijk voor zijn ineenstorting, doordat ongeveer de helft van de oogst in verschillende vor­men aan het bank- en hypotheekkapitaal toevalt. De laatste paar jaren is iedere eigen accumulatie door de boeren onmogelijk geworden. Brengen de Duitse boeren nog de kracht op hun bedrijven te rationaliseren over de weg van de normalisatie van het product, dan kunnen ze weer enige tijd “aan hun verplichtingen voldoen”. Blijkt dit niet mogelijk, dan stort met de landbouw het Duitse Rijk ineen: de sociale revolutie staat voor de deur! De oplossing kan dan alleen komen door zich van het bank- en hypotheekkapitaal te bevrijden, dat is door de fundamenten van de kapitalistische samenleving te doen springen.

Anders in Oost-Europa. De boeren behoefden zich niet van het bank- en hypotheekkapitaal te bevrijden, ze behoefden niet het kapitalisme te verslaan, maar alleen het parasitaire grondkapitaal, dat hen belemmerde in de opvoering van de productiviteit, hen belemmerde bij het betreden van de “waren”-markt. Zij behoefden daarom alleen het grondkapitaal aan te tasten, om ruim baan te krijgen voor de eigen kapitalistische ontwikkeling, die we in West-Europa al achter de rug hebben.


VI. De boerencoöperaties in Rusland; de N.E.P.

Mogen de boeren in Oost-Europa ook over de hele linie op de weg van de coöperatie gedreven worden, dit proces zal zich in Rusland het snelst voltrekken. Dit land ver­keert in de “bijzondere” omstandigheid, dat de belangen van het industriekapitaal (voor 95% geconcentreerd in de staat) voorlopig evenwijdig lopen met de belangen van de boeren. De Russische industrie verkeert in de grote moeilijkheid, dat ze voor een groot deel is aangewezen op de invoer van allerlei grondstoffen, machines en werktuigen uit het buitenland, die ze in de tegenwoordige omstandigheden echter onmogelijk kan betalen. Kon ze zelf industrieproducten naar het buitenland uitvoeren, dan zou ze bijvoorbeeld voor een gelijk bedrag aan verschillende benodigdheden weer kunnen invoeren. De Russische industrie kan echter met geen mogelijkheid als concurrent op de wereldmarkt optreden, doordat haar prijzen veel te hoog zijn. Wel denkt men, dat, “als alles goed gaat”, de kostprijzen in het jaar 1932 door rationalisatie van de productie 16,5% gedaald zijn, vergeleken bij 1927, maar ze liggen dan toch nog altijd 10% boven de wereldmarktprijs.

Toch moet Rusland hoe dan ook aan middelen zien te komen, om de buitenlandse producten te kunnen betrekken. Een grote buitenlandse lening op lange termijn zou hier reeds uitkomst brengen, maar het internationale kapitaal wil daarop vooralsnog nog niet ingaan. Of dit nu zijn grond vindt in politieke overwegingen, of dat de bour­geoisie de buitenlandse handel van een achterlijk agrarisch land, dat volkomen aangewezen is op het al of niet lukken van de oogst onvoldoende waarborg acht voor de aflossing en de rentebetalingen, interesseert ons nu niet. Een feit is, dat een grote buitenlandse lening tot nu toe uitbleef.

Onder deze omstandigheden is Rusland uitsluitend aangewezen op het vergroten van de uitvoer van eigen producten.

In 1926 had de uitvoer aan industrieproducten zich ontwikkeld tot een bedrag van 258 miljoen Roebel, wat men door een grote uitbouw van de aardolieindustrie in 1932 op 636 miljoen gebracht hoopt te hebben.

Een andere bron, die vorderingen in het buitenland moet doen ontstaan, is de graan­export. In 1932 rekent men erop deze met 380 miljoen opgevoerd te hebben, waar­toe echter de hele agrarische productie met 63% moet stijgen. Verloopt dit alles vol­gens het “plan”, dan is de totale uitvoer, die in 1926 750 miljoen Roebel bedroeg, weer op het peil van 1913 gekomen, namelijk op 1500 miljoen Roebel.

De “bijzondere” toestand, waarin de Russische landbouw en industrie verkeren, ligt dus hierin, dat beide tezamen zich in wederkerige vervlechting moeten ontwikkelen. De landbouw kan alleen intensief worden door de industrie, de industrie kan het al­leen door de grotere productiviteit van de landbouw, een toestand, zoals in geen an­der land ter wereld bestaat. Zo zien we dan ook het verschijnsel, dat het industriekapitaal (hier de staat) de ontwikkeling van de landbouw bevordert.

De belangrijkste hulp, die de staat geven kan, is het steeds opnieuw aan de boeren toeroepen: “Doe het zelf en vormt coöperaties!” waarbij dan de drijvende kracht is: het “Verrijkt u!” (Deze leus werd door Boecharin bij het invoeren van de n.e.p. aangeheven).

De boeren hebben de leuze verstaan, zodat we een krachtige groei van het coöpera­tiewezen kunnen waarnemen. De Russische agrarische ontwikkeling beweegt zich daarmee op volkomen dezelfde banen, die we in West-Europa sinds een dertigtal jaren kennen en die op het ogenblik over de hele aarde worden ingeslagen. Van de 21.400.000 boerenbedrijven in Rusland waren er in 1927 reeds 36% verbonden. In 1924 beheersten de coöperaties 1,7% der landbouwproducten, in 1925 reeds 21,5% en in 1927 was dit tot 25% toegenomen. Gerekend over de afzonderlijke producten beheersten ze van het graan 27%, vlas 44%, katoen 84% en boter 92%. (Cijfers van Rutgers).

Ook is het tekenend, dat het aantal tractoren van 1924 tot 1928, dus in 4 jaren, van 9000 tot 32.000 steeg, wat een vermeerdering is van 255%. Het aan landbouw­werktuigen uitgegeven bedrag steeg van 62 miljoen Roebel in 1924 tot 149 miljoen in 1927. Dat is in drie jaar een stijging van 140%. Weliswaar betekenen deze getallen voor een reuzenrijk als Sovjet-Rusland niet veel, maar het komt niet in de eerste plaats op de absolute grootte dan wel op de groei aan.

De functies van de Russische coöperaties zijn geen andere dan die van hun zusteror­ganisaties in de rest van de wereld, wat vanzelfsprekend is, omdat het boerenbedrijf “particulier” bedrijf is, dat als overal voor de winst werkt. Ook hier vormen de coöperaties inkoop- en verkooporganisaties, om zich een zo stevig mogelijke positie op de binnenlandse markt te verzekeren en om de strijd tegen de centrale Sovjet-Regering te kunnen voeren. Verder vormen ze ook coöperatieve kredietbanken, omdat de klei­ne en middelboeren alleen langs deze weg kredieten kunnen krijgen, terwijl ze tevens organisaties stichten tot coöperatief verbruik van landbouwwerktuigen.

In de strijd tegen de Sovjet-Regering zijn de boeren reeds meermalen met succes op­getreden. Wisten ze in 1921 de vrije handel op de binnenlandse markt te veroveren, in 1928 brachten ze de regering een gevoelige nederlaag toe, doordat de boeren weigerden, tegen de door de regering vastgestelde prijzen te verkopen en ze ten slotte een hogere prijs wisten af te dwingen. De graanexport werd daardoor voor de regering een financieel fiasco, waardoor de staatsindustrie in ernstige moeilijkheden kwam en het “opbouwprogram” volkomen faalde. De staat ziet zich daarom genood­zaakt tegen de individualistische boeren stelling te nemen. De regeerders vrezen een boerenmonopolie voor graan, en daarom is begonnen met de bouw van “staatsgraan­fabrieken” om dit monopolie te breken.

De staatsgraanfabrieken vormen een “socialistische sector” in de individualistische landbouw. Ze omvatten nu nog slechts 2% van de bebouwde oppervlakte, doch zullen “als alles goed gaat” in 1933 reeds 17,5% beslaan, terwijl ze dan 15,5% van de totale productie zullen opbrengen. De “privaatkapitalistische sector” zal dan nog “slechts” 73,2% van het product beheersen, terwijl ruim 11% op rekening komt van de “collectieve bedrijven”, of wat we in Holland “productieve associaties” zouden noemen.

De Russische regeerders rekenen deze productieve associaties als een deel van de communistische productie. Inderdaad is het zowel een kenmerk van de associaties als van de staatsproductie, dat beide op de winst gebaseerd zijn, welk kenmerk ze trou­wens met de hele kapitalistische productie in de rest van de wereld gemeenschappelijk hebben. Het verschil tussen de staatsbedrijven en de associaties ligt echter in de beschikking over de gemaakte winsten.

In het staatsbedrijf vallen ze de leiders van de staat toe, die vaststellen, hoe ze be­steed zullen worden. Bij de associaties komt de winst aan de individuele leden, die er mee handelen, zoals zij dat het beste achten. Ook voor hen geldt het “Verrijkt u!” van Boecharin. De associaties zijn dus niet anders dan een bepaalde vorm van kapitalistische coöperaties, zoals we die in de hele wereld kennen. Ze vallen daarom ook niet binnen het raam van de “planmatige” staatsproductie. Wij denken dan ook dat de “pri­vaatkapitalistische sector” niet op 73,2% gesteld moet worden, maar op 73,2+11=84,2%. Welteverstaan, als de plannen betreffend de staatsgraanfabrie­ken, die voorlopig alleen nog op papier bestaan, ten uitvoer zijn gebracht.

Zoals we gezien hebben, komt het er voor de Russische regeerders vooral op aan, dat Rusland zo spoedig mogelijk weer als graan exporterend land op de wereldmarkt verschijnt, waarom men de productiecapaciteit in de landbouw in 1932 met 63% ver­hoogd hoopt te hebben vergeleken bij 1926. Deze opvoering van de productie denkt men te bereiken door vergroting van de bezaaide oppervlakte en door de landbouw intensiever te bedrijven. Voor vergroting van de bezaaide oppervlakte zijn nieuwe landontginningen noodzakelijk, terwijl het opvoeren van de productiviteit langs ver­schillende wegen geschiedt.

Behalve de morele steun bij de vorming van de coöperaties, worden daarom belang­rijke sommen aan landontginning besteed en worden aanzienlijke kredieten voor de boeren beschikbaar gesteld. Deze laatste moeten later natuurlijk met rente terug be­taald worden, want winst is de grondslag van de gehele Russische productie. In het tijdperk van 1927-1932 denkt de Sovjet-Regering beschikbaar te stellen: voor landverbetering, ontginning en irrigatie 1 miljard Roebel, voor aankoop van vee en machines 290 miljoen, voor landbouwkundige verbetering en proefstations 211 miljoen, voor coöperatie en industrialisatie 251 miljoen. (De cijfers zijn ontleend aan Rutgers.).

Dat zijn ongetwijfeld aanzienlijke bedragen, die deels uit directe, grotendeels uit de voor niemand ontkoombare indirecte belastingen, deels uit de bedrijfswinsten en voor een ander deel uit de rentebetalingen van het staatskredietkapitaal verkregen worden, terwijl het monopolie van de buitenlandse handel ook nog een zekere of lie­ver een zeer onzekere bron van inkomsten is. Wat langs deze verschillende wegen aan de miljoenenbevolking van het Sovjet-Rijk onttrokken wordt, wordt zo aange­wend, dat het Boecharinse “Verrijkt u!” voor de bezitters van de 21.400.000 boeren­bedrijven, die Rusland in 1927 telde, in vervulling kan gaan.

Men vraagt zich echter tevergeefs af, wat dit alles met communisme te maken heeft. De gehele Russische economie staat op de grondslag van de kapitalistische “waren”-productie, terwijl er van productie naar de behoeften geen sprake is. De Russische revolutie heeft Rusland een ontzaglijke sprong vooruit gebracht, doordat het de oude belemmeringen, die de ontwikkeling van het kapitalisme in de weg stonden, die verhinderden dat de landbouw bij de maatschappelijke arbeid ingeschakeld werd, vernie­tigde. Door deze revolutie werden dus de grondslagen gelegd voor de ontwikkeling van de burgerlijke maatschappij. De voorwaarden voor een werkelijke proletarische revolutie worden er nu pas voorbereid.

Niemand minder dan Lenin getuigt dat volkomen duidelijk. In de “Verzamelde Wer­ken” van Lenin, 1e deel van Band XI, blz. 78-79 (uitgave Moskou) (8), verklaart hij:

“De overwinning van de burgerlijke revolutie [in Rusland – p.i.c.] is onmogelijk als overwinning van de bourgeoisie. Het overheersen van de boerenbevolking, haar vreselijke onderdrukking door het half-feodale grondbezit, de kracht van het bewustzijn van het reeds in een socialistische partij georganiseerd proletariaat, al deze omstandigheden verlenen onze burgerlijke revolutie een bijzonder karakter. Deze bijzonderheid heft niet het burgerlijke karakter van de revolutie op. Deze bijzonderheid bepaalt slechts het contrarevolutionaire karakter van onze bourgeoisie en de noodzakelijkheid van de dictatuur van het proletariaat en van de boeren voor de overwinning van zulk een revolutie”.
(Cursief van ons – p.i.c.).

Lenin wist dus zeer goed dat “de dictatuur van het proletariaat en van de boeren noodzakelijk [was] voor de overwinning van zulk een [burgerlijke] revolutie”! Hij rekende er echter mee, dat de Duitse arbeidersklasse bij de ineenstorting van het Duitse Rijk zijn proletarische revolutie zou maken, waarmee de opbouw van het communisme wezenlijk nader gebracht was. Want:

“De volle overwinning van de socialistische revolutie is in één land ondenkbaar. Ze verlangt de innigste samenwerking van tenminste enige ontwikkelde landen, waartoe we Rusland niet kunnen rekenen.”
(Lenin op het X. congres van de c.p.r. Zie “Inprekorr” (9), 6e jaargang, no. 139, blz. 1426 (10)).

Rusland bleef echter alleen staan. Ze kon daardoor alleen de burgerlijke revolutie doorvoeren, d.w.z. ze kon alleen de weg vrij maken voor de ontwikkeling van het “waren”-kapitalisme in Rusland.

“De arbeidersklasse heeft in 1917 de macht in handen genomen. Maar ze kon er niet aan denken, bijvoorbeeld het kleinburgerlijke bedrijf en in het bijzonder het boerenbedrijf te socialiseren. En in 1921 bleek het, dat de Russische economie nog hardnekkiger is en dat de macht van de proletarische staatsmachine niet verder reikt dan dat ze de grootindustrie en deze zelfs niet geheel, gesocialiseerd houdt.”
(Boecharin, “Theorie des historischen Materialismus”, blz. 310) (11).

Het doorvoeren van het communisme was onmogelijk door de achterlijkheid van de landbouw. Wat de Bolsjewiki krachtens hun beginsel moesten doen, de vernietiging van het loonstelsel, de opheffing van de kapitalistische warenproductie, konden ze niet. Wat ze doen moesten krachtens de economische structuur van het land druiste tegen hun beginselen in. Kortom: de Bolsjewiki waren in een toestand gekomen, die Engels in z’n “Duitse Boerenoorlog” zo treffend aldus schildert:

Het ergste wat de leider van een extremistische partij overkomen kan, als hij gedwongen wordt de regering over te nemen in een tijdperk, waarin de beweging nog niet rijp is voor de heerschappij van de klasse, die hij vertegenwoordigt […] Wat hij doen kan, hangt niet van zijn wil af […] Wat hij doen moest […] hangt weer niet van hem af, […] Hij bevindt zich dus noodzakelijkerwijs in een onoplosbaar dilemma: wat hij kan doen, is in tegenspraak met zijn gehele verleden, zijn principes […] en wat hij doen moest, is niet door te voeren. In één woord: hij is gedwongen niet zijn partij en zijn klasse te vertegenwoordigen, maar de klasse, voor wier heerschappij de beweging juist rijp is. Hij moet in het belang van de beweging zelf de belangen van een klasse, die hem vreemd is, doorvoeren en zijn eigen klasse met frases en beloften in het riet sturen, met de verzekering, dat de belangen van die vreemde klasse zijn eigen belangen zijn. Wie in deze scheve positie komt, is reddeloos verloren.” (12).

Met bovenmenselijke inspanning trachtten de Bolsjewiki gedurende de eerste drie jaar van hun heerschappij aan dit noodlot te ontkomen. Met de militaire macht werd tegen de boeren ingegrepen, met als enige gevolg, dat de boeren niet meer land gingen bebouwen, dan nodig was om in hun armzalige behoeften te voorzien. De boeren eisten de vrije handel, omdat ze winst wilden maken, omdat ze als kapitalistische “waren”-producenten wensten op te treden. In 1921 zetten ze zich door (de n.e.p.) en daar­mee waren de grondslagen voor de nieuwe kapitalistische ontwikkeling in Rusland gelegd, wat Lenin op het X. congres van de c.p.r. aldus formuleerde:

“We weten allen, als we slechts het abc van het Marxisme kennen, dat uit deze omstelling [naar de n.e.p. – p.i.c.] en de vrije handel onherroepelijk de splitsing van de warenproducenten in bezitters van kapitaal en bezitters van arbeidskracht voort­komt, de splitsing in kapitalisten en loonarbeiders, dat is het opnieuw invoeren van de kapitalistische loonslavernij, die niet uit de hemel komt vallen, maar in de hele wereld uit de agrarische productie groeit.” (13).

Toch stuurde Lenin na het fiasco van de communistische experimenten bij de boeren volkomen doelbewust naar het kapitalisme. En wel, omdat hij het kapitalisme als een vooruitgang zag tegenover het achterlijke landbouwbedrijf. Lenin koos daarom als leuze: vooruit naar het kapitalisme door middel van de n.e.p. In genoemde redevoe­ring op het X. congres zei hij:

Het kapitalisme is een kwaad vergeleken bij het socialisme. Het kapitalisme is een zegen vergeleken bij het kleinbedrijf, tegenover de bureaucratie, die met de versplintering van de kleine producenten verbonden is.” (14).

Rusland gaat daarmee naar een kapitalistische ontwikkeling in de landbouw in samenwerking met een staatskapitalisme in de industrie. De Bolsjewiki komen daarbij wel in een buitengewoon “scheve positie”. Ze ontwikkelen het kapitalisme “in naam van het communisme”. “In naam van het communisme” een bondgenootschap met het opkomend boerenkapitaal. (“We moeten ons staatsproductieapparaat bij het bedrijf van de middelboeren, dat we in de loop van drie jaren niet vermochten om te vormen, aanpassen.” Lenin, X. Congres [van de r.c.p.]) (15). “In naam van het communisme” wordt ieder, die zich tegen dit alles verzet, in de gevangenis gesmeten, of naar Siberië verbannen! Een boerenfascisme onder leiding van de Communistische Partij!


VII. De socialisatie in het algemeen

Hoewel de opheffing van het kapitalisme het uitgesproken doel van de arbeidersbeweging is, vindt men in de arbeidersliteratuur toch heel weinig aanduidingen, die zo­veel als een program voor de doorvoering van de sociale revolutie voorstellen. De sociaaldemocratische en Moskou-communistische beweging komen niet boven de fra­se uit, dat de productiemiddelen in de handen van de gemeenschap moeten overgaan, waarmee ze dan bedoelen, dat ze in staatsexploitatie genomen moeten worden. De anarchistische beweging richt zich direct tegen het staatskapitalisme, maar is ten slotte uitgeput bij de leuze: “De bedrijven aan de arbeiders” met “Opheffing van het loonstelsel”. Ieder nader program, dat dit doel zal verwezenlijken, iedere uiteenzetting, hoe de economie van zulk een stelsel nu reeds in de schoot van het kapitalisme wordt voorbereid, ontbreekt echter. En waar een anarchist zich aan een “schildering” van zijn fantasie te buiten gaat (Sebastiaan Faure (16): Het Universele Geluk, Uitgave: De Roode Bibliotheek (17)) blijkt zijn geestelijk arsenaal alleen te werken met begrippen, die aan het staatskapitalisme van Moskou en Londen ontleend zijn. Faure schermt wel veel met “vrije overeenkomsten”, maar dat verhindert toch niet, dat de arbeiders in “zijn Systeem” niets in te brengen hebben.

De overgang van de kapitalistische productiewijze naar de communistische is toch niet alleen daarin gelegen, dat de productiemiddelen in handen van de “gemeenschap” overgaan. Dit klemt te meer, nu er verschillende burgerlijke hervormers komen, die voelen dat ze zich niet tegen de stroom naar het communisme kunnen verzetten en daarom ook voor “gemeenschapsbezit” zijn, maar… met behoud van de bewegingswetten van de kapitalistische warenproductie! (Erich Horn). Een communistische pro­ductie en distributie verlangt echter juist de opheffing van deze bewegingswetten, de opheffing van de productie op de grondslag van loon, prijs en winst. Voor de distribu­tie verlangt het de afschaffing van het arbeidsloon bij een gelijkmatige verdeling van de opbrengst van de menselijke arbeid. Deze gelijkmatige verdeling bergt een onnoemelijk aantal “onrechtvaardigheden” in zich, maar is toch als overgangsmaatregel naar het voldragen communisme van “nemen naar behoeften” noodzakelijk.

We willen er nu in het bijzonder op wijzen, dat de huidige arbeidersbeweging voor haar wezenlijke taak, het doorvoeren van nieuwe bewegingswetten voor de goederencirculatie, volkomen terugdeinst. Ze ziet nog steeds haar heil in het z.g. “nationaliseren” of “socialiseren” van de “rijpe” bedrijven, dat wil zeggen ze wil de industriële en agrarische grootbedrijven in staatsexploitatie nemen. Het industriële kleinbedrijf en nagenoeg de hele landbouw blijven in “particulier bezit” en moeten dus volgens de wetten van de kapitalistische “waren”-productie verder werken. Daarmee is het onmo­gelijk de grondslagen van de kapitalistische productiewijze van loon, prijs en winst te vernietigen en nieuwe economische bewegingswetten voor de producten-circulatie te geven. Dat wil zeggen: noch de loonarbeid, noch de uitbuiting kunnen opgeheven worden, terwijl van een gelijkmatige verdeling van het product in het geheel geen sprake kan zijn. Het kapitalisme wordt niet verslagen, maar verschijnt in een nieuwe vorm: het staatskapitalisme wordt in West-Europa de overheersende productievorm: de “waren”-productie blijft over de hele linie gehandhaafd. In dit licht gezien, is ook de Moskouse leuze van “Een Verbond van Arbeiders en Boeren” in werkelijkheid het opgeven van de doeleinden van de proletarische revolutie, een compromis met het kapi­talisme, de onmacht om de werkelijke grondslagen voor het communisme te leggen.

De Groep van Internationale Communisten wijst al deze ’socialiseringsprojecten’ die tot de heftigste onderdrukking van de arbeidersklasse moeten voeren (we kunnen daar nu niet nader op in gaan (18)) van de hand en ziet in het doorvoeren van nieuwe bewegingswetten voor de productencirculatie de eigenlijke taak van de sociale omwenteling. De revolutie stelt algemene regels op, waarnaar alle bedrijven zelfstandig hun productieberekening voeren. Ieder bedrijf heft zelf de meerwaarde op en berekent al­leen de productietijd der producten, zodat de maatschappelijke gemiddelde productietijd van de producten de grondcategorie van het communistische bedrijfsleven worden kan. Hier valt het verschil tussen grote en kleine, technisch hoogontwikkelde of technisch primitieve, industriële of agrarische, “administratieve” of “”productieve” bedrijven weg. Zij alle kunnen berekenen, hoeveel maatschappelijk gemiddelde arbeids­uren in hun product steken. De doorvoering van het communisme is daarmee niet de functie van knappe staatslieden, maar ze is het resultaat van de levende activiteit van de massa’s zelf. De “Staat” heeft dus in de productie als zodanig niets te zoeken, de staat produceert niet, productie en distributie voltrekken zich door het bevruchtende zelf-initiatief van producenten en consumenten. Deze voltrekken zelf de planmatige productie, de aaneensluiting van de bedrijven op de exacte basis van de arbeidstijdrekening. Het vastleggen van de nieuwe bewegingswet is daarom het wezenlijke doel van de revolutie. De overwinnende arbeidersklasse roept door haar Radencongres alle klassegenoten in stad en land op, alle bedrijven in eigen beheer en onder eigen leiding te nemen onder de volgende gezichtspunten:

  1. Het geld wordt vanaf een bepaalde datum waardeloos verklaard en als nieuwe rekeneenheid wordt het arbeidsuur ingevoerd.
  2. Alle bedrijven stellen de productietijd van hun producten vast.
  3. Gelijksoortige bedrijven treden terstond samen, om de maatschappelijk gemiddelde productietijd van hun product vast te stellen.

Daarmee is het gehele bedrijfsleven tot de communistische productie overgegaan, alle productiemiddelen zijn gesocialiseerd: ze zijn in handen van de gemeenschap overgegaan. (Voor een nadere beschouwing van de arbeidstijdrekening verwijzen we naar het opstel Aantekeningen over communistische economie in het tijdschrift Klassenstrijd, nrs. 4, 5 en 6 van de 3e jaargang) (19).

De socialisatie in de landbouw

Het standpunt dat de Groep van Internationale Communisten ten opzichte van het wezen der proletarische revolutie inneemt, ontspringt voor een niet gering deel uit de ontwikkeling, die het boerenbedrijf in de hoog-kapitalistische landen genomen heeft. Juist het feit, dat de landbouw volkomen bij de maatschappelijke arbeid is ingeschakeld, dat de landbouw in het proces van maatschappelijke deelarbeid is opgenomen, dat de landbouw tot de industriële productie is overgegaan en zich desondanks toch niet organisch in het “socialisme” of “communisme” laat opnemen, doet sterke twijfel rijzen aan de hechtheid van de “communistische” theorieën. De hele “nationalisatie”- of “socialisatie”-theorieën blijken dan ook niet anders te zijn, dan een reformistisch ombuigen van de proletarische doelstellingen.

We hebben ons in dit geschriftje ertoe bepaald, aan te tonen dat er geen wezenlijk verschil in landbouw en industrie meer bestaat, zodat beide takken van productie onder dezelfde socialisatiewetten vallen. Een andere zaak is natuurlijk, hoe de maatschappelijk gemiddelde productietijd voor landbouwproducten bepaald wordt. Dat is echter een onderwerp op zichzelf en valt buiten het kader van deze uiteenzettingen, omdat we dan niet over “Ontwikkelingslijnen in de landbouw” moesten schrijven, maar over de toepassing van de arbeidstijdrekening in landbouw en industrie. We kunnen er hier daarom alleen op wijzen, dat de moderne “kostprijsberekening” in het gespecialiseerde landbouwbedrijf heden evengoed wordt toegepast als in de industrie (Zie: “Cost accounting in agriculture” door S. King, Londen (20)), wat alleen mogelijk is als beide takken van productie volgens hetzelfde proces verlopen.

Welke houding de boeren ten opzichte van de proletarische revolutie zullen innemen, is niet te zeggen, omdat we in dit opzicht weinig ervaring hebben. (Te gelegener tijd komen we op de houding van de boeren in de Duitse revolutie nog nader terug (21)). Zoveel is zeker dat ze nooit tot “voortrekkers” van de revolutie zullen worden, omdat hun ideologie van “bezitters” dit verhindert. De kleine boeren in Duitsland zijn warme voorstanders van de “onteigening”… behalve als het henzelf betreft. De sociale revolutie welke het communisme ziet als het leggen van een nieuwe bewegingswet voor de productencirculatie, heeft de boeren echter wel wat te bieden. Behalve de bevrijding van alle pachten, hypotheken en bedrijfsschulden, brengt de gelijkmatige verde­ling van het maatschappelijk product de directe volkomen gelijkstelling van stad en land, wat in de praktijk op een bevoordeling van de boer uitloopt. Het landbouwproletariaat, deze paria’s van de kapitalistische samenleving, maakt echter een geweldige sprong vooruit, zodat het er alle belang bij heeft, de landbouw bij de communistische productie in te schakelen.

Stellen we de vraag, welke betekenis de huidige boerencoöperaties bij de doorvoering van het communisme in de landbouw hebben, dan is daarop te antwoorden dat ze met het kapitalisme verdwijnen. Ze zijn van hun bestaansgrond, het verzekeren van een gunstige positie op de markt, losgeslagen en storten daarmee ineen. Hun taak in het ontwikkelingsproces hebben ze echter verricht: ze hebben de boeren geleerd, wat organisatie is en wat ze tot stand te brengen vermag. Ze hebben de boeren geleerd, dat ze slechts een radertje in het grote geheel zijn. Dit is het wezenlijke, dat zich in de revolutie in geheel nieuwe vorm openbaart. De oude vorm van de organisatie is vernietigd, het principe van organisatie is de wezenlijke aanwinst uit het kapitalistische tijdperk. Ook in dat opzicht is er geen verschil tussen landbouw en industrie. Zoals de industriearbeiders de vorm van de oude organisaties, de vakverenigingen, vernietigen, maar het principe van de organisatie in de bedrijfsorganisaties en raden tot nieuw leven wekken, zo valt ook de vorm van de boerencoöperaties, om voor een Radenorganisatie plaats te maken. Hoe de Raden-idee zich op het platteland voltrekt, hoe de bouw, de structuur van de bedrijfsorganisaties en Raden op het platteland zal zijn, daaromtrent is nog heel weinig te zeggen, omdat de revolutionaire periode in West-Europa ons dienaangaande nog niets heeft kunnen leren, en het is niet onze taak organisatorische vormen voor een vlot verloop van de productie te bedenken. We begeven ons niet op het pad van de fantasie en moeten ons dus tevreden stellen met het algemene, de wezenlijke inhoud van de dingen, terwijl we afwachten in welke vorm dit algemene zich manifesteert.


Opmerking: De gegevens omtrent de normalisatie zijn voor een goed deel ontleend aan: “Verhandlungen des VII. allgemeinen Deutschen Bankierstages zu Köln am 9., 10. und 11. September 1928”, blz. 204-272. Uitgave: Walter de Gruyter & Co, Berlin, 1928. De andere bronnen staan in de tekst vermeld.


Redactionele noten

1. Voor Sebald Justinus Rutgers (1879-1961), zie: b.w.s.a. . Het boerenvraagstuk in Sovjet-Rusland, Europa, Amerika, Indië, China / S. Rutgers. – Rotterdam : W.L. & J. Brusse, 1929. – 142 p.

2. Grundriß zum Studium der Politischen Ökonomie , IV. Teil: Statistik / J[ohann]. Conrad. – Jena : A. Hesse, 1924. – 233 p.

3. In het origineel staat: “80%”. De toename in opbrengst van tarwe met 700 kg/ha tussen 1880 en 1910 betekent echter een stijging met 700/1290, ofwel: 54,3%.

4. Waarschijnlijk bedoeld de Duitse bankier Georg Solmssen (1869-1957); zie: Wikipedia (de) .

5. De Vee- en Vleeschhandel, vakblad voor veehandelaren, slagers, exporteurs; het verscheen van 1916 tot 1971.

6. Agrar-Probleme, herausgegeben vom Internationalen Agrar-Institut [Meždunarodnyj Agrarnyj Institut], Moskau. – Berlin : Verlagsbuchhandlung Paul Parey, 1928.

7. Die Wirtschaftlichen Problemen der proletarischen Diktatur / E[ugen]. Varga. – Hamburg : Verlag der Kommunistische Internationale, 1921. – 158 p. – (Bibliothek der Kommunistische Internationale ; VII).

8. Lenin, Zur Einschätzung der russischen Revolution, 1908, in: Werke / Lenin. – Berlin : Dietz Verlag, 1972, Bd. 15 , S. 45-46.

9. Inprekorr, afkorting van Internationale Pressekorrespondenz  (1921-1939).

10. Dit citaat lijkt afkomstig uit Lenin, Referat über die Ersetzung der Ablieferungspflicht durch die Naturalsteuer, 15. März 1921, in: Werke / Lenin. – Berlin : Dietz Verlag, 1972, Bd. 32 , S. 216-217; de formuleringen verschillen echter van die in de bron die de g.i.c. aanhaalt, en die ons niet ter beschikking staat.

11. Historical Materialism ; a System of Sociology / N.I. Bukharin. – International Publishers, 1925, Chapter 7 .

12. De Duitse Boerenoorlog / Friedrich Engels, Hoofstuk 6  (enigszins andere vertaling).

13. Lenin, Referat über die Ersetzung der Ablieferungspflicht durch die Naturalsteuer, 15. März 1921, in: Werke / Lenin. – Berlin : Dietz Verlag, 1972, Bd. 32 , S. 220.

14. Lenin, Über die Naturalsteuer ; Die Bedeutung der neuen Politik und ihre Bedingungen, 1921, in: Werke / Lenin. – Berlin : Dietz Verlag, 1972, Bd. 32 , S. 364.

15. Lenin, Referat über die Ersetzung der Ablieferungspflicht durch die Naturalsteuer, 15. März 1921, in: Werke / Lenin. – Berlin : Dietz Verlag, 1972, Bd. 32 , S. 230.

16. Sébastien Faure (1858-1942), Franse anarchist sinds 1888; in 1914 verspreidt hij pacifistische en anti-militaristische vlugschriften waarin hij tot desertie oproept; in 1936 sluit hij zich aan bij de Durriti-colonne tijdens de Spaanse burgeroorlog.

17. Het Universeele Geluk (mijn kommunisme) / Sebastian Faure. – Zandvoort : De Roode Bibliotheek, 1921. – 398 p. – (3 delen).

18. Zie g.i.c., Grondbeginselen van de communistische productie en distributie, tweede druk 1935, de volgende fragmenten: XII. – De opheffing van de markt, a., b., c.; XV. – De doorvoering van het communisme in het boerenbedrijf, a., b., c.; en: Aanhangsel.

19. Klassenstrijd ; Revolutionair Maandblad; 1926-1928, onder redactie van Henriëtte Roland Holst-van der Schalk en Henk Sneevliet; aanwezig in het i.i.s.g. , Amsterdam, 3e jg. (1928), nr. 4, 5 en 6; voortgezet als De Nieuwe Weg ; Onafhankelijk, revolutionair socialistisch maandschrift (1929-1935), waarin in 1930 De ontwikkeling van het boerenbedrijf van de g.i.c. werd uitgegeven.

20. Cost Accounting Applied to Agriculture as an Aid to Productive Farming  / John Sidney King. – Oxford : Oxford University Press, 1927. – 182 p.

21. Zie noot 18.


Compiled by Vico, 19 April 2017, latest additions 21 April 2017